Herziene Statenvertaling (HSV)
26

Antwoord van Job aan Bildad

261Maar Job antwoordde en zei:

2Hoe heb jij hem geholpen die geen kracht heeft,

en de arm verlost die geen macht heeft?

3Hoe heb jij hem raad gegeven die geen wijsheid had,

en hoe heb jij hem wijsheid in overvloed bekendgemaakt?

4Aan wie heb jij zulke woorden bekendgemaakt?

En wiens geest is van jou uitgegaan?

5De gestorvenen zullen opnieuw geboren worden

van onder de wateren, en de bewoners daarvan.

6Het graf is

26:6
Ps. 139:8,11
Spr. 15:11
Hebr. 4:13
naakt voor Hem,

en er is geen bedekking voor het verderf.

7

26:7
Ps. 104:2
Hij strekt het noorden uit over het ledige;

Hij hangt de aarde op aan het niets.

8Hij bindt het water in Zijn wolken;

toch scheurt de wolk daaronder niet.

9

26:9
Job 9:8
Ps. 104:2,3
Hij bedekt de aanblik van Zijn troon;

Hij spreidt Zijn wolk erover uit.

10

26:10
Job 38:8
Ps. 33:7
104:9
Jer. 5:22
Hij heeft een begrenzing afgetekend over het wateroppervlak,

26:10
Gen. 1:9
Job 38:8
Ps. 33:7
104:9
Spr. 8:29
Jer. 5:22
tot aan de grens tussen licht en duisternis.

11De pilaren van de hemel sidderen

en zijn verbijsterd vanwege Zijn bestraffing.

12Door Zijn kracht

26:12
Jes. 51:15
heeft Hij de zee opgezweept,

en door Zijn inzicht heeft Hij Rahab26:12 Rahab - Rahab betekent ‘hoogmoedig’, maar verwijst in het Oude Testament ook naar een machtig zeemonster; zie ook Job 9:13; Ps. 87:4; 89:11; Jes. 30:7 en 51:9. neergeslagen.

13

26:13
Ps. 33:6
Door Zijn Geest kreeg de hemel schoonheid;

Zijn hand heeft de snelle slang doorboord.

14Zie, dit zijn nog maar de uiteinden van Zijn wegen;

wat hebben wij slechts een fluisterend woord van Hem gehoord!

Wie zou dan de donder van Zijn kracht kunnen begrijpen?

27

Job verdedigt nogmaals zijn onschuld

271En Job hief opnieuw zijn spreuk aan en zei:

2Zo waar God leeft, Die mijn recht heeft weggenomen,

en de Almachtige, Die mijn ziel bitterheid heeft aangedaan:

3Voorzeker, zolang mijn adem nog in mij is,

en het blazen van God in mijn neus,

4zullen mijn lippen geen onrecht spreken,

en zal mijn tong geen bedrog uiten!

5Er is geen sprake van dat ik jullie gelijk zou geven;

tot ik de geest geef, zal ik mijn oprechtheid niet van mij wegdoen.

6Ik zal aan mijn gerechtigheid vasthouden, en zal haar niet loslaten;

mijn hart zal die in mijn dagen niet minachten.

7Laat mijn vijand zijn als een goddeloze,

en mijn tegenstander als iemand die onrecht doet.

8

27:8
Matt. 16:26
Luk. 12:20
Want wat is de hoop van de huichelaar, als God zijn leven afsnijdt,

als God zijn ziel wegneemt?

9

27:9
Job 35:12
Ps. 18:42
109:7
Spr. 1:28
28:9
Jes. 1:15
Jer. 14:12
Ezech. 8:18
Micha 3:4
Joh. 9:31
Jak. 4:3
Zal God zijn hulpgeroep horen

als benauwdheid over hem komt?

10Zal hij vreugde scheppen in de Almachtige?

Zal hij God te allen tijde aanroepen?

11Ik zal jullie onderwijzen aangaande de hand van God;

wat bij de Almachtige is, zal ik niet verbergen.

12Zie, jullie hebben het allen zelf gezien.

Waarom blijven jullie dan aan vluchtigheid vasthouden?27:12 Waarom … vasthouden? - Letterlijk: Waarom vervluchtigen jullie dan in vluchtigheid?

13

27:13
Job 20:29
Dit is het deel van de goddeloze mens bij God,

en het erfelijk bezit van de geweldplegers, dat zij van de Almachtige ontvangen:

14als zijn kinderen talrijk worden, is

27:14
Deut. 28:41
Hos. 9:13
het voor het zwaard,

en zijn nakomelingen zullen niet met brood verzadigd worden.

15Wie van hem overgebleven zijn, zullen door de dood begraven worden,

en

27:15
Ps. 78:64
zijn weduwen zullen niet wenen.

16Als hij zilver ophoopt als stof,

en kleding vervaardigt als leem,

17zal hij die vervaardigen,

27:17
Spr. 28:8
Pred. 2:26
maar de rechtvaardige zal die aantrekken,

en de onschuldige zal het zilver verdelen.

18Hij heeft zijn huis als een mot gebouwd,

en als een hut die een wachter gemaakt heeft.

19

27:19
Ps. 49:18
Rijk legt hij zich te slapen; hij wordt wel niet weggenomen,

maar als hij zijn ogen opendoet, is het er niet meer.

20

27:20
Job 15:21
18:11
Verschrikkingen treffen hem als water;

's nachts zal een wervelwind hem wegnemen.

21De oostenwind zal hem opnemen, en daar gaat hij;

hij zal hem van zijn plaats wegvagen.

22God zal dit alles over hem werpen en hem niet sparen;

voor Zijn hand zal hij snel wegvluchten.

23Men zal over hem zijn handen ineenslaan,

en van afschuw over hem sissen vanuit zijn woonplaats.

28

Het oordeel van Job over de wijsheid

281Voorzeker, er is voor het zilver een plaats waar het tevoorschijn gebracht wordt,

en een plaats voor het goud waar het gezuiverd wordt.

2Het ijzer wordt uit de aarde gehaald,

en uit gesteente wordt koper gesmolten.

3De mens bepaalt het einde voor de duisternis,

en elke grens onderzoekt men,

het gesteente in het donker en de schaduw van de dood.

4Hij hakt een mijnschacht uit, ver van de plaats waar hij verblijft;

zonder steun van de voet28:4 zonder steun van de voet - Letterlijk: vergeten door de voet. hangen zij,

ver van de sterveling zweven zij.

5Uit de aarde komt het brood voort,

en onder in haar wordt zij veranderd, als door vuur.

6Haar gesteente is de plaats van saffier,

en zij bevat goudstofjes.

7De roofvogel kent het pad erheen niet,

en het oog van de kiekendief heeft het niet waargenomen.

8De trotse jonge dieren hebben het niet betreden,

geen felle leeuw is er overheen gegaan.

9De mens slaat zijn hand aan het harde gesteente,

hij keert de bergen vanaf de wortel om.

10In de rotsen hakt hij gangen uit,

zijn oog ziet alles wat kostbaar is.

11Hij damt de rivieren af, zodat er geen druppel doorheen komt,

en wat verborgen is, brengt hij naar buiten in het licht.

12Maar de wijsheid, waar wordt die gevonden?

En waar is de plaats van het inzicht?

13De sterveling kent haar waarde niet,

zij wordt niet gevonden in het land van de levenden.

14

28:14
Vers
De watervloed zegt: In mij is zij niet;

en de zee zegt: Bij mij is zij niet.

15

28:15
Spr. 3:14
8:11,19
16:16
Fijn goud kan niet in ruil voor haar gegeven worden,

en haar prijs kan niet met zilver worden afgewogen.

16Zij kan met het fijne goud van Ofir niet betaald worden,

en evenmin met de kostbare onyx en saffier.

17Haar waarde kan niet met goud of kristal gemeten worden,

en zij is niet in te ruilen voor een kleinood van zuiver goud.

18Aan koraal en kristal wordt niet meer gedacht,

want de prijs van de wijsheid is hoger dan die van robijnen.

19Haar waarde kan niet met die van een topaas uit Cusj gemeten worden;

en met het fijne zuivere goud kan zij niet betaald worden.

20

28:20
Vers
De wijsheid dus, waar komt zij vandaan,

en waar is de plaats van het inzicht?

21Zij is bedekt voor de ogen van alle levenden,

en voor de vogels in de lucht is zij verborgen.

22

28:22
Vers
Het verderf en de dood zeggen:

Met onze oren hebben wij slechts een gerucht over haar gehoord.

23God begrijpt haar weg,

en Híj kent haar plaats.

24Want Híj ziet tot aan de einden der aarde,

Hij ziet onder heel de hemel,

25terwijl Hij de kracht van de wind bepaalt,

en

28:25
Spr. 8:29
de wateren meet met een maat.

26Toen Hij een verordening maakte voor de regen,

en een weg voor het weerlicht van de donder –

27toen zag Hij haar, en peilde haar.

Hij stelde haar vast en ook onderzocht Hij haar.

28Maar tegen de mens heeft Hij gezegd:

Zie,

28:28
Ps. 111:10
Spr. 1:7
9:10
de vreze des Heeren, dat is wijsheid,

en zich afkeren van het kwade is inzicht.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]