Herziene Statenvertaling (HSV)
20

De tweede toespraak van Zofar

201Toen antwoordde Zofar, de Naämathiet, en zei:

2Daarom laten mijn gedachten mij antwoorden,

en vanwege deze woorden haast ik mij.

3Ik heb een bestraffing gehoord die mij schande aandoet,

maar de Geest zal op grond van mijn inzicht voor mij antwoorden.

4Weet je dit? Dat altijd al,

vanaf het moment dat God de mens op de aarde geplaatst heeft,

5

20:5
Ps. 37:35,36
het gejuich van de goddelozen van korte duur geweest is,

en de blijdschap van de huichelaar maar voor een ogenblik,

6ook al klimt zijn hoogmoed op tot de hemel,

en raakt zijn hoofd tot aan de wolken.

7Hij zal, evenals zijn uitwerpselen, voor altijd vergaan;

wie hem gezien hebben, zullen zeggen: Waar is hij?

8Hij zal wegvluchten als een droom, zodat men hem niet meer kan vinden,

en hij zal verjaagd worden als een visioen in de nacht.

9Het oog dat hem waarnam, doet dat niet meer;

en zijn woonplaats ziet hem niet meer.

10Zijn kinderen proberen bij de armen in de gunst te komen;

en zijn handen moeten zijn vermogen teruggeven.

11Zijn beenderen zijn nog vol van zijn jeugdige kracht,

maar ze zullen met hem in het stof neerliggen.

12Als het kwaad in zijn mond zoet is,

als hij dat verbergt onder zijn tong,

13als hij dat spaart en het niet laat varen,

maar het tegen zijn gehemelte20:13 tegen zijn gehemelte - Letterlijk: in het midden van zijn mond. blijft houden,

14dan zal zijn voedsel in zijn ingewanden veranderen;

gif van adders zal het in zijn binnenste zijn.

15Hij heeft vermogen verslonden, maar zal het uitspuwen;

God zal het uit zijn buik verdrijven.

16Hij zal vergif van adders zuigen;

de tong van de slang zal hem doden.

17Hij zal de stromen,

rivieren, beken van honing en boter niet zien.

18Hij zal de opbrengst teruggeven en niet verslinden;

hij zal niet genieten van de rijkdom van zijn handel.

19Omdat hij de armen onderdrukt en verlaten heeft,

20:19
Pred. 5:12
een huis geroofd heeft dat hij niet gebouwd had,

20omdat hij geen rust in zijn binnenste gekend heeft,

zal hij van wat hij begeerde, niets kunnen redden.

21Er blijft niets over wat hij kan eten;

daarom verwacht hij niets meer van zijn welvaart.

22In de volheid van zijn overvloed krijgt hij het benauwd;

de hand van iedere ellendige20:22 de hand van iedere ellendige - Letterlijk: elke hand van een ellendige. komt over hem.

23Laat er wat zijn om zijn buik te vullen,

God zal Zijn brandende toorn op hem zenden,

en die over hem laten regenen op zijn voedsel.

24Is hij gevlucht voor de ijzeren wapens,

dan zal de bronzen boog hem doorboren.

25Men trekt de pijl, en hij komt uit zijn rug,

hij komt glinsterend uit zijn gal;

verschrikkingen komen over hem.

26Alle duisternis wacht heimelijk op zijn verborgen goederen.

Een vuur dat niet is aangeblazen, verteert hem;

wie is overgebleven in zijn tent, vergaat het slecht.

27De hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren,

en de aarde staat tegen hem op.

28De inkomsten van zijn huis verdwijnen;

ze vloeien weg op de dag van Zijn toorn.

29Dit is het wat de goddeloze mens van Godswege ten deel valt,

en het erfelijk bezit van zijn woorden van Godswege.

21

Antwoord van Job aan Zofar

211Maar Job antwoordde en zei:

2Luister aandachtig naar mijn woorden,

en laat dat jullie vertroostingen zijn.

3Verdraag mij, nu zal ík spreken;

en nadat ik gesproken heb, kunnen jullie spotten.

4Wat mij betreft, is mijn klacht tot een mens gericht?

Maar al zou het zo zijn, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?

5Wend je tot mij, en wees ontzet,

en leg de hand op de mond.

6Ja, als ik hieraan denk, word ik door schrik overmand,

en huiver grijpt mijn vlees aan:

7

21:7
Ps. 17:10
73:12
Jer. 12:1
Hab. 1:16
Waarom leven de goddelozen, worden zij oud,

en wordt zelfs hun vermogen groot?

8Hun nageslacht is blijvend bij hen en met hen,

en hun nakomelingen zijn voor hun ogen.

9Hun huizen hebben vrede en zijn zonder angst,

en de roede van God is niet op hen.

10Zijn stier bespringt en mist niet;

zijn koe kalft en heeft geen misdracht.

11Zij laten hun jonge kinderen gaan als een kudde,

en hun kinderen huppelen.

12Zij verheffen hun stem met de tamboerijn en de harp,

en zij verblijden zich op het geluid van de fluit.

13Zij slijten hun dagen in het goede;

en in een ogenblik dalen zij af in het graf.

14

21:14
Job 22:17
Toch zeggen zij tegen God: Wijk van ons,

want wij vinden geen vreugde in de kennis van Uw wegen.

15

21:15
Ex. 5:2
Mal. 3:14
Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen?

En wat baat het ons dat wij bij Hem aandringen?

16Maar zie, hun welvaart is niet in hun eigen hand;

21:16
Job 22:18
het voornemen van de goddelozen is ver van mij.

17Hoe vaak gebeurt het dat de lamp van de goddelozen wordt uitgedoofd,

en hun ondergang hun overkomt;

dat God hun in Zijn toorn

21:17
Job 20:29
Ps. 11:6,7
smarten uitdeelt,

18dat zij worden als stro voor de wind,

en als kaf, dat de wervelwind wegneemt?

19Of bergt God de straf voor zijn ongerechtigheid voor zijn kinderen op?

Laat Hij het hem vergelden, zodat hij het merkt.

20Laten zijn ogen zijn ondergang zien,

en laat hij drinken van de grimmigheid van de Almachtige!

21Want wat voor vreugde vindt hij in zijn huis na hem,

als het getal van zijn maanden is afgesneden?

22

21:22
Jes. 40:13
Rom. 11:34
1 Kor. 2:16
Kan men God kennis bijbrengen,

terwijl Hij hen die hoog zijn, oordeelt?

23De een sterft terwijl zijn kracht nog ongebroken is,21:23 zijn … is - Letterlijk: zijn beenderen volkomen zijn.

terwijl hij geheel zonder zorgen en gerust is.

24Zijn vaten zijn vol melk,

en het merg van zijn beenderen is doordrenkt.

25De ander daarentegen sterft met een bittere ziel,

en hij heeft niet van het goede gegeten.

26Zij liggen samen in het stof,

21:26
Job 17:14
en de maden overdekken hen.

27Zie, ik ken jullie gedachten,

en de listige plannen waarmee jullie mij geweld aandoen.

28Want jullie zeggen: Waar is het huis van de edele,

en waar is de tent, de woning van de goddelozen?

29Hebben jullie het niet gevraagd aan de voorbijgangers op de weg,

en erkennen jullie hun aanwijzingen niet?

30

21:30
Spr. 16:4
Want de kwaaddoener wordt gespaard voor de dag van de ondergang;

voor de dag van de verbolgenheden worden zij in veiligheid gebracht.

31Wie vertelt hem in zijn gezicht welke weg hij gaat?

Als hij wat doet, wie vergeldt het hem?

32Uiteindelijk wordt hij naar de graven gebracht,

en men waakt over zijn grafheuvel.

33De kluiten van het dal zijn hem aangenaam,

en alle mensen trekken achter hem aan;

en zij die vóór hem geweest zijn, zijn niet te tellen.

34Wat troosten jullie mij dan met lege woorden!

Van jullie antwoorden blijft alleen ontrouw over.

22

De derde toespraak van Elifaz

221Toen antwoordde Elifaz, de Temaniet, en zei:

2Zou een man God tot nut zijn?

Maar voor zichzelf zal de verstandige tot nut zijn.

3Is het een vreugde voor de Almachtige dat jij rechtvaardig bent;

of winst dat jij je wegen vervolmaakt?

4Is het omdat je godvrezend bent dat Hij je bestraft,

dat Hij met je in het gericht komt?

5Is je slechtheid niet groot,

en zijn je ongerechtigheden niet eindeloos?

6Want

22:6
Ex. 22:26,27
Deut. 24:6,10
je hebt zonder reden van je broeders een onderpand genomen,

en je hebt de kleding van naakten uitgetrokken.

7Aan de vermoeide gaf je geen water te drinken,

en je hebt de hongerige brood onthouden.

8Maar was er een man met macht, voor hem was het land,

en een aanzienlijk persoon woonde er.

9Weduwen heb je met lege handen weggestuurd,

en de armen van de wezen werden verbrijzeld.

10Dáárom zijn er strikken rondom je,

en word je plotseling door schrik overmand.

11Of zie je de duisternis niet,

en de vloed van water die je bedekt?

12Is God niet in de hoge hemel?

Zie toch de hoogste sterren, hoe verheven ze zijn.

13Maar jij zegt: Wat weet God ervan?

Zou Hij door de donkere wolken heen oordelen?

14De wolken zijn voor Hem een schuilplaats, zodat Hij niet ziet;

en Hij wandelt over de omtrek van de hemel.

15Blijf je je houden aan het eeuwenoude pad

dat de onrechtvaardige mensen betreden hebben?

16Zij zijn uitgeroeid, terwijl het de tijd nog niet was;

een rivier is over hun fundament uitgestort.

17

22:17
Job 21:14
Zij zeggen tegen God: Wijk van ons!

Wat zou de Almachtige voor hen doen?

18Hij had immers hun huizen met het goede gevuld.

22:18
Job 21:16
Daarom is het voornemen van de goddelozen ver van mij.

19

22:19
Ps. 107:42
De rechtvaardigen zien het en verblijden zich,

en de onschuldige bespot hen.

20Immers, onze tegenstander wordt uitgeroeid,

en het vuur verteert wat van hen over is.

21Gewen je toch aan Hem en heb vrede;

daardoor zal het goede over je komen.

22Ontvang toch het onderricht uit Zijn mond,

en leg Zijn woorden in je hart.

23Als je je

22:23
Job 8:5,6
bekeert tot de Almachtige, zul je gebouwd worden.

Doe het onrecht ver weg van je tent.

24Laat het goud in het stof liggen,

en het goud van Ofir bij de rots van de beken,

25dan zal de Almachtige je goud zijn,

en je schatten aan zilver.

26Ja, dan zul je vreugde scheppen in de Almachtige,

en je zult je gezicht tot God opheffen.

27Je zult vurig tot Hem bidden, en Hij zal je verhoren;

en je zult je geloften nakomen.

28Als je een zaak besluit, dan komt die voor je tot stand;

en op je wegen zal het licht schijnen.

29Als ze iemand vernederen, en je zegt: Omhoog!

dan zal God degene die de ogen heeft neergeslagen,

22:29
Spr. 29:23
verlossen.

30Hij zal zelfs degene bevrijden die niet onschuldig is;

die wordt bevrijd door de reinheid van jóuw handen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]