Herziene Statenvertaling (HSV)
6

Antwoord van Job aan Elifaz

61Maar Job antwoordde en zei:

2Och, werd mijn verdriet maar eens nauwkeurig gewogen,

en legden ze al mijn ellende maar bij elkaar in een weegschaal!

3Want het is nu zwaarder dan

6:3
Spr. 27:3
het zand van de zeeën;

daarom zijn mijn woorden ondoordacht.

4

6:4
Ps. 38:2,3
Want de pijlen van de Almachtige zijn in mij,

mijn geest drinkt het vergif ervan;

de verschrikkingen van God staan tegen mij opgesteld.

5Balkt de wilde ezel bij het malse gras?

Loeit het rund bij zijn voer?

6Wordt het smakeloze gegeten zonder zout?

Zit er smaak aan het wit van een ei?

7Mijn ziel weigert dat aan te raken;

het is als ziekmakend voedsel voor mij.

8Och, werd mijn begeerte maar vervuld,6:8 werd mijn begeerte maar vervuld - Letterlijk: wie zal geven dat mijn verzoek komt.

en gaf God mij maar waarop ik hoop!

9Was God maar zo goed dat Hij mij verbrijzelde,

dat Hij Zijn hand losmaakte en een einde aan mij maakte!

10Dat zou nog een troost voor mij zijn,

ik zou opspringen in mijn droefheid als Hij mij niet spaarde;

want ik heb de woorden van de Heilige niet verloochend.6:10 verloochend - Letterlijk: verborgen.

11Wat is mijn kracht, dat ik nog zou kunnen hopen?

Of wat is het doel waarvoor ik mijn leven zou willen verlengen?

12Is mijn kracht soms de kracht van stenen?

Is mijn vlees soms van brons?

13Of is er in mij geen hulp meer voor mezelf,

en is de wijsheid uit mij verdreven?

14Wie wanhopig is, mag van zijn vriend goedertierenheid verwachten;

of hij zou de vreze van de Almachtige verlaten.

15Mijn broeders hebben trouweloos gehandeld, als een beek;

zij gaan voorbij als stromende beken,

16die donker zijn van het ijs,

waarin de sneeuw zich verbergt.

17Op het moment dat zij weer stromen, verdwijnen zij;

als het warm wordt, drogen zij op van hun plaats.

18De paden van hun loop gaan alle kanten op,

zij gaan de woestenij in en vergaan.

19De karavanen van Tema kijken ernaar uit,

de reizigers van Sjeba wachten erop.

20Zij worden beschaamd in hun vertrouwen;6:20 in hun vertrouwen - Letterlijk: omdat hij vertrouwde.

als zij erbij komen, worden zij teleurgesteld.

21Voorzeker, zo zijn jullie nu voor mij geworden: niets!

Jullie hebben de ontzetting gezien en jullie zijn bevreesd geworden.

22Heb ik soms gezegd: Geef mij iets,

of: Geef een geschenk voor mij van jullie vermogen?

23of: Bevrijd mij uit de hand van de tegenstander,

en verlos mij uit de hand van de geweldplegers?

24Onderwijs mij, dan zal ík zwijgen,

doe mij begrijpen waarin ik gedwaald heb.

25Wat zijn oprechte woorden krachtig!

Maar wat betekent het straffen dat bij jullie vandaan komt?

26Willen jullie woorden bedenken om te straffen?

Zijn de woorden van een wanhopige dan wind?

27Jullie zouden zelfs over een wees het lot werpen,

jullie zouden jullie vriend verkopen.

28Maar nu, wees zo goed om jullie tot mij te wenden;

zou ik midden in jullie gezicht liegen?

29Kom toch tot inkeer, laat er geen onrecht zijn,

ja, kom tot inkeer; mijn gerechtigheid is er nog.

30Is er onrecht op mijn tong?

Zou mijn gehemelte grote ellende niet onderscheiden?

7

Job hernieuwt zijn klachten

71Heeft de sterveling niet een strijd te voeren op aarde,

en zijn zijn dagen niet als de dagen van een dagloner?

2Zoals een slaaf snakt hij naar schaduw,

zoals een dagloner ziet hij uit naar zijn loon.

3Zo heb ik maanden van doelloosheid geërfd,

en zijn nachten van moeite mij toebedeeld.

4Als ik mij te slapen leg, zeg ik:

Wanneer zal ik opstaan?

Tot wanneer heeft God de avond afgemeten?

Ik ben verzadigd van onrust tot aan de schemering.

5Mijn vlees is bekleed met maden en heeft een korst van stof,

mijn huid is gekloofd en veretterd.

6Mijn dagen zijn sneller gegaan dan een weversspoel,

ze zijn vergaan zonder hoop.

7Bedenk dat mijn leven

7:7
Job 8:9
14:1,2,3
16:22
Ps. 90:5,6,9
102:12
103:15
144:4
Jes. 40:6
Jak. 4:14
1 Petr. 1:24
een ademtocht is;

mijn oog zal niet opnieuw het goede zien.

8Het oog van degene die mij nu ziet, zal mij niet meer waarnemen.

Uw ogen zullen op mij zijn, maar ik zal er niet meer zijn.

9Een wolk vergaat en verdwijnt;

zo komt degene die in het graf neerdaalt, er niet weer uit omhoog.

10Hij keert niet meer terug naar zijn huis,

en zijn woonplaats kent hem niet meer.

11Ik echter zal mijn mond niet houden.

Ik zal spreken in de benauwdheid van mijn geest.

Ik zal klagen in de bitterheid van mijn ziel.

12Ben ik soms een zee, of een zeemonster,

dat U een wacht om mij heen zet?

13Als ik zeg: Mijn rustbank zal mij troost bieden,

mijn slaapplaats zal wat van mijn klacht wegnemen,

14dan ontstelt U mij door dromen,

en door visioenen jaagt U mij angst aan.

15Mijn ziel verkiest de verstikking,

en heeft de dood liever dan het leven.7:15 het leven - Letterlijk: mijn beenderen.

16Ik versmaad het, ik zal niet voor eeuwig leven.

Laat mij met rust, want

7:16
Ps. 62:10
144:4
mijn dagen zijn een zucht.

17

7:17
Ps. 8:5
144:3
Hebr. 2:6
Wat is de sterveling dat U hem groot maakt,

en dat U Uw hart op hem richt?

18Dat U hem elke morgen opzoekt,

dat U hem elk ogenblik beproeft?

19Hoelang duurt het voordat Uw blik zich van mij afwendt,

voordat U mij de rust gunt om mijn speeksel door te slikken?

20Heb ik gezondigd? Wat moet ik voor U doen,

Bewaker van de mens?

Waarom hebt U mij als doelwit voor U gezet,

zodat ik mezelf tot een last ben?

21Waarom vergeeft U mijn overtreding niet,

en doet U mijn ongerechtigheid niet weg?

Want nu zal ik in het stof liggen;

U zult mij ernstig zoeken, maar ik zal er niet meer zijn.

8

De eerste toespraak van Bildad

81Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zei:

2Hoelang zul je deze dingen blijven zeggen,

en zullen de woorden van je mond een geweldige stormwind zijn?

3

8:3
Deut. 32:4
2 Kron. 19:7
Dan. 9:14
Zou God het recht verdraaien?

Zou de Almachtige de gerechtigheid verdraaien?

4Als je kinderen tegen Hem gezondigd hebben,

heeft Hij hen laten gaan in de macht van hun eigen overtreding.

5

8:5
Job 22:23
Maar als je ernstig God zoekt,

en de Almachtige om genade smeekt,

6als je zuiver en oprecht bent,

dan zal Hij nu voorzeker ter wille van jou ontwaken,

en de woning van je gerechtigheid herstellen.

7Je begin zal wel klein zijn,

maar je einde zal zeer groot worden.

8

8:8
Deut. 4:32
Want doe toch navraag bij de vorige generatie,

bereid je voor op een onderzoek naar hun vaderen.

9

8:9
Gen. 47:9
1 Kron. 29:15
Job 7:5,6,7
Ps. 39:13
144:4
Immers, wij zijn van gisteren en weten niets,

want onze dagen op aarde zijn

8:9
Ps. 102:12
144:4
een schaduw.

10Zullen die je niet onderwijzen, tot je spreken,

en uit hun hart woorden voortbrengen?

11Groeien biezen waar geen moeras is?

Groeit rietgras op zonder water?

12

8:12
Ps. 129:6
Jer. 17:6
Als het nog in zijn knop is, ook al wordt het niet afgeplukt,

toch verdort het vóór al het andere gras.

13Zo zijn de paden van allen die God vergeten;

8:13
Job 11:20
18:14
Ps. 112:10
Spr. 10:28
de hoop van de huichelaar vergaat.

14Dat waar hij zijn hoop op stelde, zal van hem walgen;

zijn vertrouwen zal spinrag8:14 spinrag - Letterlijk: huis van een spin. blijken te zijn.

15Hij zal op zijn huis leunen, maar het zal niet blijven staan;

hij zal het vastgrijpen, maar het zal niet staande blijven.

16Weliswaar is hij een saprijke plant in de zon,

en zijn jonge loten spreiden zich uit over zijn tuin,

17zijn wortels vlechten zich over een steenhoop;

hij kijkt uit naar een steenachtige plaats.

18Maar als men hem wegrukt uit zijn plaats,

zal deze hem verloochenen en zeggen: Ik heb u nooit gezien.

19Zie, dat is de vreugde van zijn weg;

en uit het stof zullen anderen voortkomen.

20Zie, God zal de oprechte niet verwerpen,

en Hij grijpt kwaaddoeners niet bij de hand.

21Eens zal Hij je mond weer met lachen vervullen,

en je lippen met gejuich.

22Wie je haten, zullen met schaamte bekleed worden,

en de tent van de goddelozen zal er niet meer zijn.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]