Herziene Statenvertaling (HSV)
12

Antwoord van Job aan Zofar

121Job antwoordde echter en zei:

2Werkelijk waar, jullie zijn het volk

met wie de wijsheid zal sterven!

3Ik heb ook een hart net als jullie,

ik zwicht niet voor jullie;

wie weet zulke dingen niet?

4

12:4
Job 16:10
17:2
21:3
30:1
Ik ben iemand, belachelijk voor zijn vriend,

maar roepend tot God, Die hem verhoren zal;

12:4
Spr. 14:2
de rechtvaardige en oprechte wordt belachelijk gemaakt.

5Wie verdrukt wordt, verdient verachting, is de gedachte van de zorgeloze;

hij staat op het punt met zijn voet te struikelen.

6De tenten van de verwoesters

12:6
Job 21:7
Ps. 73:11,12
Jer. 12:1
Hab. 1:3,4
hebben rust;

wie God tergen, zijn volkomen veilig

door wat God met Zijn hand toebedeelt.

7Maar vraag toch de dieren, en zij zullen je onderwijzen,

de vogels in de lucht, en zij zullen het je bekendmaken.

8Of spreek tot de aarde, en zij zal je onderwijzen,

de vissen in de zee zullen het je vertellen.

9Wie weet van al deze dingen niet,

dat de hand van de HEERE dit doet?

10In Zijn hand is de ziel van alles wat leeft,

en de geest van al het menselijk vlees.

11

12:11
Job 6:30
34:3
Beproeft het oor de woorden niet,

zoals het gehemelte voedsel proeft?

12Is bij de oudsten de wijsheid,

en bij de lengte van dagen het inzicht?

13Bij Hem is wijsheid en macht;

Hij heeft raad en inzicht.

14Zie, Hij breekt af, en het wordt niet herbouwd;

12:14
Job 9:12
11:10
Openb. 3:7
Hij sluit iemand op, en er wordt niet opengedaan.

15Zie, Hij houdt de wateren tegen, en zij vallen droog;

Hij laat ze gaan, en zij keren de aarde om.

16Bij Hem is kracht en wijsheid;

van Hem is degene die dwaalt, en degene die doet dwalen.

17

12:17
2 Sam. 15:31
17:14,23
Jes. 19:12
29:14
1 Kor. 1:19
Hij voert raadsheren berooid weg,

12:17
2 Sam. 15:31
en rechters maakt Hij waanzinnig.

18De vermaning van koningen maakt Hij ongedaan,

en Hij bindt een gordel om hun middel.

19Hij voert priesters berooid weg,

en machthebbers stort Hij in het verderf.

20

12:20
Job 32:9
Jes. 3:2,3
Hij snoert betrouwbare mensen de mond,12:20 snoert … de mond - Letterlijk: neemt … de taal weg.

en het inzicht van oude mensen neemt Hij weg.

21

12:21
Ps. 107:40
Hij giet verachting uit over edelen,

en de gordel van machtigen maakt Hij los.

22Hij openbaart het diepste van de duisternis,

en de schaduw van de dood

12:22
Matt. 10:26
1 Kor. 4:5
brengt Hij in het licht.

23

12:23
Ps. 107:38
Hij maakt volken groot, en doet ze ondergaan;

Hij spreidt volken uit, en leidt ze.

24Hij neemt het hart van de hoofden van een volk op aarde weg,

en doet hen

12:24
Ps. 107:4,40
ronddwalen in een woestenij, waar geen weg is.

25Zij tasten rond in de duisternis, waar geen licht is;

Hij doet hen ronddwalen als een dronkaard.

13

131Zie, mijn oog heeft alles gezien,

mijn oor heeft het gehoord en begrepen.

2Zoals jullie het weten, weet ík het ook;

ik zwicht niet voor jullie.

3Maar ík zal tot de Almachtige spreken,

en vind er behagen in mij voor God te verdedigen.

4Maar werkelijk, jullie dekken alles toe met leugens;

jullie zijn allemaal

13:4
Job 16:2
heelmeesters van niets.

5

13:5
Spr. 17:28
Och, zwegen jullie maar helemaal!13:5 zwegen jullie maar helemaal - Letterlijk: wie zal geven dat jullie zwijgende zwijgen.

Dat zou jullie tot wijsheid zijn.

6Luister toch naar mijn verdediging,

en sla acht op het verweer van mijn lippen.

7

13:7
Job 17:5
32:21
36:4
Zouden jullie tegen God onrecht spreken,

en zouden jullie tegen Hem bedrog spreken?

8Trekken jullie partij voor Hem?13:8 Trekken jullie partij voor Hem? - Letterlijk: Verheffen jullie Zijn aangezicht?; zie ook vers 10.

Voeren jullie een rechtszaak voor God?

9Zou het goed zijn, als Hij jullie onderzoekt?

Willen jullie Hem bedriegen, zoals men een sterveling bedriegt?

10Hij zal jullie zeker straffen

als jullie in het geheim partijtrekken.

11Jaagt Zijn hoogheid jullie geen angst aan?

Overvalt vrees voor Hem jullie niet?

12Wat jullie in herinnering brengen, zijn spreuken van as,

jullie verweer is als een verweer van leem.

13Zwijg toch tegenover mij, zodat ik zelf kan spreken,

en laat maar over mij komen wat komt:

14waarom ik mijn vlees tussen mijn tanden neem,

en mijn leven in de waagschaal stel.13:14 mijn leven … stel - Letterlijk: mijn ziel in mijn hand leg.

15Zie, al zou Hij mij doden,

13:15
Ps. 23:4
Spr. 14:32
zou ik niet hopen?

Maar toch zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.

16Ook zal Hij mij tot verlossing zijn;

maar een huichelaar zal niet voor Zijn aangezicht komen.

17Luister aandachtig naar mijn woorden,

en laat mijn uiteenzetting in jullie oren komen.

18Zie toch, ik heb de rechtszaak uiteengezet;

ik weet dat ík rechtvaardig ben.

19Wie is hij die een rechtszaak met mij voert?

Als ik nu zweeg, zou ik de geest geven.

20Alleen, doe

13:20
Job 9:34
33:7
twee dingen niet met mij,

dan zal ik mij niet voor Uw aangezicht verbergen.

21Doe Uw hand die op mij drukt, ver weg,

en laat Uw bedreiging mij geen angst meer aanjagen.

22Roep dan, en ík zal antwoorden;

of ik zal spreken, en antwoord mij.

23Hoeveel ongerechtigheden en zonden heb ik?

Maak mij mijn overtreding en mijn zonde bekend.

24Waarom verbergt U Uw aangezicht,

en houdt U mij

13:24
Job 16:9
19:11
33:10
Klaagl. 2:5
voor Uw vijand?

25Wilt U een weggewaaid blad schrik aanjagen,

en wilt U droge stoppels achtervolgen?

26Want U schrijft bittere dingen tegen mij uit,

en U rekent mij de ongerechtigheden van

13:26
Ps. 25:7
mijn jeugd toe.13:26 U rekent … toe - Letterlijk: U doet mij … in bezit nemen.

27U

13:27
Job 33:11
legt mijn voeten in het blok,

en let op al mijn paden;

U maakt een teken in mijn voetzolen.

28En dat bij iemand die veroudert als iets dat verrot,

als een kleed dat de motten opeten.

14

141De mens, geboren uit een vrouw,

14:1
Ps. 90:5,6,9
102:12
103:15
144:4
Jak. 4:14
is kort van dagen en verzadigd van onrust.

2Als

14:2
Ps. 103:15
Jes. 40:6
1 Petr. 1:24
een bloem komt hij op en hij verwelkt;

14:2
Job 8:9
Ps. 90:6,10
102:12
144:4
hij vlucht als een schaduw en houdt geen stand.

3

14:3
Job 7:17,18
10:20
Ja, voor zo iemand doet U Uw ogen open,

en U brengt mij met U in het gericht.

4

14:4
Gen. 5:3
Ps. 51:7
Joh. 3:6
Rom. 5:12
Efez. 2:3
Wie zal een reine geven uit een onreine?

Niet één.

5

14:5
Job 7:1
Als zijn dagen vastgesteld zijn,

het getal van zijn maanden bij U bekend is,

en U zijn grenzen bepaald hebt, die hij niet kan overschrijden,

6

14:6
Job 7:16,19
10:20
wend Uw blik dan van hem af, zodat hij rust heeft

en als een

14:6
Job 7:1,2
dagloner van zijn dag geniet.

7Want voor een boom is er, als hij omgehakt wordt, nog hoop

dat hij zich weer vernieuwt,

en zijn jonge loten niet ophouden uit te lopen.

8Al wordt zijn wortel in de aarde oud,

en sterft zijn stronk in het stof,

9bij het ruiken van water zal hij weer uitlopen,

en maakt hij weer een twijg, zoals een plant.

10Maar een man sterft en is krachteloos;

als een mens de geest geeft, waar is hij dan?

11Het water loopt weg uit een meer,

en een rivier verzandt en valt droog.

12Zo gaat een mens liggen, en hij staat niet meer op.

Totdat de hemel er niet meer is, zullen zij niet ontwaken

of opgewekt worden uit hun slaap.

13Och, verstopte U mij maar14:13 verstopte U mij maar - Letterlijk: wie zal geven dat U mij verbergt. in het graf,

verborg U mij maar totdat Uw toorn zich afkeert;

stelde U maar een grens voor mij vast en dacht U maar aan mij!

14Als een man gestorven is, zal hij dan weer levend worden?

Dan zou ik alle dagen van mijn strijd hopen,

totdat er voor mij verandering zou komen.

15U zou roepen, en ík zou U antwoorden,

U zou verlangen naar het werk van Uw handen.

16

14:16
Job 31:4
34:21
Ps. 56:9
139:2,3,4
Spr. 5:21
Jer. 32:19
Maar nu telt U mijn voetstappen;

U bewaart mij niet vanwege mijn zonde.

17Mijn overtreding is in een buidel verzegeld,

en U houdt mijn ongerechtigheid bijeen.

18Zeker, een berg die valt, vergaat,

en een rots wordt van zijn plaats gehaald.

19Water vermaalt stenen,

het stof van de aarde overdekt het gewas, dat vanzelf opkomt;

zo doet U de hoop van de sterveling vergaan.

20U overweldigt hem voor altijd, en hij gaat heen;

U verandert zijn gezicht en stuurt hem weg.

21Zijn kinderen krijgen aanzien en hij weet het niet;

of zij worden veracht, en hij let niet op hen.

22Maar zijn vlees aan hem lijdt pijn;

en zijn ziel binnen in hem rouwt.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]