Herziene Statenvertaling (HSV)
16

Antwoord van Job aan Elifaz

161Maar Job antwoordde en zei:

2Ik heb al vaak dergelijke dingen gehoord,

16:2
Job 13:4
jullie zijn allemaal moeitevolle vertroosters.

3Is er een einde aan de woorden van wind?

Of wat maakt jullie zo stellig als jullie antwoord geven?

4Zou ík ook spreken zoals jullie,

als jullie ziel in de plaats van mijn ziel was?

Zou ik woorden aaneenrijgen tegen jullie,

en zou ik mijn hoofd over jullie schudden?

5Ik zou jullie met mijn mond bemoedigen;

medelijden zou mijn lippen inhouden.

6Als ik echter spreek, wordt mijn leed niet verzacht;

en als ik ophoud, wat gaat er dan van mij weg?

7Zeker, nu heeft Hij mij laten bezwijken.

U hebt heel mijn gemeenschap verwoest.

8U hebt mij gegrepen, en dat is als een getuige tegen mij;

en mijn vermagering beschuldigt mij,16:8 beschuldigt mij - Letterlijk: staat tegen mij op. zij getuigt openlijk tegen mij.

9

16:9
Job 10:16,17
Zijn toorn verscheurt en haat mij;

Hij knarsetandt tegen mij;

mijn Tegenstander

16:9
Job 13:24
scherpt Zijn ogen tegen mij.

10Zij sperren hun mond tegen mij open;

smadelijk slaan zij mij op de kaak;

zij komen allen samen tegen mij.

11God heeft mij aan een verkeerde overgegeven,

en heeft mij uitgeleverd in de handen van goddelozen.

12Ik had rust, maar Hij heeft mij gebroken,

en mij bij de nek gegrepen en mij verpletterd;

16:12
Job 7:20
Klaagl. 3:12
Hij heeft mij neergezet als een doelwit voor Hem.

13Zijn schutters omringen mij;

Hij splijt mijn nieren en spaart mij niet,

Hij giet mijn gal op de aarde uit.

14Hij breekt mij met breuk op breuk,

Hij stormt tegen mij aan als een held.

15Ik heb een rouwgewaad over mijn huid genaaid,

16:15
Job 30:19
ik heb mijn hoorn in het stof gestoken.

16Mijn gezicht is rood van het huilen,

en over mijn oogleden ligt de schaduw van de dood,

17en dat terwijl er geen geweld in mijn handen is,

en mijn gebed zuiver is!

18Aarde, bedek mijn bloed niet,

en laat er geen rustplaats zijn voor mijn geroep.

19Ook nu, zie, in de hemel is mijn Getuige,

en mijn Pleitbezorger is in de hoogten.

20Mijn vrienden bespotten mij,

maar mijn oog weent tranen tot God.

21Laat hij een man

16:21
Job 31:35
Pred. 6:10
Jes. 45:9
Rom. 9:20
verdedigen bij God,

zoals een mensenkind voor zijn vriend doet.

22Want er komt nog maar een klein aantal jaren,

voor ik het pad ga waarlangs ik niet terugkeer.

17

171Mijn geest is te gronde gericht,

mijn dagen worden uitgeblust,

de graven zijn voor mij bestemd.

2Voorwaar, er zijn bespotters bij mij,

en mijn oog brengt de nacht door in hun bitterheid.

3Stel U toch borg voor mij bij U;

wie zal er anders zijn die het met handslag bevestigt?17:3 die … bevestigt - Letterlijk: die in mijn hand slaat.

4Want U hebt hun hart voor inzicht toegesloten;17:4 toegesloten - Letterlijk: verborgen.

daarom zult U hen niet verhogen.

5Zij zijn als iemand die vrienden roept om iets uit te delen,

terwijl de ogen van zijn kinderen bezwijken.

6

17:6
Job 30:9
Maar Hij heeft mij tot een spreekwoord onder de volken gemaakt,

en ik ben iemand die ze in het gezicht spugen.

7Daarom is mijn oog verduisterd door verdriet,

en al mijn ledematen zijn als een schaduw.

8De oprechten zullen hierover ontzet zijn,

en de onschuldige zal zich keren tegen de huichelaar.

9De rechtvaardige zal aan zijn weg vasthouden,

en wie rein van handen is, zal in kracht toenemen.

10

17:10
Job 6:29
Maar jullie allen, keer toch om, en kom,

want ik vind geen wijze onder jullie.

11

17:11
Job 7:6
9:25
Mijn dagen zijn voorbijgegaan; mijn plannen zijn mij ontrukt,

de verlangens17:11 verlangens - Letterlijk: bezittingen. van mijn hart.

12De nacht maken zij tot dag,

en zij zeggen dat het licht dichtbij is, ondanks de duisternis.

13Als ik wacht, zal het graf mijn huis zijn;

in de duisternis zal ik mijn bed spreiden.

14Tot het graf roep ik: U bent mijn vader!

Tot de maden: Mijn moeder en mijn zuster!

15Waar zou mijn hoop dan nu nog op gevestigd zijn?

Ja, wie zal mijn hoop aanschouwen?

16Zij zullen met mij neerdalen in het graf;

wij zullen tezamen

17:16
Job 3:17,18,19
30:23,24
in het stof afdalen.

18

De tweede toespraak van Bildad

181Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zei:

2Hoelang duurt het, voor jullie een einde aan jullie woorden maken?

Krijg inzicht, en daarna zullen wij spreken.

3Waarom worden wij als vee beschouwd,

en zijn wij onrein in jullie ogen?

4

18:4
Job 13:14
Jij, die je18:4 je - Letterlijk: zijn. ziel verscheurt in je toorn –

zou de aarde omwille van jou verlaten worden,

en zou een rots van zijn plaats gehaald worden?

5Ja, het licht van de goddelozen wordt uitgedoofd,

en de vlam van zijn vuur zal niet meer schijnen.

6Het licht wordt in zijn tent verduisterd,

en zijn lamp boven hem wordt uitgedoofd.

7Zijn krachtige schreden worden belemmerd,

en zijn eigen raad werpt hem neer.

8Want met zijn voeten wordt hij in een net geworpen,

en hij wandelt over een vlechtwerk van een vangkuil.

9Een strik grijpt hem bij de hiel,

18:9
Job 5:5
een valstrik overweldigt hem.

10Een touw is voor hem in de aarde verborgen,

een val is voor hem verborgen op het pad.

11

18:11
Job 15:21
Jer. 6:25
46:5
49:29
Verschrikkingen jagen hem rondom angst aan

en jagen zijn voeten voort.

12Zijn kracht

18:12
Job 15:23
zal tot honger worden,

en de ondergang staat klaar aan zijn zijde.

13De eerstgeborene van de dood zal de stukken van zijn huid verteren,

zijn ledematen zal hij verteren.

14

18:14
Job 8:13,14
11:20
Spr. 10:28
Zijn vertrouwen zal uit zijn tent gerukt worden;

dat doet hem voortschrijden naar de koning van de verschrikkingen.

15In zijn tent woont wat niet van hem is;

over zijn woning zal zwavel gestrooid worden.

16Vanonder verdorren zijn wortels,

en vanboven worden zijn twijgen afgesneden.

17

18:17
Ps. 109:13
Spr. 10:7
De gedachtenis aan hem zal van de aarde vergaan,

en hij zal geen naam hebben op de straten.

18Men zal hem wegstoten van het licht in de duisternis,

en men zal hem van de wereld verjagen.

19

18:19
Jes. 14:22
Jer. 22:30
Hij zal geen zoon of kleinzoon hebben onder zijn volk,

en niemand zal in zijn woning overblijven.

20Over de dag van zijn ondergang zullen zij die na hem komen, ontzet zijn,

en de ouderen zullen met schrik bevangen worden.

21Zeker, zo vergaat het de woning van wie onrecht doet,

en dit is de plaats van hem die God niet kent.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]