Herziene Statenvertaling (HSV)
15

De tweede toespraak van Elifaz

151Toen antwoordde Elifaz, de Temaniet, en zei:

2Zal een wijze antwoorden met wetenschap die als wind is?

Zal hij zijn buik vullen met oostenwind?

3Bestraft hij met woorden die nutteloos zijn,

en met uitspraken waarvan hij geen voordeel heeft?

4Ja, jíj doet de vreze Gods teniet,

en neemt het gebed voor het aangezicht van God weg.

5Want je eigen mond geeft je ongerechtigheid te kennen,

je hebt de tong van de sluwen gekozen.

6Je eigen mond verklaart je schuldig, en niet ik;

je lippen getuigen tegen je.

7Ben jij de eerste mens die geboren werd?

Ben jij vóór de heuvels voortgebracht?

8

15:8
Rom. 11:34
Heb jij geluisterd in de verborgen raad van God?

En heb jij de wijsheid naar je toe getrokken?

9Wat weet jij dat wij niet weten?

Wat begrijp jij dat bij ons ontbreekt?

10

15:10
Job 32:7
Onder ons is ook een grijsaard en een stokoude,

ouder van dagen dan jouw vader.

11Zijn de vertroostingen van God te klein voor je,

of woorden in zachtheid met je gesproken?

12Waarom voert je hart je zo mee,

en waarom flikkeren je ogen,

13dat je je geest tegen God keert

en zulke woorden uit je mond laat gaan?

14

15:14
1 Kon. 8:46
2 Kron. 6:36
Job 14:4
Ps. 14:3
Spr. 20:9
Pred. 7:20
1 Joh. 1:8,10
Wat is de sterveling dat hij zuiver zou zijn,

en dat hij, geboren uit een vrouw, rechtvaardig zou zijn?

15

15:15
Job 4:18
Zie, zelfs op Zijn heiligen vertrouwt Hij niet,

en zelfs

15:15
Job 4:18
25:5
de hemel is niet zuiver in Zijn ogen.

16Hoeveel te meer is dan een man afschuwelijk en verdorven

die het onrecht indrinkt als water!

17Ik zal het je te kennen geven, luister naar mij;

wat ik gezien heb, zal ik vertellen,

18wat de wijzen bekendgemaakt hebben,

en wat men voor hun vaderen niet verborgen heeft.

19Aan hen alleen was het land gegeven,

en geen vreemde ging door hun midden.

20Alle dagen doet de goddeloze zichzelf verdriet aan;

en voor de geweldpleger is een klein aantal jaren weggelegd.

21Het geluid van angstaanjagende dingen klinkt in zijn oren;

15:21
1 Thess. 5:3
zelfs tijdens de vrede komt de verwoester naar hem toe.

22Hij verwacht niet dat hij terugkeert uit de duisternis,

omdat er met een zwaard op hem geloerd wordt.

23Hij zwerft rond om brood. Waar is het?

Hij weet

15:23
Job 18:12
Ps. 109:10
dat een dag van duisternis voor hem ophanden is.15:23 voor hem … is - Letterlijk: bij zijn hand gereed is.

24Benauwdheid en angst overvallen hem;

ze overweldigen hem als een koning die klaar is voor de strijd.

25Ja, hij strekt zijn hand tegen God uit,

en hij verheft zich tegen de Almachtige.

26Hij rent op Hem af met opgeheven nek,

met de dikke knoppen van zijn schilden vooruit.

27Want hij heeft zijn gezicht bedekt met zijn vet,

en hij heeft een vetlaag op zijn lendenen gedaan.

28Hij bewoont verwoeste steden,

huizen waarin niemand meer woont,

bestemd om een puinhoop te worden.

29Hij zal niet rijk worden, zijn vermogen houdt geen stand,

en hun bezit breidt zich niet uit over de aarde.

30Hij kan de duisternis niet ontwijken,

een vlam verdroogt zijn jonge loot;

15:30
Job 4:9
hij gaat weg door de adem van Gods mond.

31Laat hij niet vertrouwen op iets wat nutteloos is, waardoor hij misleid wordt;

want iets nutteloos zal hij als vergelding krijgen.

32

15:32
Job 22:16
Ps. 55:24
Terwijl het zijn sterfdag nog niet is, zal die vervuld worden,

en zijn palmtak zal niet groen worden.

33Hij zal zijn onrijpe druiven afstoten als een wijnstok,

en zijn bloesem afwerpen als een olijfboom.

34Ja, de gemeenschap van de huichelaars is onvruchtbaar,

en het vuur verteert de tenten van hen die geschenken aannemen.

35

15:35
Ps. 7:15
Jes. 59:4
Hos. 10:13
Zij zijn zwanger van moeite en baren onheil,

en hun buik brengt bedrog voort.

16

Antwoord van Job aan Elifaz

161Maar Job antwoordde en zei:

2Ik heb al vaak dergelijke dingen gehoord,

16:2
Job 13:4
jullie zijn allemaal moeitevolle vertroosters.

3Is er een einde aan de woorden van wind?

Of wat maakt jullie zo stellig als jullie antwoord geven?

4Zou ík ook spreken zoals jullie,

als jullie ziel in de plaats van mijn ziel was?

Zou ik woorden aaneenrijgen tegen jullie,

en zou ik mijn hoofd over jullie schudden?

5Ik zou jullie met mijn mond bemoedigen;

medelijden zou mijn lippen inhouden.

6Als ik echter spreek, wordt mijn leed niet verzacht;

en als ik ophoud, wat gaat er dan van mij weg?

7Zeker, nu heeft Hij mij laten bezwijken.

U hebt heel mijn gemeenschap verwoest.

8U hebt mij gegrepen, en dat is als een getuige tegen mij;

en mijn vermagering beschuldigt mij,16:8 beschuldigt mij - Letterlijk: staat tegen mij op. zij getuigt openlijk tegen mij.

9

16:9
Job 10:16,17
Zijn toorn verscheurt en haat mij;

Hij knarsetandt tegen mij;

mijn Tegenstander

16:9
Job 13:24
scherpt Zijn ogen tegen mij.

10Zij sperren hun mond tegen mij open;

smadelijk slaan zij mij op de kaak;

zij komen allen samen tegen mij.

11God heeft mij aan een verkeerde overgegeven,

en heeft mij uitgeleverd in de handen van goddelozen.

12Ik had rust, maar Hij heeft mij gebroken,

en mij bij de nek gegrepen en mij verpletterd;

16:12
Job 7:20
Klaagl. 3:12
Hij heeft mij neergezet als een doelwit voor Hem.

13Zijn schutters omringen mij;

Hij splijt mijn nieren en spaart mij niet,

Hij giet mijn gal op de aarde uit.

14Hij breekt mij met breuk op breuk,

Hij stormt tegen mij aan als een held.

15Ik heb een rouwgewaad over mijn huid genaaid,

16:15
Job 30:19
ik heb mijn hoorn in het stof gestoken.

16Mijn gezicht is rood van het huilen,

en over mijn oogleden ligt de schaduw van de dood,

17en dat terwijl er geen geweld in mijn handen is,

en mijn gebed zuiver is!

18Aarde, bedek mijn bloed niet,

en laat er geen rustplaats zijn voor mijn geroep.

19Ook nu, zie, in de hemel is mijn Getuige,

en mijn Pleitbezorger is in de hoogten.

20Mijn vrienden bespotten mij,

maar mijn oog weent tranen tot God.

21Laat hij een man

16:21
Job 31:35
Pred. 6:10
Jes. 45:9
Rom. 9:20
verdedigen bij God,

zoals een mensenkind voor zijn vriend doet.

22Want er komt nog maar een klein aantal jaren,

voor ik het pad ga waarlangs ik niet terugkeer.

17

171Mijn geest is te gronde gericht,

mijn dagen worden uitgeblust,

de graven zijn voor mij bestemd.

2Voorwaar, er zijn bespotters bij mij,

en mijn oog brengt de nacht door in hun bitterheid.

3Stel U toch borg voor mij bij U;

wie zal er anders zijn die het met handslag bevestigt?17:3 die … bevestigt - Letterlijk: die in mijn hand slaat.

4Want U hebt hun hart voor inzicht toegesloten;17:4 toegesloten - Letterlijk: verborgen.

daarom zult U hen niet verhogen.

5Zij zijn als iemand die vrienden roept om iets uit te delen,

terwijl de ogen van zijn kinderen bezwijken.

6

17:6
Job 30:9
Maar Hij heeft mij tot een spreekwoord onder de volken gemaakt,

en ik ben iemand die ze in het gezicht spugen.

7Daarom is mijn oog verduisterd door verdriet,

en al mijn ledematen zijn als een schaduw.

8De oprechten zullen hierover ontzet zijn,

en de onschuldige zal zich keren tegen de huichelaar.

9De rechtvaardige zal aan zijn weg vasthouden,

en wie rein van handen is, zal in kracht toenemen.

10

17:10
Job 6:29
Maar jullie allen, keer toch om, en kom,

want ik vind geen wijze onder jullie.

11

17:11
Job 7:6
9:25
Mijn dagen zijn voorbijgegaan; mijn plannen zijn mij ontrukt,

de verlangens17:11 verlangens - Letterlijk: bezittingen. van mijn hart.

12De nacht maken zij tot dag,

en zij zeggen dat het licht dichtbij is, ondanks de duisternis.

13Als ik wacht, zal het graf mijn huis zijn;

in de duisternis zal ik mijn bed spreiden.

14Tot het graf roep ik: U bent mijn vader!

Tot de maden: Mijn moeder en mijn zuster!

15Waar zou mijn hoop dan nu nog op gevestigd zijn?

Ja, wie zal mijn hoop aanschouwen?

16Zij zullen met mij neerdalen in het graf;

wij zullen tezamen

17:16
Job 3:17,18,19
30:23,24
in het stof afdalen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]