Herziene Statenvertaling (HSV)
37

371Ja, hierover beeft mijn hart,

en het springt op van zijn plaats.

2Luister aandachtig naar

37:2
Ps. 29:3
het daveren van Zijn stem,

en naar het geluid dat uit Zijn mond komt!

3Hij laat het los onder heel de hemel,

en Zijn licht tot over de einden van de aarde.

4Daarna brult Hij met Zijn stem;

Hij dondert met de stem van Zijn majesteit.

Hij houdt die dingen niet terug,

als Zijn stem gehoord wordt.

5God dondert wonderbaar met Zijn stem;

37:5
Job 5:9
9:10
36:26
Hij doet grote dingen en wij begrijpen ze niet.

6

37:6
Ps. 147:16
Want Hij zegt tegen de sneeuw: Wees op de aarde.

Ook tegen de slagregen van de regen;

en dan is er de slagregen van Zijn sterke regens.

7Hij verzegelt de hand van ieder mens,

zodat alle mensen Zijn werk kennen.

8De wilde dieren gaan naar hun schuilplaatsen,

en blijven in hun holen.

9Uit Zijn kamer komt de wervelwind,

en van de verstrooiende winden komt de kou.

10

37:10
Job 38:29,30
Ps. 147:17,18
Door de adem van God geeft Hij ijs,

zodat de brede wateren verstijven.

11Ook maakt Hij de wolken zwaar van vocht;

Hij spreidt de wolk van Zijn licht uit.

12Die gaat naar Zijn wijze raad alle kanten uit,

om te doen alles wat Hij hun gebiedt

op het oppervlak van de wereld, op de aarde.

13Hij beschikt het voor Zijn land, hetzij tot

37:13
Ex. 9:18,23
1 Sam. 12:18,19
Ezra 10:9
Job 36:31
een roede,

hetzij tot goedertierenheid.

14Hoor dit aan, Job!

Blijf staan en let op de wonderen van God.

15Weet je hoe God ze rangschikt,

en hoe Hij het licht van Zijn wolk laat schijnen?

16Weet je hoe de wolken zweven?

Ken je de wonderen van Hem Die volmaakt in kennis is?

17Weet je hoe je kleren warm worden

als Hij de aarde stil maakt vanuit het zuiden?

18

37:18
Gen. 1:6
Heb je samen met Hem de hemel uitgespannen,

die vast is als een gegoten spiegel?

19Maak ons bekend wat wij tegen Hem moeten zeggen,

want wij kunnen niets voor Hem uiteenzetten vanwege de duisternis.

20Zal het aan Hem verteld worden, als ik zo spreek?

Als iemand dat zegt, zal hij zeker verslonden worden.

21Nu ziet men het licht niet,

het schijnt in de wolken,

maar als de wind langsgaat, zuivert hij die.

22Uit het noorden komt goud;

bij God is een ontzagwekkende majesteit!

23De Almachtige, wij kunnen Hem niet vinden;

Hij is

37:23
Job 9:4
12:13,16
36:5
Ps. 99:4
groot van kracht en recht

en hoogst rechtvaardig; Hij onderdrukt niet.

24Daarom vrezen de mensen Hem;

maar alle eigenwijzen van hart ziet Hij niet aan.

38

De HEERE verschijnt aan Job

381Daarna antwoordde de HEERE Job uit een storm en zei:

2

38:2
Job 42:3
Wie is hij die Mijn raad duister maakt

met woorden zonder kennis?

3Omgord nu als een man uw heupen,

dan zal Ik u ondervragen. Maak Mij eens bekend:

4Waar was u

38:4
Spr. 8:29
toen Ik de aarde grondvestte?

Maak het bekend, als u echt inzicht hebt.

5Wie heeft haar afmetingen bepaald? U weet het immers wel.

Of wie heeft het meetlint over haar uitgespannen?

6Waarop zijn haar pijlers neergezonken?

Of wie heeft haar hoeksteen gelegd,

7toen de morgensterren samen vrolijk zongen,

en al de kinderen van God juichten?

8Of wie

38:8
Gen. 1:9
Job 26:10
Ps. 33:7
104:9
Spr. 8:29
Jer. 5:22
heeft de zee met deuren afgesloten,

toen zij losbarstte en uit de baarmoeder naar buiten kwam,

9toen Ik haar een wolk gaf als kleding,

en de donkere wolken als haar omslagdoek.

10Ik stelde haar Mijn grens,

en plaatste een grendel en deuren,

11en zei: Tot hiertoe mag u komen en niet verder,

hier zal zich een grens stellen tegen de glorie van uw golven.

12Hebt u in uw dagen de morgen ontboden?

Hebt u de dageraad zijn plaats gewezen,

13om de einden van de aarde vast te grijpen,

zodat de goddelozen van haar afgeschud worden?

14De aarde verandert als leem door een zegel,

en de dingen krijgen vorm38:14 krijgen vorm - Letterlijk: staan. als een kleed.

15De goddelozen wordt hun licht onthouden,

en de opgeheven arm wordt gebroken.

16Bent u gekomen tot aan de bronnen van de zee?

Hebt u gewandeld op de bodem van de watervloed?

17Zijn de poorten van de dood aan u geopenbaard?

Hebt u de poorten van de schaduw van de dood gezien?

18Reikt uw inzicht tot de breedten van de aarde?

Maak het bekend, als u dit allemaal weet.

19Waarheen is de weg waar het licht woont?

En de duisternis, waar is zijn woonplaats,

20zodat u die naar zijn gebied kunt brengen,

en dat u de paden naar zijn huis kunt opmerken?

21U weet het vast wel, want u was toen al geboren,

en uw dagen zijn groot in aantal.

22Bent u gekomen bij de schatkamers van de sneeuw?

Hebt u de schatkamers van de hagel gezien,

23die Ik achterhoud voor een tijd van benauwdheid,

voor een dag van strijd en oorlog?

24Waarheen is de weg waar het licht zich verdeelt,

en de oostenwind zich verspreidt over de aarde?

25Wie klieft voor de stortvloed een waterloop,

en een weg voor het weerlicht van de donder,

26om het te laten regenen op het land, waar niemand is,

op de woestijn, waarin geen mens is,

27

38:27
Ps. 107:35
om het gebied van verwoesting en vernietiging te verzadigen,

en om het opkomende groen te laten groeien?

28Heeft de regen een vader?

Of wie brengt de druppels van de dauw voort?

29Uit wiens buik komt het ijs naar buiten?

En wie baart de rijp van de hemel?

30Het water wordt hard als een steen,

en het oppervlak van de watervloed raakt vastgevroren.

31Kunt u de banden

38:31
Job 9:9
Amos 5:8
van het Zevengesternte vastbinden,

of de ketenen van de Orion losmaken?

32Kunt u de Mazzarot tevoorschijn laten komen op zijn tijd,

en kunt u de Wagen met zijn kinderen leiden?

33

38:33
Jer. 31:35
Kent u de verordeningen van de hemel,

of kunt u op aarde zijn beleid bepalen?

34Kunt u uw stem tot de wolken verheffen,

zodat een overvloed van water u overdekt?

35Kunt u bliksemflitsen sturen, zodat zij gaan,

en tegen u zeggen: Zie, hier zijn wij?

36

38:36
Job 32:8
Pred. 2:26
Dan. 1:17
Wie heeft de wijsheid in het binnenste gelegd?

Of wie heeft aan het hart het inzicht gegeven?

37Wie kan de wolken met wijsheid tellen?

En wie kan de kruiken van de hemel neerleggen,

38zodat het stof vast wordt als iets dat gegoten is,

en de kluiten aan elkaar kleven?

39

God vertelt Job van Zijn werken

391Kunt u voor de leeuwin op prooi jagen

39:1
Ps. 104:21
en het verlangen van de jonge leeuwen vervullen,

2als zij zich bukken in de holen,

en in hun schuilplaats zitten te loeren?

3Wie bereidt voor

39:3
Ps. 147:9
Matt. 6:26
de raaf zijn voedsel,

als zijn jongen om hulp roepen tot God,

als zij ronddwalen omdat er geen eten is?

4Weet u de tijd waarop de berggeiten baren?

39:4
Ps. 29:9
Hebt u gezien dat de hinden jongen werpen?

5Kunt u de maanden tellen die zij vol moeten maken?

En weet u de tijd van hun baren?

6Zij krommen zich en werpen hun jongen,

hun weeën drijven hun vrucht uit.

7Hun jongen worden sterk, ze worden groot in het veld;

ze gaan weg en komen niet meer bij hen terug.

8Wie heeft de wilde ezel vrij laten gaan?

En wie heeft de banden van de woudezel losgemaakt?

9

39:9
Job 24:5
Jer. 2:24
Ik heb hem de wildernis als zijn huis gegeven,

en de zoutvlakte als zijn woning.

10Hij lacht om het rumoer van de stad;

het luide geroep van de slavendrijver hoort hij niet.

11Hij speurt de bergen af, dat is zijn weide;

en hij zoekt naar alles wat maar groen is.

12Zou de wilde os u willen dienen?

Zou hij overnachten bij uw kribbe?

13Kunt u de wilde os met zijn eigen touw vastbinden om voren te trekken?

Zou hij de dalen achter u eggen?

14Vertrouwt u op hem, omdat zijn kracht groot is?

Laat u uw arbeid aan hem over?

15Vertrouwt u hem dat hij uw zaad zal terugbrengen

en zal verzamelen voor uw dorsvloer?

16De vleugels van de struisvogel klapwieken vrolijk,

net als de veren van de ooievaar en het ander gevederte.

17Maar zij laat haar eieren achter in de aarde,

en verwarmt ze in het stof,

18en vergeet dat een voet ze kan breken,

en dat de dieren van het veld ze kunnen vertrappen.

19Zij behandelt haar jongen hard, alsof ze niet van haar zijn;

zij is zonder angst of haar inspanning voor niets is.

20Want God heeft haar de wijsheid onthouden,

en heeft haar niets aan inzicht toebedeeld.

21Maar als het tijd is, richt zij zich op in de hoogte;

zij lacht om het paard en zijn berijder.

22Kunt u het paard kracht geven?

Kunt u zijn nek met manen bekleden?

23Laat u het springen als een sprinkhaan?

De majesteit van zijn gesnuif is een verschrikking.

24Het schraapt in de dalgrond en het is vrolijk in zijn kracht,

en het trekt uit, de wapens tegemoet.

25Het lacht om de angst en is niet ontsteld,

en keert niet om vanwege het zwaard.

26De pijlkoker klettert tegen hem aan,

het ijzer van de werpspies en de speer.

27Al trillend en briesend verslindt het de aarde,

en is niet te houden als het geluid van de bazuin klinkt.

28Bij elke bazuinklank zegt het: Ha!

en van verre ruikt het de strijd,

en het hoort het tieren van de vorsten en het krijgsgeschreeuw.

29Is het vanwege uw inzicht dat de valk vliegt,

en zijn vleugels uitspreidt naar het zuiden?

30Is het op uw bevel dat de arend zich verheft,

39:30
Jer. 49:16
en dat hij zijn nest in de hoogte maakt?

31Hij woont en overnacht in de rots,

op de punt van een rots, een vesting.

32Daarvandaan speurt hij naar voedsel;

zijn ogen zien van veraf.

33Zijn jongen slurpen bloed;

en

39:33
Matt. 24:28
Luk. 17:37
waar dodelijk gewonden liggen, daar is hij.

34En de HEERE antwoordde Job en zei:

35Zal hij die een rechtszaak voert met de Almachtige, Hem onderwijzen?

Laat hij die God ter verantwoording roept, daarop antwoorden.

Job verootmoedigt zich

36Toen antwoordde Job de HEERE en zei:

37Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden?

39:37
Ps. 39:10
Ik leg mijn hand op mijn mond.

38Eén keer heb ik gesproken, maar ik zal niet antwoorden;

twee keer, maar ik zal niet verdergaan.