Herziene Statenvertaling (HSV)
2

Job door zijn vrienden opgezocht

21Opnieuw was er een dag, toen de zonen van God kwamen om hun opwachting te maken bij de HEERE, dat ook de satan in hun midden kwam om zijn opwachting te maken bij de HEERE.

2Toen zei de HEERE tegen de satan: Waar komt u vandaan? En de satan antwoordde de HEERE en zei: Van het rondtrekken over de aarde en van het rondwandelen erover.

3De HEERE zei tegen de satan: Hebt u ook acht geslagen op2:3 acht geslagen op - Letterlijk: uw hart gezet op. Mijn dienaar Job? Want er is niemand op de aarde zoals hij, een vroom en oprecht man, hij is godvrezend en keert zich af van het kwaad. Hij houdt nog steeds vast aan zijn vroomheid, hoewel u Mij tegen hem opgezet hebt om hem zonder reden te verslinden.

4Toen antwoordde de satan de HEERE en zei: Huid voor huid! Alles wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven.

5Steek Uw hand maar eens uit en tref zijn beenderen en zijn vlees. Voorwaar, hij zal U in Uw aangezicht vaarwel zeggen.

6En de HEERE zei tegen de satan: Zie, hij is in uw hand, maar spaar zijn leven.

7Toen ging de satan weg van het aangezicht van de HEERE en hij trof Job met vreselijke zweren, van zijn voetzool af tot aan zijn schedel.

8En Job nam een potscherf om zich daarmee te krabben, terwijl hij midden in de as zat.

9Toen zei zijn vrouw tegen hem: Houd je nog steeds vast aan je vroomheid? Zeg God vaarwel en sterf.

10Maar hij zei tegen haar: Je spreekt zoals één van de dwaze vrouwen spreekt. Zouden wij het goede wel van God ontvangen en zouden we het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.

11Toen de drie vrienden van Job van al dit onheil, dat hem overkomen was, hoorden, kwamen zij, elk uit zijn woonplaats: Elifaz, de Temaniet, Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naämathiet. Zij spraken met elkaar af om naar hem toe te gaan om hem hun medeleven te betuigen en hem te troosten.

12Toen zij hun ogen van veraf opsloegen, herkenden zij hem niet. Zij begonnen luid te huilen; daarbij scheurde ieder zijn bovenkleed en ze strooiden stof naar de hemel over hun hoofden.

13Zo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten. Niemand sprak een woord tot hem, want zij zagen dat het leed zeer hevig was.

3

Job vervloekt de dag van zijn geboorte

31Daarna opende Job zijn mond en

3:1
Jer. 15:10
20:14
vervloekte zijn geboortedag.

2Job nam het woord en zei:

3Laat de dag vergaan waarop ik geboren ben,

en de nacht waarin men zei: Er is een jongetje ontvangen.

4Laat die dag duisternis zijn;

laat God er vanuit de hoogte niet naar vragen,

en laat er geen lichtglans over schijnen.

5Laat de duisternis en de schaduw van de dood hem opeisen,

laat wolken hem overdekken,

laat verduisteringen van de dag hem angst aanjagen!

6Die nacht – laat donkerheid hem wegnemen,

laat hij zich niet verheugen onder de dagen van het jaar,

laat hij in het getal van de maanden niet komen!

7Zie, laat die nacht onvruchtbaar zijn,

laat geen vrolijk gezang erin voorkomen.

8Laten zij die de dag verwensen, hem vervloeken,

die klaar staan om de Leviathan3:8 de Leviathan - De Leviathan geldt in het Oude Testament als een vernietigend zeemonster; zie ook Job 40:20-41:25; Ps. 74:14; Ps. 104:26 en Jes. 27:1; SV: hun rouw. te wekken.

9Laat de sterren van zijn schemering verduisterd worden,

laat hij wachten op het licht, maar laat het er niet zijn.

Laat hij de oogleden van de dageraad niet zien.

10Hij heeft immers de deuren van mijn buik niet gesloten,

en de moeite niet voor mijn ogen verborgen.

11

3:11
Job 10:18
Waarom ben ik niet van de baarmoeder af gestorven,

en heb ik de geest niet gegeven toen ik uit de buik naar buiten kwam?

12Waarom zijn de knieën mij tegemoetgekomen,

en waarom waren er borsten, zodat ik kon zuigen?

13Want dan zou ik nu neerliggen en stil zijn;

ik zou slapen, dan zou ik rust hebben,

14samen met de koningen en raadsheren van de aarde,

die voor zichzelf puinhopen opbouwden;

15of met de vorsten die goud hadden,

die hun huizen met zilver vulden.

16Of ik zou er, als een verborgen misgeboorte, niet zijn;

als de kleine kinderen die het licht niet gezien hebben.

17Daar houden de goddelozen op met woelen,

en zij van wie de kracht is uitgeput, rusten daar uit.

18Gevangenen hebben daar met elkaar rust;

zij horen de stem van de slavendrijver niet.

19De kleine en de grote zijn daar samen;

en de slaaf is er vrij van zijn heer.

20Waarom geeft God aan een ellendige het levenslicht,

en het leven aan bitter bedroefden van ziel?

21Zij verlangen naar de dood, maar hij is er niet;

zij speuren ernaar, meer dan naar verborgen schatten.

22Zij zijn blij, tot jubelens toe,

zij zijn vrolijk, als ze het graf vinden.

23Waarom geeft Hij het levenslicht aan een man voor wie zijn eigen weg verborgen is,

3:23
Job 19:8
en voor wie God de weg verspert?

24Want in plaats van mijn brood komt mijn zuchten,

en mijn jammerklachten worden uitgegoten als water.

25Want wat mij angst aanjoeg, is tot mij gekomen;

dat waarvoor ik beducht was, is mij overkomen.

26Ik ben niet gerust en ik ben niet stil,

ik heb geen rust, er is onrust gekomen.

4

De eerste toespraak van Elifaz

41Toen antwoordde Elifaz, de Temaniet, en zei:

2Als wij een woord tot jou trachten te richten, bezwijk je dan?

Echter, wie zou nu zijn woorden kunnen inhouden?

3Zie, je hebt velen onderwezen,

en je hebt slappe handen versterkt.

4Je woorden hebben degene die struikelde, opgericht,

en de knikkende knieën heb je sterk gemaakt.

5Maar nu overkomt het jezelf, en je bezwijkt;

het treft je, en je wordt door schrik overmand.

6Is je vrezen van God dan niet je verwachting,

de oprechtheid van je wegen je hoop?

7Denk er toch aan: wie is ooit als onschuldige omgekomen,

en waar zijn er ooit oprechten uitgeroeid?

8Maar zoals ik gezien heb:

4:8
Job 15:35
Ps. 7:15
Spr. 22:8
Jes. 59:4
Hos. 10:13
Gal. 6:7,8
zij die onrecht ploegen

en moeite zaaien, oogsten dat ook.

9

4:9
Jes. 11:4
Door de adem van God komen zij om,

en door het blazen van Zijn neus worden zij vernietigd.

10Het gebrul van de leeuw, de stem van de felle leeuw,

maar de tanden van de jonge leeuwen worden gebroken.

11De leeuw komt om, omdat er geen prooi is,

en de welpen van een leeuwin worden verspreid.

12Verder, er is in het geheim een woord tot mij gebracht;

mijn oor heeft er een fluistering van opgevangen,

13in de beangstigende gedachten van de visioenen in de nacht,

als een diepe slaap op de mensen valt.

14Angst en huiver kwamen over mij,

en zij joegen de veelheid van mijn beenderen angst aan.

15Een geest trok aan mijn gezicht voorbij;

hij deed het haar van mijn lichaam te berge rijzen.

16Hij bleef staan, maar ik herkende zijn gedaante niet;

er was een gestalte voor mijn ogen.

Er was stilte, en toen hoorde ik een stem, die zei:

17Zou een sterveling rechtvaardig zijn tegenover God?

Zou een man rein zijn voor zijn Maker?

18Zie, zelfs

4:18
Job 15:15
2 Petr. 2:4
Zijn dienaren vertrouwt Hij niet,

en Zijn engelen legt Hij dwaling ten laste.

19Hoeveel te meer dan mensen, die in lemen huizen wonen,

waarvan het fundament in het stof is?

Zij worden nog eerder verbrijzeld dan een mot.

20Van de morgen tot de avond worden zij verpletterd;

onopgemerkt komen zij voor altijd om.

21Hun tentkoord wordt bij hen losgetrokken;

zij sterven, maar niet in wijsheid.