Herziene Statenvertaling (HSV)
10

101Mijn ziel walgt van mijn leven;

ik laat mijn klacht de vrije loop;

ik spreek in de bitterheid van mijn ziel.

2Ik zal tegen God zeggen: Verklaar mij niet schuldig;

laat mij weten waarover U mij ter verantwoording roept.

3Doet het U goed dat U onderdrukt,

dat U de inspanning van Uw handen verwerpt,

terwijl U over het voornemen van de goddelozen licht laat schijnen?

4Hebt U ogen van een schepsel?10:4 van een schepsel - Letterlijk: van vlees.

Ziet U zoals een sterveling ziet?

5Zijn Uw dagen als de dagen van een sterveling?

Zijn Uw jaren als de dagen van een man,

6dat U mijn ongerechtigheid zo onderzoekt,

en naar mijn zonde speurt?

7Het is U bekend10:7 Het is U bekend - Letterlijk: Het is bij Uw kennis. dat ik niet schuldig ben;

maar er is niemand die redt uit Uw hand.

8Uw handen hebben mij gevormd en gemaakt.

Zij zijn beide om mij heen, en U verslindt mij.

9Denk er toch aan dat U mij als

10:9
Gen. 2:7
3:19
leem gemaakt hebt,

en mij tot stof zult laten terugkeren.

10

10:10
Ps. 139:15,16
Hebt U mij niet als melk uitgegoten,

en hebt U mij niet als kaas laten stremmen?

11Met huid en vlees hebt U mij bekleed;

met beenderen en pezen hebt U mij samengeweven.

12U hebt mij leven en goedertierenheid geschonken,

en Uw zorg heeft mijn geest bewaard.

13Maar deze dingen hebt U verborgen in Uw hart;

ik weet dat dit bij U is.

14Als ik zondig, merkt U mij op,

en vanwege mijn ongerechtigheid houdt U mij niet voor onschuldig.

15Als ik schuldig ben, wee mij!

En als ik rechtvaardig ben, zal ik mijn hoofd niet opheffen,

ik ben verzadigd van schande; zie mijn ellende aan!

16Als mijn hoofd zich opheft, jaagt U op mij als

10:16
Jes. 38:13
Klaagl. 3:10
een felle leeuw;

U keert terug en betoont U wonderlijk tegenover mij.

17U brengt nieuwe getuigen tegen mij naar voren,

U maakt Uw toorn tegen mij groter;

telkens nieuwe legers stellen zich tegen mij op.

18

10:18
Job 3:11
Waarom hebt U mij uit de baarmoeder naar buiten laten komen?

Had ik maar de geest gegeven, en had geen oog mij maar gezien!

19Ik zou zijn alsof ik er niet geweest was;

vanuit de buik zou ik naar het graf gebracht zijn.

20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op,

laat Hij Zich van mij afkeren, zodat ik mij een beetje kan verkwikken,

21voordat ik wegga – en niet meer terugkom –

naar een land van duisternis en schaduw van de dood,

22een stikdonker land, als de duisternis zelf,

de schaduw van de dood, zonder enige orde;

het licht schijnt er als duisternis.

11

De eerste toespraak van Zofar

111Toen antwoordde Zofar, de Naämathiet, en zei:

2Moet de veelheid van woorden niet beantwoord worden,

en heeft een man die veel praat,11:2 een man die veel praat - Letterlijk: een man van lippen. daarmee ook gelijk?

3Zou je holle praat mensen tot zwijgen kunnen brengen,

en zou jij spotten zonder dat iemand je beschaamd maakt?

4Want je hebt gezegd: Mijn inzicht is zuiver,

en ik ben rein in Uw ogen.

5Maar och, sprak God Zelf maar,11:5 sprak God Zelf maar - Letterlijk: wie zal geven God te spreken.

en opende Hij Zijn lippen maar tegen je.

6Maakte Hij jou de verborgenheden van de wijsheid maar bekend,

want de wijsheid is nog dubbel zo groot!

Weet dat God terwille van jou

veel van je ongerechtigheid vergeet.

7Kun jij vinden wat God onderzoekt?

Kun jij de volmaaktheid van de Almachtige doorgronden?

8Zij is hoger dan de hemel, wat kun jij daar doen?

Zij is dieper dan de hel, wat kun jij daarvan weten?

9Haar reikwijdte is langer dan de aarde,

en breder dan de zee.

10Als Hij voorbijgaat en iemand laat opsluiten

of bij Zich roept, wie zal Hem daarvan afhouden?

11

11:11
Ps. 10:11,14
35:22
Want Híj kent de valsaards

en Hij ziet het onrecht; zou Hij er dan niet op letten?

12

11:12
Job 5:8
22:21
Pred. 3:18
Dan zou een verstandeloos mens verstandig worden,

en het veulen van een wilde ezel als mens geboren worden.

13Als jíj je hart bereid hebt,

spreid dan je handen naar Hem uit.

14Als er onrecht in je hand is, doe dat ver weg;

en laat er geen onrecht in je tenten wonen.

15Ja, dan kun je je gezicht opheffen uit alle ellende,

dan zul je vast staan en niet bevreesd zijn.

16Voorzeker, jíj zult de moeite vergeten,

je zult er net zomin aan denken als aan water dat langsgestroomd is.

17Helderder dan de middagzon zal je leven opgaan;

wat donker is, zal als

11:17
Ps. 37:6
112:4
de morgen zijn.

18Je zult vertrouwen, omdat er hoop is;

je zult rondspeuren, maar je kunt

11:18
Lev. 26:5
onbezorgd gaan liggen.

19

11:19
Lev. 26:6
Ps. 3:6
4:9
Spr. 3:24
Je zult neerliggen en niemand zal je schrik aanjagen;

velen zullen trachten je11:19 je - Letterlijk: je gezicht. gunstig te stemmen.

20Maar

11:20
Job 8:13,14
18:14
de ogen van de goddelozen zullen bezwijken,

voor hen is de mogelijkheid tot ontvluchten verloren.

Het uitblazen van de ziel is hun enige hoop.

12

Antwoord van Job aan Zofar

121Job antwoordde echter en zei:

2Werkelijk waar, jullie zijn het volk

met wie de wijsheid zal sterven!

3Ik heb ook een hart net als jullie,

ik zwicht niet voor jullie;

wie weet zulke dingen niet?

4

12:4
Job 16:10
17:2
21:3
30:1
Ik ben iemand, belachelijk voor zijn vriend,

maar roepend tot God, Die hem verhoren zal;

12:4
Spr. 14:2
de rechtvaardige en oprechte wordt belachelijk gemaakt.

5Wie verdrukt wordt, verdient verachting, is de gedachte van de zorgeloze;

hij staat op het punt met zijn voet te struikelen.

6De tenten van de verwoesters

12:6
Job 21:7
Ps. 73:11,12
Jer. 12:1
Hab. 1:3,4
hebben rust;

wie God tergen, zijn volkomen veilig

door wat God met Zijn hand toebedeelt.

7Maar vraag toch de dieren, en zij zullen je onderwijzen,

de vogels in de lucht, en zij zullen het je bekendmaken.

8Of spreek tot de aarde, en zij zal je onderwijzen,

de vissen in de zee zullen het je vertellen.

9Wie weet van al deze dingen niet,

dat de hand van de HEERE dit doet?

10In Zijn hand is de ziel van alles wat leeft,

en de geest van al het menselijk vlees.

11

12:11
Job 6:30
34:3
Beproeft het oor de woorden niet,

zoals het gehemelte voedsel proeft?

12Is bij de oudsten de wijsheid,

en bij de lengte van dagen het inzicht?

13Bij Hem is wijsheid en macht;

Hij heeft raad en inzicht.

14Zie, Hij breekt af, en het wordt niet herbouwd;

12:14
Job 9:12
11:10
Openb. 3:7
Hij sluit iemand op, en er wordt niet opengedaan.

15Zie, Hij houdt de wateren tegen, en zij vallen droog;

Hij laat ze gaan, en zij keren de aarde om.

16Bij Hem is kracht en wijsheid;

van Hem is degene die dwaalt, en degene die doet dwalen.

17

12:17
2 Sam. 15:31
17:14,23
Jes. 19:12
29:14
1 Kor. 1:19
Hij voert raadsheren berooid weg,

12:17
2 Sam. 15:31
en rechters maakt Hij waanzinnig.

18De vermaning van koningen maakt Hij ongedaan,

en Hij bindt een gordel om hun middel.

19Hij voert priesters berooid weg,

en machthebbers stort Hij in het verderf.

20

12:20
Job 32:9
Jes. 3:2,3
Hij snoert betrouwbare mensen de mond,12:20 snoert … de mond - Letterlijk: neemt … de taal weg.

en het inzicht van oude mensen neemt Hij weg.

21

12:21
Ps. 107:40
Hij giet verachting uit over edelen,

en de gordel van machtigen maakt Hij los.

22Hij openbaart het diepste van de duisternis,

en de schaduw van de dood

12:22
Matt. 10:26
1 Kor. 4:5
brengt Hij in het licht.

23

12:23
Ps. 107:38
Hij maakt volken groot, en doet ze ondergaan;

Hij spreidt volken uit, en leidt ze.

24Hij neemt het hart van de hoofden van een volk op aarde weg,

en doet hen

12:24
Ps. 107:4,40
ronddwalen in een woestenij, waar geen weg is.

25Zij tasten rond in de duisternis, waar geen licht is;

Hij doet hen ronddwalen als een dronkaard.