Herziene Statenvertaling (HSV)
40

Job opnieuw door God bestraft

401Daarna antwoordde de HEERE Job uit een storm en zei:

2Omgord nu als een man uw heupen,

dan zal Ik u ondervragen. Maak Mij eens bekend:

3Wilt u ook

40:3
Ps. 51:6
Rom. 3:4
Mijn recht vernietigen?

Wilt u Mij schuldig verklaren, opdat u zelf rechtvaardig bent?

4Hebt u een arm zoals God?

En kunt u, zoals Hij, met uw stem donderen?

5Tooi u nu met heerlijkheid en hoogheid,

en bekleed u met majesteit en glorie.

6Verspreid de verbolgenheden van uw toorn,

en zie elke hoogmoedige en verneder hem.

7Zie elke hoogmoedige en onderwerp hem,

en verpletter de goddelozen op hun plaats.

8Verberg hen tezamen in het stof;

omwikkel hun gezichten in het verborgene.

9Dan zal ook Ik u prijzen,

omdat uw rechterhand u verlost heeft.

De Behemoth

10Zie toch, de Behemoth, die Ik gemaakt heb, evenals u,

hij eet gras zoals een rund.

11Zie toch zijn kracht in zijn lendenen,

en zijn sterkte in de spieren van zijn buik.

12Als hij wil, is zijn staart als een ceder;

de pezen van zijn dijen zijn samengevlochten.

13Zijn beenderen zijn als staven brons;

zijn gebeente is als ijzeren stangen.

14Hij is de voornaamste van Gods werken;40:14 werken - Letterlijk: wegen.

Hij Die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard verschaft.

15De bergen brengen immers voedsel voor hem voort,

en alle dieren van het veld spelen daar.

16Hij legt zich te slapen onder schaduwrijke bomen,

in een schuilplaats van riet en moeras.

17De schaduwrijke bomen bedekken hem elk met zijn schaduw;

de wilgen van de beek omringen hem.

18Zie, als de rivier wild wordt, beeft hij niet;

hij blijft kalm wanneer de Jordaan opbruist tegen zijn bek.

19Kan iemand hem bij zijn ogen vangen?

Kan iemand hem met strikken de neus doorboren?

De Leviathan

20Kunt u de Leviathan met een vishaak trekken,

of zijn tong met een touw neerdrukken?

21Kunt u een riet door zijn neus steken,

of met een doorn zijn kaak doorboren?

22Zal hij u talrijke smeekbeden doen?

Zal hij zachte dingen tegen u spreken?

23Zal hij een verbond met u sluiten?

Kunt u hem aannemen als een eeuwige slaaf?

24Kunt u met hem spelen als met een vogeltje?

Of hem vastbinden voor uw meisjes?

25Kunnen de handelaars hem verkopen?

Kunnen zij hem verdelen onder de kooplieden?

26Kunt u zijn huid volsteken met speren,

of zijn kop met een visharpoen?

27Leg uw hand maar eens op hem;

denk aan de strijd, doe het niet meer.

28Zie, de hoop hem te overmeesteren, zal een leugen blijken;

reeds bij zijn aanblik wordt men neergeworpen.

41

411Niemand is zo onverschrokken dat hij hem wakker maakt;

wie is dan degene die staande kan blijven voor Mijn aangezicht?

2

41:2
Rom. 11:35
Wie treedt Mij tegemoet, zodat Ik het hem zou vergelden?

41:2
Ex. 19:5
Deut. 10:14
Ps. 24:1
50:12
1 Kor. 10:26,28
Wat onder heel de hemel is, is van Mij.

3Ik zal niet zwijgen over zijn ledematen,

over zijn geweldige kracht,41:3 geweldige kracht - Letterlijk: zaak van de krachten. en over de fraaiheid van zijn gestalte.

4Wie zou de bovenkant van zijn gewaad durven opslaan?

Wie durft zijn dubbele pantser te benaderen?

5Wie kan de deuren van zijn gezicht openen?

Rondom zijn tanden is verschrikking.

6Zeer machtig zijn zijn sterke schilden,

elk gesloten als met een nauwsluitend zegel.

7Het ene zit zo dicht op het andere,

dat de wind er niet tussen kan komen.

8Zij kleven aan elkaar,

zij grijpen in elkaar en kunnen niet gescheiden worden.

9Zijn niesen laat een licht schijnen,

en zijn ogen zijn als de oogleden van de dageraad.

10Uit zijn bek komen fakkels,

vurige vonken ontsnappen eruit.

11Uit zijn neusgaten komt rook,

zoals bij een kokende ketel en een smeulend riet.

12Zijn adem zet kolen in brand,

uit zijn bek komt een vlam.

13In zijn nek woont kracht;

verschrikking springt voor hem uit.

14De stukken van zijn vlees kleven samen;

het is aan hem vastgegoten, onbeweeglijk.

15Zijn hart is hard als een steen,

ja, hard als de onderste molensteen.

16Als hij zich verheft, zijn de sterken bevreesd;

als hij doorbreekt, raken zij buiten zichzelf.41:16 raken zij buiten zichzelf - Of: ontzondigen zij zich.

17Treft iemand hem met het zwaard, dat houdt geen stand;

geen speer, lans of pijl.

18Hij beschouwt ijzer als stro,

en brons als verrot hout.

19Een pijl41:19 Een pijl - Letterlijk: De zoon van een boog. jaagt hem niet op de vlucht;

slingerstenen worden voor hem veranderd in stoppels.

20Knuppels worden door hem beschouwd als stoppels,

hij lacht om het trillen van de werpspies.

21Onder hem zijn scherpe scherven;

hij spreidt zich als een dorsslede uit op de modder.

22Hij laat de diepte koken als een pot;

hij maakt de zee als een ziedende mengketel.

23Achter zich verlicht hij het pad;

men houdt de watervloed voor zilverwit haar.

24Op de aarde is niets met hem te vergelijken,

die gemaakt is om zonder angst te zijn.

25Hij kijkt neer op alles wat hoog is,

hij is koning over alle trotse jonge dieren.

42

Job doet boete

421Toen antwoordde Job de HEERE en zei:

2Ik weet dat U alles vermag,

en geen plan is onmogelijk voor U.

3

42:3
Job 38:2
Wie is hij, zegt U, die Mijn raad verbergt zonder kennis?

Zo heb ik verkondigd wat ik niet begreep,

42:3
Ps. 40:6
131:1
139:6
dingen die te wonderlijk voor mij zijn en die ik niet weet.

4Luister nu, en ík zal spreken!

Ik zal U ondervragen: maak het mij bekend!

5Alleen door het horen met het oor had ik U gehoord,

maar nu heeft mijn oog U gezien.

6Daarom veracht ik mijzelf en ik heb berouw,

in stof en as.

Het gebed van Job voor zijn vrienden

7Nadat de HEERE deze woorden tot Job gesproken had, gebeurde het dat de HEERE tegen Elifaz, de Temaniet, zei: Mijn toorn is ontbrand tegen u en tegen uw twee vrienden, want u hebt niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job.

8Neem daarom zeven jonge stieren en zeven rammen voor u, en ga naar Mijn dienaar Job. Breng brandoffers voor u en laat Mijn dienaar Job voor u bidden. Want alleen zijn gebed42:8 zijn gebed - Letterlijk: zijn aangezicht; zie ook vers 9. zal Ik aannemen, zodat Ik met u niet doe naar uw dwaasheid; want u hebt niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job.

9Toen gingen Elifaz, de Temaniet, en Bildad, de Suhiet en Zofar, de Naämathiet, heen, en deden zoals de HEERE tot hen gesproken had; en de HEERE nam het gebed van Job aan.

Het gezegend einde van Job

10En de HEERE bracht een omkeer in het levenslot van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden. De HEERE vermeerderde alles wat Job bezeten had tot het dubbele toe.

11Al zijn broers en al zijn zusters en allen die hem vroeger gekend hadden, kwamen bij hem en gebruikten de maaltijd42:11 gebruikten de maaltijd - Letterlijk: aten brood. met hem in zijn huis. Zij betuigden hem hun medeleven en vertroostten hem over al het onheil dat de HEERE over hem gebracht had. Zij gaven hem ieder een geldstuk en een gouden ring.

12En de HEERE zegende het latere leven van Job meer dan zijn eerdere. Hij had veertienduizend schapen, zesduizend kamelen, duizend span runderen en duizend ezelinnen.

13Hij kreeg zeven zonen en drie dochters.

14En hij gaf de eerste de naam Jemima, de tweede de naam Kezia, en de derde de naam Keren-Happuch.

15Zulke mooie vrouwen als de dochters van Job waren er in heel het land niet te vinden, en hun vader gaf hun een erfelijk bezit onder hun broers.

16Job leefde daarna nog honderdveertig jaar, en hij zag zijn kinderen en de kinderen van zijn kinderen, vier generaties.

17En Job stierf, oud en van dagen verzadigd.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]