Herziene Statenvertaling (HSV)
8

De eerste toespraak van Bildad

81Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zei:

2Hoelang zul je deze dingen blijven zeggen,

en zullen de woorden van je mond een geweldige stormwind zijn?

3

8:3
Deut. 32:4
2 Kron. 19:7
Dan. 9:14
Zou God het recht verdraaien?

Zou de Almachtige de gerechtigheid verdraaien?

4Als je kinderen tegen Hem gezondigd hebben,

heeft Hij hen laten gaan in de macht van hun eigen overtreding.

5

8:5
Job 22:23
Maar als je ernstig God zoekt,

en de Almachtige om genade smeekt,

6als je zuiver en oprecht bent,

dan zal Hij nu voorzeker ter wille van jou ontwaken,

en de woning van je gerechtigheid herstellen.

7Je begin zal wel klein zijn,

maar je einde zal zeer groot worden.

8

8:8
Deut. 4:32
Want doe toch navraag bij de vorige generatie,

bereid je voor op een onderzoek naar hun vaderen.

9

8:9
Gen. 47:9
1 Kron. 29:15
Job 7:5,6,7
Ps. 39:13
144:4
Immers, wij zijn van gisteren en weten niets,

want onze dagen op aarde zijn

8:9
Ps. 102:12
144:4
een schaduw.

10Zullen die je niet onderwijzen, tot je spreken,

en uit hun hart woorden voortbrengen?

11Groeien biezen waar geen moeras is?

Groeit rietgras op zonder water?

12

8:12
Ps. 129:6
Jer. 17:6
Als het nog in zijn knop is, ook al wordt het niet afgeplukt,

toch verdort het vóór al het andere gras.

13Zo zijn de paden van allen die God vergeten;

8:13
Job 11:20
18:14
Ps. 112:10
Spr. 10:28
de hoop van de huichelaar vergaat.

14Dat waar hij zijn hoop op stelde, zal van hem walgen;

zijn vertrouwen zal spinrag8:14 spinrag - Letterlijk: huis van een spin. blijken te zijn.

15Hij zal op zijn huis leunen, maar het zal niet blijven staan;

hij zal het vastgrijpen, maar het zal niet staande blijven.

16Weliswaar is hij een saprijke plant in de zon,

en zijn jonge loten spreiden zich uit over zijn tuin,

17zijn wortels vlechten zich over een steenhoop;

hij kijkt uit naar een steenachtige plaats.

18Maar als men hem wegrukt uit zijn plaats,

zal deze hem verloochenen en zeggen: Ik heb u nooit gezien.

19Zie, dat is de vreugde van zijn weg;

en uit het stof zullen anderen voortkomen.

20Zie, God zal de oprechte niet verwerpen,

en Hij grijpt kwaaddoeners niet bij de hand.

21Eens zal Hij je mond weer met lachen vervullen,

en je lippen met gejuich.

22Wie je haten, zullen met schaamte bekleed worden,

en de tent van de goddelozen zal er niet meer zijn.

9

Antwoord van Job aan Bildad

91Maar Job antwoordde en zei:

2Het is waar, ik weet dat het zo is;

want hoe zou

9:2
Ps. 143:2
een sterveling rechtvaardig kunnen zijn voor God?

3Als hij ertoe genegen is Hem ter verantwoording te roepen,

niet één op de duizend keer zal hij Hem antwoord kunnen geven.

4Hij is wijs van hart en sterk van kracht;

wie heeft zich tegen Hem verhard en vrede gehad?

5Hij verplaatst bergen, zonder dat men het merkt,

Hij keert ze om in Zijn toorn.

6Hij schudt de aarde van haar plaats,

zodat haar pilaren wankelen.

7Hij spreekt tegen de zon, en zij gaat niet op;

Hij verzegelt de sterren.

8Hij alleen spant

9:8
Gen. 1:6
de hemel uit,

en Hij treedt op de hoogten van de zee.

9Hij maakt de Grote Beer, de Orion,

het Zevengesternte en de Kamers van het Zuiden.

10

9:10
Job 5:9
Ps. 72:18
77:15
86:10
Rom. 11:33
Hij doet grote dingen, die niemand kan doorgronden;

wonderen, die niet te tellen zijn.

11Zie, gaat Hij langs mij heen, ik zie Hem niet;

gaat Hij voorbij, ik merk Hem niet op.

12Zie, neemt Hij weg, wie zal het Hem laten teruggeven?

Wie zal tegen Hem zeggen: Wat doet U?

13God keert Zijn toorn niet af;

zelfs de helpers van Rahab9:13 Rahab - Rahab betekent ‘hoogmoedig’, maar verwijst in het Oude Testament ook naar een machtig zeemonster; zie ook Job 26:12; Ps. 87:4; 89:11; Jes. 30:7 en 51:9. bukken zich onder Hem.

14Hoeveel te minder zal ík Hem dan kunnen antwoorden,

en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?

15Zelfs als ik rechtvaardig ben, kan ik geen antwoord geven;

mijn Rechter zal ik om genade smeken.

16Als ik roep en Hij antwoordt mij,

dan kan ik niet geloven dat Hij mijn stem ter ore neemt.

17Want Hij vermorzelt mij door een storm,

en maakt mijn wonden talrijk, zonder reden.

18Hij laat mij niet toe om op adem te komen,

maar Hij verzadigt mij met bitterheden.

19Als het op kracht aankomt, zie, Hij is sterk;

en als het op recht aankomt, wie zal mij dagvaarden?

20Al ben ik rechtvaardig, mijn eigen mond zal mij veroordelen;

al ben ik oprecht, Hij zal mij toch schuldig verklaren.

21Ik ben oprecht, maar ik sla geen acht op mijn ziel;

ik veracht mijn leven.

22Het is een en hetzelfde; daarom zeg ik:

9:22
Pred. 9:2,3
Mal. 3:14
Hij brengt zowel de oprechte als de goddeloze om.

23Als plotseling de gesel doodt,

spot Hij met de wanhoop van de onschuldigen.

24De aarde is overgegeven in de hand van de goddeloze;

Hij bedekt het gezicht van haar rechters.

Als Híj het niet is, wie is het dan?

25

9:25
Job 7:6,7
Mijn dagen zijn sneller voorbijgegaan dan een ijlbode;

zij zijn weggevlucht, zij hebben het goede niet gezien.

26Zij zijn voorbijgegaan als boten van riet,

zoals een arend op voedsel afvliegt.

27Als ik zeg: Ik zal mijn klacht vergeten,

ik zal een ander gezicht zetten9:27 een ander gezicht zetten - Letterlijk: mijn gezicht verlaten. en mij verkwikken,

28dan ben ik beducht voor al mijn leed;

ik weet dat U mij niet voor onschuldig zult houden.

29Ik zal toch schuldig verklaard worden;

waarom zou ik mij tevergeefs afmatten?

30

9:30
Jer. 2:22
Als ik mij was met sneeuwwater,

en mijn handen zuiver met loog,

31dan dompelt U mij in de put,

en mijn kleren hebben een afschuw van mij.

32

9:32
Pred. 6:10
Jer. 49:19
Want Hij is niet een man zoals ik, aan Wie ik antwoord zou kunnen geven,

als wij samen voor het gerecht komen.

33Er is geen scheidsrechter tussen ons,

die zijn hand op ons beiden kan leggen.

34

9:34
Job 13:20
33:7
Laat Hij Zijn roede bij mij weghalen,

laat Zijn bedreiging mij geen angst meer aanjagen.

35Dan zal ik spreken en niet bevreesd zijn voor Hem,

want zo is het niet bij mij.

10

101Mijn ziel walgt van mijn leven;

ik laat mijn klacht de vrije loop;

ik spreek in de bitterheid van mijn ziel.

2Ik zal tegen God zeggen: Verklaar mij niet schuldig;

laat mij weten waarover U mij ter verantwoording roept.

3Doet het U goed dat U onderdrukt,

dat U de inspanning van Uw handen verwerpt,

terwijl U over het voornemen van de goddelozen licht laat schijnen?

4Hebt U ogen van een schepsel?10:4 van een schepsel - Letterlijk: van vlees.

Ziet U zoals een sterveling ziet?

5Zijn Uw dagen als de dagen van een sterveling?

Zijn Uw jaren als de dagen van een man,

6dat U mijn ongerechtigheid zo onderzoekt,

en naar mijn zonde speurt?

7Het is U bekend10:7 Het is U bekend - Letterlijk: Het is bij Uw kennis. dat ik niet schuldig ben;

maar er is niemand die redt uit Uw hand.

8Uw handen hebben mij gevormd en gemaakt.

Zij zijn beide om mij heen, en U verslindt mij.

9Denk er toch aan dat U mij als

10:9
Gen. 2:7
3:19
leem gemaakt hebt,

en mij tot stof zult laten terugkeren.

10

10:10
Ps. 139:15,16
Hebt U mij niet als melk uitgegoten,

en hebt U mij niet als kaas laten stremmen?

11Met huid en vlees hebt U mij bekleed;

met beenderen en pezen hebt U mij samengeweven.

12U hebt mij leven en goedertierenheid geschonken,

en Uw zorg heeft mijn geest bewaard.

13Maar deze dingen hebt U verborgen in Uw hart;

ik weet dat dit bij U is.

14Als ik zondig, merkt U mij op,

en vanwege mijn ongerechtigheid houdt U mij niet voor onschuldig.

15Als ik schuldig ben, wee mij!

En als ik rechtvaardig ben, zal ik mijn hoofd niet opheffen,

ik ben verzadigd van schande; zie mijn ellende aan!

16Als mijn hoofd zich opheft, jaagt U op mij als

10:16
Jes. 38:13
Klaagl. 3:10
een felle leeuw;

U keert terug en betoont U wonderlijk tegenover mij.

17U brengt nieuwe getuigen tegen mij naar voren,

U maakt Uw toorn tegen mij groter;

telkens nieuwe legers stellen zich tegen mij op.

18

10:18
Job 3:11
Waarom hebt U mij uit de baarmoeder naar buiten laten komen?

Had ik maar de geest gegeven, en had geen oog mij maar gezien!

19Ik zou zijn alsof ik er niet geweest was;

vanuit de buik zou ik naar het graf gebracht zijn.

20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op,

laat Hij Zich van mij afkeren, zodat ik mij een beetje kan verkwikken,

21voordat ik wegga – en niet meer terugkom –

naar een land van duisternis en schaduw van de dood,

22een stikdonker land, als de duisternis zelf,

de schaduw van de dood, zonder enige orde;

het licht schijnt er als duisternis.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]