Herziene Statenvertaling (HSV)
22

De derde toespraak van Elifaz

221Toen antwoordde Elifaz, de Temaniet, en zei:

2Zou een man God tot nut zijn?

Maar voor zichzelf zal de verstandige tot nut zijn.

3Is het een vreugde voor de Almachtige dat jij rechtvaardig bent;

of winst dat jij je wegen vervolmaakt?

4Is het omdat je godvrezend bent dat Hij je bestraft,

dat Hij met je in het gericht komt?

5Is je slechtheid niet groot,

en zijn je ongerechtigheden niet eindeloos?

6Want

22:6
Ex. 22:26,27
Deut. 24:6,10
je hebt zonder reden van je broeders een onderpand genomen,

en je hebt de kleding van naakten uitgetrokken.

7Aan de vermoeide gaf je geen water te drinken,

en je hebt de hongerige brood onthouden.

8Maar was er een man met macht, voor hem was het land,

en een aanzienlijk persoon woonde er.

9Weduwen heb je met lege handen weggestuurd,

en de armen van de wezen werden verbrijzeld.

10Dáárom zijn er strikken rondom je,

en word je plotseling door schrik overmand.

11Of zie je de duisternis niet,

en de vloed van water die je bedekt?

12Is God niet in de hoge hemel?

Zie toch de hoogste sterren, hoe verheven ze zijn.

13Maar jij zegt: Wat weet God ervan?

Zou Hij door de donkere wolken heen oordelen?

14De wolken zijn voor Hem een schuilplaats, zodat Hij niet ziet;

en Hij wandelt over de omtrek van de hemel.

15Blijf je je houden aan het eeuwenoude pad

dat de onrechtvaardige mensen betreden hebben?

16Zij zijn uitgeroeid, terwijl het de tijd nog niet was;

een rivier is over hun fundament uitgestort.

17

22:17
Job 21:14
Zij zeggen tegen God: Wijk van ons!

Wat zou de Almachtige voor hen doen?

18Hij had immers hun huizen met het goede gevuld.

22:18
Job 21:16
Daarom is het voornemen van de goddelozen ver van mij.

19

22:19
Ps. 107:42
De rechtvaardigen zien het en verblijden zich,

en de onschuldige bespot hen.

20Immers, onze tegenstander wordt uitgeroeid,

en het vuur verteert wat van hen over is.

21Gewen je toch aan Hem en heb vrede;

daardoor zal het goede over je komen.

22Ontvang toch het onderricht uit Zijn mond,

en leg Zijn woorden in je hart.

23Als je je

22:23
Job 8:5,6
bekeert tot de Almachtige, zul je gebouwd worden.

Doe het onrecht ver weg van je tent.

24Laat het goud in het stof liggen,

en het goud van Ofir bij de rots van de beken,

25dan zal de Almachtige je goud zijn,

en je schatten aan zilver.

26Ja, dan zul je vreugde scheppen in de Almachtige,

en je zult je gezicht tot God opheffen.

27Je zult vurig tot Hem bidden, en Hij zal je verhoren;

en je zult je geloften nakomen.

28Als je een zaak besluit, dan komt die voor je tot stand;

en op je wegen zal het licht schijnen.

29Als ze iemand vernederen, en je zegt: Omhoog!

dan zal God degene die de ogen heeft neergeslagen,

22:29
Spr. 29:23
verlossen.

30Hij zal zelfs degene bevrijden die niet onschuldig is;

die wordt bevrijd door de reinheid van jóuw handen.

23

Antwoord van Job aan Elifaz

231Maar Job antwoordde en zei:

2Ook vandaag is mijn klacht opstandigheid,

mijn hand drukt zwaar op mijn zuchten.

3Och, wist ik maar23:3 wist ik maar - Letterlijk: wie zal geven dat ik weet. dat ik Hem zou vinden,

dan zou ik naar Zijn woonplaats toe komen.

4Ik zou de rechtszaak voor Zijn aangezicht uiteenzetten,

en ik zou mijn mond vullen met mijn verdediging.

5Ik zou de woorden weten die Hij mij zou antwoorden;

en ik zou begrijpen wat Hij tegen mij zou zeggen.

6Zou Hij een rechtszaak tegen mij voeren met de grootheid van Zijn kracht?

Nee, maar Híj zou acht op mij slaan.

7Daar zou een oprechte zich tegenover Hem verdedigen;

en ik zou voor altijd vrij zijn van mijn Rechter.

8Maar zie, ga ik naar voren, dan is Hij er niet,

of naar achteren, dan merk ik Hem niet op.

9Als Hij aan de linkerkant werkt, aanschouw ik Hem niet;

keert Hij Zich naar de rechterkant, dan zie ik Hem niet.

10Maar Hij kent de weg die ik ga.

Laat Hij mij beproeven – ik zal er als goud uitkomen.

11Mijn voet heeft zich aan Zijn spoor gehouden;

aan Zijn weg

23:11
Job 31:4
heb ik mij gehouden, ik ben er niet van afgeweken.

12Het gebod van Zijn lippen heb ik niet weggedaan;

de woorden van Zijn mond heb ik verborgen, meer dan het mij toegewezen deel.

13Maar als Hij tegen iemand is, wie zal Hem er dan van afbrengen?

23:13
Ps. 115:3
Wat Zijn ziel verlangt, dat zal Hij doen.

14Want Hij zal het mij toegewezen deel ten uitvoer brengen;

dergelijke dingen zijn er veel bij Hem.

15Daarom word ik voor Zijn aangezicht door schrik overmand;

ik merk het op, en ben beangst voor Hem.

16Want God heeft mijn hart week gemaakt,

de Almachtige heeft mij schrik aangejaagd.

17Want niet door de duisternis ben ik omgebracht,

en niet door de donkerheid die mij bedekt.

24

241Waarom zijn de tijden niet verborgen voor de Almachtige,

terwijl zij die Hem kennen, Zijn dagen niet zien?

2Er zijn mensen die grenzen

24:2
Deut. 19:14
27:17
Spr. 22:28
23:10
aantasten;

zij roven een kudde en weiden die.

3De ezel van de wezen drijven ze weg;

het rund van een weduwe nemen ze in onderpand.

4Ze duwen de armen van de weg;

tezamen

24:4
Spr. 28:28
verbergen zich de ellendigen van het land.

5Zie, zij zijn wilde ezels in de woestijn,

zij trekken uit naar hun werk.

Zij zoeken ijverig naar eten,

de wildernis is voor hem en voor de kinderen tot voedsel.

6Op het veld oogsten zij zijn voer,

en de wijngaard van de goddeloze plukken zij leeg.

7De naakte laten zij overnachten zonder kleding,

terwijl hij geen bedekking heeft tegen de kou.

8Zij worden nat door een stortvloed van de bergen,

en zonder een toevluchtsoord klampen zij zich vast aan een rots.

9Zij rukken een weeskind van de borst,

en van een ellendige nemen zij onderpand.

10

24:10
Lev. 19:13
Naakt lopen zij rond, zonder kleding,

en hongerig dragen zij schoven.

11Tussen hun muren persen zij olie uit,

treden de perskuipen, en

24:11
Deut. 25:4
Jak. 5:4
hebben dorst.

12Vanuit de stad kermen mensen,

en de ziel van de dodelijk gewonden schreeuwt het uit;

toch beschikt God niets ongerijmds.24:12 toch … ongerijmds - Of: maar God stelt het verkeerde niet aan de orde.

13Zij zijn bij hen die het licht weerstaan;

zij kennen Zijn wegen niet,

en blijven niet op Zijn paden.

14Vóór het licht staat de moordenaar op,

hij

24:14
Ps. 10:8,9
doodt de ellendige en arme;

en 's nachts is hij als een dief.

15

24:15
Spr. 7:8,9
Het oog van de overspeler wacht op de schemering;

hij zegt:

24:15
Ps. 10:11
Geen oog mag mij waarnemen;

en hij doet een masker voor zijn gezicht.

16In de duisternis dringt hij door in de huizen.

Overdag sluiten zij zichzelf op;

24:16
Job 38:15
Joh. 3:20
zij willen niets weten van het licht.

17Ja, de schaduw van de dood is voor hen allen als de morgen,

want men kent de verschrikkingen van de schaduw van de dood.

18Hij is snel op het wateroppervlak;

hun deel op de aarde is vervloekt;

hij wendt zich niet in de richting van de wijngaarden.

19Droogte met hitte roven het sneeuwwater weg;

zo doet het graf bij hen die gezondigd hebben.

20Zelfs de baarmoeder vergeet hem,

de maden doen zich aan hem te goed,

er wordt niet meer aan hem gedacht;

het onrecht wordt gebroken als een stuk hout.

21De onvruchtbare, die niet baart, doet hij kwaad,

en voor de weduwe doet hij niets goeds.

22Ook trekt hij de machtigen neer door zijn kracht;

als hij opstaat, is men zijn leven niet zeker.

23Doet God hem onbezorgd zijn, dan steunt hij daarop;

maar Zijn ogen zijn op hun wegen gericht.

24Zij zijn een korte tijd verheven, daarna is er niemand van hen meer,

zij worden neergedrukt; evenals alle anderen worden zij in het graf gesloten;

en zij worden als de top van een aar afgesneden.

25Is het dan niet zo? Wie kan mij tot een leugenaar maken,

en mijn woorden tot niets maken?