Herziene Statenvertaling (HSV)
33

331Maar luister nu toch naar mijn betoog, Job!

en hoor al mijn woorden aan.

2Zie toch, ik heb mijn mond geopend;

mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.

3Wat ik zeg, zal de oprechtheid van mijn hart uitspreken,

en de kennis van mijn lippen dat wat zuiver is.

4De Geest van God heeft mij gemaakt,

en de adem van de Almachtige heeft mij levend gemaakt.

5Als je kunt, antwoord mij dan;

stel je dan op vóór mij, ga staan.

6

33:6
Job 9:35
23:10
Zie, ik ben voor God net als jij;

ook ik ben maar uit leem gevormd.

7Zie, laat mijn bedreiging je geen angst aanjagen,

en mijn hand zal niet zwaar op je drukken.

8Zeker,

33:8
Job 10:7
16:17
23:10,11
27:5
je hebt ten aanhoren van mij gezegd,

en ik heb de stem van je woorden gehoord:

9Ik ben rein, zonder overtreding;

ik ben onschuldig en heb geen misdaad begaan.

10Zie, Hij vindt gronden voor een aanklacht tegen mij,

33:10
Job 13:24
16:9
19:11
Hij beschouwt mij als Zijn vijand.

11

33:11
Job 13:27
Hij legt mijn voeten in het blok,

33:11
Job 14:16
Hij let op al mijn paden.

12Maar zie, antwoord ik jou, hierin ben je niet rechtvaardig;

want God is groter dan een sterveling.

13Waarom heb je Hem ter verantwoording geroepen?

Hij legt immers van geen van Zijn daden verantwoording af.

14Want God spreekt één of twee keer,

maar men slaat er geen acht op:

15in een droom, een visioen in de nacht,

als een diepe slaap op de mensen valt,

in de sluimer op de slaapplaats.

16Dan openbaart Hij het voor het oor van de mensen,

en Hij verzegelt hun tuchtiging,

17om de mens van een verkeerde daad af te brengen.

Hij verbergt de hoogmoed voor een man.

18Hij houdt zijn ziel af van het verderf,

en zijn leven van het omkomen door de werpspies.

19Hij wordt gestraft met pijn op zijn slaapplaats,

en de strijd in zijn beenderen is er voortdurend.

20

33:20
Ps. 107:18
Zijn leven verfoeit zelfs het brood,

en zijn ziel het begerenswaardige voedsel.

21Zijn vlees vergaat, zodat het niet meer te zien is,

en zijn beenderen, die niet te zien waren, steken nu uit.

22Zijn ziel nadert het graf,

en zijn leven nadert de dingen die doden.

23Als er dan een afgezant bij hem is,

een bemiddelaar, één uit duizend,

om de mens bekend te maken wat zijn recht is,

24dan zal Hij hem genadig zijn, en zeggen:

Verlos hem, zodat hij niet neerdaalt in het graf;

Ik heb verzoening gevonden.

25Zijn vlees zal frisser worden dan het was in zijn jeugd;

hij zal terugkeren tot de dagen van zijn jeugd.

26Hij zal vurig tot God bidden, en

33:26
Ps. 50:15
Jes. 58:9
Die zal hem goedgezind zijn

en zijn aangezicht aanzien met gejuich,

want Hij zal de sterveling zijn gerechtigheid teruggeven.

27Hij zal de mensen aanschouwen en zeggen:

Ik had gezondigd en wat recht is, krom gemaakt,

maar Hij heeft het mij niet vergolden.

28Maar God heeft mijn ziel verlost, zodat zij niet in het graf kwam,

en mijn leven nu in het licht ziet.

29Zie, dit alles doet God

twee of drie keer met een man,

30

33:30
Ps. 56:14
om zijn ziel terug te brengen van het graf,

opdat hij wordt verlicht met het licht van het leven.

31Sla er acht op, Job! Luister naar mij;

zwijg, dan zal ík spreken.

32Als er tegenwerpingen zijn, antwoord mij dan;

spreek, want ik verlang ernaar jou te rechtvaardigen.

33Zo niet, luister jíj dan naar mij;

zwijg, en ik zal je wijsheid leren.

34

Tweede deel van de toespraak van Elihu

341Verder antwoordde Elihu en zei:

2Luister, wijzen, naar mijn woorden,

en verstandigen, hoor mij aan.

3

34:3
Job 12:11
Want het oor beproeft woorden,

zoals het gehemelte voedsel proeft.

4Laten wij voor onszelf kiezen wat recht is;

laten wij onder elkaar erkennen wat goed is.

5Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig,

34:5
Job 27:2
maar God heeft mijn recht weggenomen.

6Ondanks mijn recht ga ik voor leugenaar door;

34:6
Job 6:4
mijn pijlwond is ongeneeslijk, zonder dat er een overtreding is.

7Wie is een man zoals Job?

Hij drinkt de spot in als water.

8Hij loopt rond in gezelschap van hen die onrecht bedrijven,

en gaat om met goddeloze mensen.

9Want hij heeft gezegd: Het baat een man niet

als hij behagen schept in God.

10Daarom, verstandige mensen, luister naar mij:

Er

34:10
Deut. 32:4
2 Kron. 19:7
Job 8:3
36:23
Ps. 92:16
Rom. 9:14
is bij God geen sprake van goddeloosheid,

of bij de Almachtige van onrecht!

11

34:11
Ps. 62:13
Spr. 24:12
Jer. 17:10
32:19
Ezech. 7:27
33:20
Matt. 16:27
Rom. 2:6
1 Kor. 3:8
2 Kor. 5:10
Efez. 6:8
Kol. 3:25
1 Petr. 1:17
Openb. 22:12
Want het werk van een mens vergeldt Hij hem,

en overeenkomstig iemands weg doet Hij hem ondervinden.

12Ja, het is waar, God handelt niet goddeloos,

en de Almachtige verdraait het recht niet.

13Wie heeft Hem over de aarde aangesteld,

en wie heeft de hele wereld neergezet?

14

34:14
Ps. 104:29
Pred. 12:7
Als Hij Zijn hart tegen de mens zou richten,

diens geest en diens adem tot Zich zou verzamelen,

15dan zou alle vlees tegelijk de geest geven,

en de mens zou

34:15
Gen. 3:19
Pred. 12:7
tot stof terugkeren.

16Als er inzicht bij jou is, luister hier dan naar,

neem de stem van mijn woorden ter ore:

17

34:17
Gen. 18:25
Job 8:3
21:22
Rom. 3:5
Kan ook iemand die het recht haat,
34:17
Job 5:18
regeren,

en wil je Hem Die zeer rechtvaardig is, schuldig verklaren?

18Zou men tegen een koning durven zeggen: Verderfelijk mens!

of tegen edelen: Goddelozen!

19Hij

34:19
Deut. 10:17
2 Kron. 19:7
Job 37:24
Hand. 10:34
Rom. 2:11
Gal. 2:6
Efez. 6:9
Kol. 3:25
1 Petr. 1:17
trekt geen partij voor de vorsten,34:19 Hij … voor de vorsten - Letterlijk: Die de aangezichten van de vorsten niet verheft.

en trekt de rijke niet voor boven de arme,

want zij zijn allemaal het werk van Zijn handen.

20In een ogenblik sterven zij, zelfs midden in de nacht;

een volk wordt heen en weer geschud en komt om;

de machtige wordt weggenomen, maar niet door een mensenhand.

21Want

34:21
2 Kron. 16:9
Job 31:4
Ps. 34:16
Spr. 5:21
15:3
Jer. 16:17
32:19
Zijn ogen zijn op ieders wegen,

en Hij ziet al hun voetstappen.

22

34:22
Ps. 139:12
Amos 9:2,3
Hebr. 4:13
Er is geen duisternis en er is geen schaduw van de dood

waar degenen die onrecht bedrijven zich kunnen verbergen.

23Zeker, Hij legt de mens niet te veel op,

zodat hij tegen God in het gericht zou kunnen komen.

24Hij verplettert de machtigen, zonder dat men het doorgronden kan,

en stelt anderen in hun plaats.

25Omdat Hij hun werken kent,

keert Hij hen 's nachts om, en zij worden verbrijzeld.

26Hij slaat hen als34:26 als - Letterlijk: in plaats van. goddelozen neer,

in een plaats waar mensen het zien,

27omdat zij van achter Hem zijn afgeweken,

34:27
Ps. 28:5
Jes. 5:12
en geen van Zijn wegen opgemerkt hebben.

28Hij brengt straf over hem vanwege het hulpgeroep van de arme,

en Hij hoort het hulpgeroep van de ellendigen.

29Als Hij stil blijft, wie kan dan schuldig verklaren?

Als Hij Zijn aangezicht verbergt, wie kan Hem dan waarnemen?

Hij regeert zowel over een volk als over een mens alleen,

30opdat er geen huichelaar regeert,

en er geen valstrikken voor het volk zijn.

31Zeker, Job heeft tegen God gezegd:

Ik heb Uw straf gedragen, ik zal niet meer verderfelijk handelen.

32Leert U mij wat ik niet zie;

als ik onrecht begaan heb, zal ik het niet meer doen.

33Moet het van jou komen hoe Hij iets vergelden zal, terwijl je Hem veracht?

Zul jíj dan kiezen, en niet Ik?

Wat weet je? Spreek.

34Verstandige mensen zullen tegen mij zeggen,

en een wijs man zal naar mij luisteren:

35Job heeft niet met kennis gesproken,

en zijn woorden waren niet met verstand.

36Ach, laat Job tot het einde toe beproefd worden,

om zijn antwoorden onder mensen van onrecht.

37Want hij voegt aan zijn zonde nog overtreding toe;

hij klapt onder ons in de handen,

en hij maakt zijn woorden tegen God talrijk.

35

Derde deel van de toespraak van Elihu

351Verder antwoordde Elihu en zei:

2Beschouw je dat als recht, dat je gezegd hebt:

Mijn gerechtigheid is meer dan die van God?

3Want

35:3
Job 34:9
je zegt: Wat baat het je?

In welk opzicht geeft dit mij meer voordeel dan wanneer ik zondig?

4Ík zal met woorden antwoord geven,

en je vrienden met je.

5Kijk naar de hemel en zie,

en aanschouw de wolken, die hoger zijn dan jij.

6Als je zondigt, wat doe je dan tegen Hem?

Als je overtredingen talrijk zijn, wat doe je Hem daarmee aan?

7

35:7
Job 22:2
Ps. 16:2
Rom. 11:35
Als je rechtvaardig bent, wat geef je Hem daarmee,

of wat ontvangt Hij uit jouw hand?

8Je goddeloosheid zou zijn tegen een man zoals jij,

en je rechtvaardigheid zou zijn ten bate van een mensenkind.

9Vanwege de vele verdrukkingen laten zij de onderdrukten om hulp roepen;

zij schreeuwen het uit vanwege de arm van de groten.

10Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker,

Die psalmen geeft in de nacht?

11Die ons meer wijsheid bijbrengt dan de dieren op de aarde,

en ons wijzer maakt dan de vogels in de lucht?

12Daar roepen zij,

35:12
Job 27:9
Spr. 1:28
15:29
Jes. 1:15
Jer. 11:11
Joh. 9:31
maar Hij antwoordt niet,

vanwege de trots van de kwaaddoeners.

13Zeker zal God de leugen niet verhoren,

en de Almachtige zal die niet aanschouwen.

14Zo is het ook wanneer je zegt dat je Hem niet waarneemt.

Er is echter een rechtszaak voor Zijn aangezicht, wacht dan op Hem.

15

35:15
Job 11:6
Welnu, omdat Zijn toorn niet gestraft heeft,

en omdat Hij weinig aandacht aan de dwaasheid heeft geschonken,35:15 Hij … heeft geschonken - Letterlijk: de dwaasheid niet zeer heeft opgemerkt.

16heeft Job met vluchtigheid zijn mond geopend,

en zonder kennis woorden vermenigvuldigd.