Herziene Statenvertaling (HSV)
3

Het gesprek met Nicodemus

31En er was een mens uit de Farizeeën; zijn naam was

3:1
Joh. 19:39
Nicodemus, een leider van de Joden.

2

3:2
Joh. 7:50
19:39
Deze kwam 's nachts naar Jezus en zei tegen Hem: Rabbi, wij weten dat U van God gekomen bent als leraar, want
3:2
Joh. 9:16,33
niemand kan deze tekenen doen die U doet,
3:2
Hand. 10:38
als God niet met hem is.

3Jezus antwoordde en zei tegen hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien.

4Nicodemus zei tegen Hem: Hoe kan een mens geboren worden als hij oud is? Hij kan toch niet voor de tweede keer in de buik van zijn moeder ingaan en geboren worden?

5Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:

3:5
Tit. 3:5
Als iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan.

6

3:6
Rom. 8:5
Wat uit het vlees geboren is, is vlees; en wat uit de Geest geboren is, is geest.

7Verwonder u niet dat Ik tegen u gezegd heb: U moet opnieuw geboren worden.

8De wind waait waarheen hij wil en u hoort zijn geluid, maar u weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat; zo is het met iedereen die uit de Geest geboren is.

9Nicodemus antwoordde en zei tegen Hem:

3:9
Joh. 6:52
Hoe kunnen deze dingen gebeuren?

10Jezus antwoordde en zei tegen hem: Bent u de leraar van Israël en weet u deze dingen niet?

11

3:11
Joh. 7:16
8:28
12:49
14:24
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wij spreken over wat Wij weten en getuigen van wat Wij gezien hebben, en toch neemt u
3:11
Vers 32
Ons getuigenis niet aan.

12Als Ik aardse dingen tegen u zei en u niet gelooft, hoe zult u geloven als Ik hemelse dingen tegen u zeg?

13En

3:13
Joh. 6:62
Efez. 4:9
niemand is opgevaren naar de hemel dan Hij Die uit de hemel neergedaald is, namelijk de Zoon des mensen, Die in de hemel is.

14

3:14
Num. 21:9
2 Kon. 18:4
En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft,
3:14
Joh. 8:28
12:32
zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden,

15opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat,

3:15
Vers 36
maar eeuwig leven heeft.

16

3:16
Rom. 5:8
8:31
1 Joh. 4:9
Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft,
3:16
Vers 36;
opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.

17

3:17
Luk. 9:56
Joh. 9:39
12:47
1 Joh. 4:14
Want God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden.

18

3:18
Joh. 5:24
6:40,47
20:31
Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet geloofd heeft in de Naam van de eniggeboren Zoon van God.

19En

3:19
Joh. 1:5
dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liefgehad, meer dan het licht, want hun werken waren slecht.

20Want ieder die kwaad doet, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet ontmaskerd worden.

21

3:21
Efez. 5:8,13
Maar wie de waarheid doet, komt tot het licht, opdat van zijn werken openbaar wordt dat ze in God gedaan zijn.

De Bruidegom en Zijn vriend

22Daarna ging Jezus met Zijn discipelen naar het Judese land en verbleef daar met hen

3:22
Joh. 4:1
en doopte.

23

3:23
Matt. 3:6
Mark. 1:5
Luk. 3:7
Maar ook Johannes doopte in Enon bij Salim, omdat daar veel water was; en de mensen kwamen daar en werden gedoopt,

24

3:24
Matt. 14:3
want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen.

25Er ontstond dan een woordenstrijd vanuit de discipelen van Johannes met de Joden over de reiniging.

26

3:26
Matt. 3:11
Mark. 1:7
Luk. 3:16
Joh. 1:15,26,34
En zij gingen naar Johannes en zeiden tegen hem: Rabbi, Hij Die bij u was aan de overkant van de Jordaan, van Wie u getuigenis gaf, zie, Hij doopt en allen komen bij Hem.

27Johannes antwoordde en zei: Een mens kan niets aannemen, als het hem niet uit de hemel gegeven is.

28U bent zelf mijn getuigen dat ik gezegd heb:

3:28
Joh. 1:20
Ik ben de Christus niet,
3:28
Mal. 3:1
Matt. 11:10
Mark. 1:2
Luk. 1:17
7:27
Joh. 1:21,23
maar ik ben voor Hem heen uitgezonden.

29Wie de bruid heeft, is de Bruidegom, maar de vriend van de Bruidegom, die erbij staat en hem hoort, verblijdt zich zeer over de stem van de Bruidegom. Deze blijdschap van mij nu is volkomen geworden.

30Hij moet meer worden, maar ik minder.

31

3:31
Joh. 8:23
Wie van boven komt, is boven allen; wie uit de aarde is, is uit de aarde en spreekt uit de aarde. Wie uit de hemel komt, is boven allen.

32

3:32
Joh. 5:30
8:26
12:49
14:10
1 Joh. 5:10
En wat Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij, en Zijn getuigenis neemt niemand aan.

33Wie Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft daarmee bezegeld

3:33
Rom. 3:4
dat God waarachtig is.

34Want Hij Die God gezonden heeft, spreekt de woorden van God, want God geeft Hem de Geest

3:34
Efez. 4:7
zonder maat.

35De Vader heeft de Zoon lief

3:35
Matt. 11:27
28:18
Luk. 10:22
Joh. 5:22
17:2
Hebr. 2:8
en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven.

36

3:36
Vers
Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven, maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.

4

De Samaritaanse vrouw

41Toen nu de Heere merkte dat de Farizeeën gehoord hadden dat Jezus

4:1
Joh. 3:26
meer discipelen maakte en doopte dan Johannes

2– hoewel Jezus Zelf niet doopte, maar Zijn discipelen –

3verliet Hij Judea en vertrok Hij weer naar Galilea.

4En Hij moest door Samaria gaan.

5Hij kwam dan bij een stad in Samaria, Sichar genoemd, dicht bij

4:5
Gen. 33:19
48:22
Joz. 24:32
het stuk grond dat Jakob zijn zoon Jozef gegeven had.

6En daar was de bron van Jakob. Jezus nu ging, vermoeid van de reis, bij de bron zitten. Het was ongeveer het zesde uur.

7Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zei tegen haar: Geef Mij te drinken.

8Want Zijn discipelen waren weggegaan naar de stad om voedsel te kopen.

9De Samaritaanse vrouw dan zei tegen Hem: Hoe vraagt U, Die een Jood bent, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben?

4:9
Luk. 9:52,53
Joh. 8:48
Want Joden hebben geen omgang met Samaritanen.

10Jezus antwoordde en zei tegen haar: Als u de gave van God kende, en wist Wie Hij is Die tegen u zegt: Geef Mij te drinken, u zou het Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water gegeven hebben.

11De vrouw zei tegen Hem: Heere, U hebt geen emmer en de put is diep; waar hebt U dan

4:11
Jer. 2:13
het levende water vandaan?

12Bent U soms meer dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven heeft en zelf daaruit gedronken heeft, evenals zijn kinderen en zijn kudden?

13Jezus antwoordde en zei tegen haar:

4:13
Joh. 6:58
Ieder die van dit water drinkt, zal weer dorst krijgen,

14

4:14
Joh. 3:16
6:27,35,54
maar wie drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst meer krijgen.
4:14
Joh. 7:38
Maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een bron worden van water dat opwelt tot in het eeuwige leven.

15De vrouw zei tegen Hem: Heere, geef mij dat water, opdat ik geen dorst meer zal hebben en niet hier hoef te komen om te putten.

16Jezus zei tegen haar: Ga heen, roep uw man en kom hier.

17De vrouw antwoordde en zei tegen Hem: Ik heb geen man. Jezus zei tegen haar: U hebt terecht gezegd: Ik heb geen man,

18want vijf mannen hebt u gehad en die u nu hebt, is uw man niet; dat hebt u naar waarheid gezegd.

19De vrouw zei tegen Hem: Heere,

4:19
Luk. 7:16
24:19
Joh. 6:14
ik zie dat U een profeet bent.

20Onze vaderen hebben op deze berg aanbeden, en bij u zegt men dat

4:20
Deut. 12:5,11
1 Kon. 9:3
2 Kron. 7:12
in Jeruzalem de plaats is waar men moet aanbidden.

21Jezus zei tegen haar: Vrouw, geloof Mij, de tijd komt dat u niet op deze berg, en ook niet in Jeruzalem de Vader zult aanbidden.

22

4:22
2 Kon. 17:29
U aanbidt wat u niet weet; wij aanbidden wat wij weten,
4:22
Gen. 12:3
18:18
22:18
26:4
Hebr. 7:14
want de zaligheid is uit de Joden.

23Maar de tijd komt en is er nu, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid, want de Vader zoekt wie Hem zo aanbidden.

24

4:24
2 Kor. 3:17
God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.

25De vrouw zei tegen Hem: Ik weet dat de Messias komt (Die Christus genoemd wordt); wanneer Die gekomen zal zijn, zal Hij ons alles verkondigen.

26Jezus zei tegen haar:

4:26
Joh. 9:37
Ik ben het, Die met u spreekt.

27En op dat moment kwamen Zijn discipelen en zij verwonderden zich dat Hij met een vrouw sprak. Toch zei niemand: Wat zoekt U? of: Wat spreekt U met haar?

28De vrouw nu liet haar waterkruik staan en ging weg naar de stad en zei tegen de mensen:

29Kom, zie Iemand Die mij alles gezegd heeft wat ik gedaan heb; zou Híj niet de Christus zijn?

30Zij dan gingen de stad uit en kwamen naar Hem toe.

De oogst en de arbeiders

31En intussen vroegen de discipelen Hem: Rabbi, eet toch iets.

32Maar Hij zei tegen hen: Ik heb voedsel te eten waarvan u geen weet hebt.

33De discipelen dan zeiden tegen elkaar: Iemand heeft Hem toch niet te eten gebracht?

34Jezus zei tegen hen: Mijn voedsel is dat Ik de wil doe van Hem Die Mij gezonden heeft en Zijn werk volbreng.

35Zegt u niet: Nog vier maanden, en dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u: Sla uw ogen op en kijk naar de velden,

4:35
Matt. 9:37
Luk. 10:2
want zij zijn al wit om te oogsten.

36En wie oogst, ontvangt loon en verzamelt vrucht voor het eeuwige leven, opdat zich samen verblijden zowel wie zaait als wie oogst.

37Want hierin is de spreuk waar: De één zaait, de ander oogst.

38Ik heb u uitgezonden om te oogsten waarvoor u zich niet hebt ingespannen; anderen hebben zich ingespannen en u hebt de vrucht van hun inspanning binnengehaald.

Het geloof van de Samaritanen

39En velen van de Samaritanen uit die stad geloofden in Hem om het woord van de vrouw, die getuigde: Hij heeft alles tegen mij gezegd wat ik gedaan heb.

40Toen dan de Samaritanen bij Hem gekomen waren, vroegen zij Hem bij hen te blijven, en Hij bleef daar twee dagen.

41En er kwamen er nog veel meer tot geloof, vanwege Zijn woord,

42en zij zeiden tegen de vrouw: Wij geloven niet meer om wat u zegt,

4:42
Joh. 17:8
want wijzelf hebben Hem gehoord en weten dat Híj werkelijk de Zaligmaker van de wereld is, de Christus.

De zoon van de hoveling

43En na die twee dagen vertrok Hij vandaar en ging naar Galilea,

44want Jezus heeft Zelf getuigd

4:44
Matt. 13:57
Mark. 6:4
Luk. 4:24
dat een profeet in zijn eigen vaderstad geen eer ontvangt.

45Toen Hij dan in Galilea kwam, ontvingen de Galileeërs Hem, omdat zij alles gezien hadden wat Hij in Jeruzalem gedaan had op het feest; want ook zijzelf waren naar het feest gegaan.

46Jezus dan kwam opnieuw

4:46
Joh. 2:1,11
te Kana in Galilea, waar Hij van water wijn gemaakt had. En er was een zekere koninklijke hoveling, wiens zoon ziek lag in Kapernaüm.

47Toen deze hoorde dat Jezus uit Judea in Galilea was gekomen, ging hij naar Hem toe en vroeg Hem te komen en zijn zoon gezond te maken, want hij lag op sterven.

48Jezus dan zei tegen hem:

4:48
1 Kor. 1:22
Als u geen tekenen en wonderen ziet, zult u beslist niet geloven.

49De koninklijke hoveling zei tegen Hem: Heere, kom voordat mijn kind sterft.

50Jezus zei tegen hem: Ga heen, uw zoon leeft. En de man geloofde het woord dat Jezus tegen hem zei, en ging heen.

51En reeds terwijl hij afdaalde, kwamen zijn dienaren hem tegemoet en berichtten hem: Uw kind leeft!

52Hij informeerde dan bij hen naar het uur waarop de beterschap was ingetreden. En zij zeiden tegen hem: Gisteren op het zevende uur is de koorts van hem geweken.

53De vader dan zag in dat het op dat uur was waarop Jezus tegen hem gezegd had: Uw zoon leeft. En hij geloofde, hijzelf en zijn hele huis.

54Dit deed Jezus als nieuw teken, het tweede, toen Hij uit Judea in Galilea gekomen was.

5

De verlamde in Bethesda

51Hierna was er een

5:1
Lev. 23:2
Deut. 16:1
feest van de Joden en Jezus ging naar Jeruzalem.

2En er is in Jeruzalem bij de Schaapspoort een badwater, dat in het Hebreeuws Bethesda wordt genoemd, met vijf zuilengangen.

3Daarin lag een grote menigte van zieken, blinden, kreupelen en verlamden, die wachtten op de beroering van het water.

4Want een engel daalde van tijd tot tijd neer in het badwater en bracht het water in beweging; wie dan het eerst daarin kwam, na de beweging van het water, werd gezond, aan welke ziekte hij ook leed.

5En daar was een man die al achtendertig jaar ziek was.

6Jezus zag hem liggen en omdat Hij wist dat hij al lange tijd ziek was, zei Hij tegen hem: Wilt u gezond worden?

7De zieke antwoordde Hem: Heere, ik heb geen mens om mij in het badwater te werpen wanneer het water in beroering gebracht wordt; en terwijl ik kom, daalt een ander vóór mij af.

8Jezus zei tegen hem:

5:8
Matt. 9:6
Mark. 2:11
Luk. 5:24
Sta op, neem uw ligmat op en ga lopen.

9En meteen werd de man gezond, nam zijn ligmat op en ging lopen.

5:9
Joh. 9:14
En het was sabbat op die dag.

10De Joden dan zeiden tegen hem die genezen was:

5:10
Ex. 20:10
Deut. 5:13
Jer. 17:21
Matt. 12:2
Mark. 2:24
Luk. 6:2
Het is sabbat, het is u niet geoorloofd de ligmat te dragen.

11Hij antwoordde hun: Hij Die mij gezond gemaakt heeft, Die heeft tegen mij gezegd: Neem uw ligmat op en ga lopen.

12Zij vroegen hem dan: Wie is de Mens Die u gezegd heeft: Neem uw ligmat op en ga lopen?

13En hij die genezen was, wist niet Wie het was, want Jezus had Zich ongemerkt verwijderd omdat er een menigte was op die plaats.

14Daarna vond Jezus hem in de tempel en zei tegen hem: Zie, u bent gezond geworden,

5:14
Matt. 12:45
Joh. 8:11
zondig niet meer opdat u niet iets ergers overkomt.

15De man ging weg en berichtte de Joden dat het Jezus was Die hem gezond gemaakt had.

16En daarom vervolgden de Joden Jezus en probeerden zij Hem te doden, omdat Hij deze dingen op de sabbat deed.

17Maar Jezus antwoordde hun:

5:17
Joh. 14:10
Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook.

18

5:18
Joh. 7:19
Daarom dan probeerden de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen het gebod van de sabbat brak, maar ook zei dat God Zijn eigen Vader was, en daarmee Zichzelf aan God gelijkmaakte.

De Zoon en de Vader

19Jezus dan antwoordde en zei tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:

5:19
Vers 30;
De Zoon kan niets van Zichzelf doen, als Hij dat niet de Vader ziet doen,
5:19
Jes. 54:5
Joh. 10:30
14:9
17:5
want al wat Deze doet, dat doet ook de Zoon op dezelfde wijze.

20Want de Vader heeft de Zoon lief en

5:20
Joh. 1:2
3:35
7:16
8:28
14:24
laat Hem alles zien wat Hij doet, en Hij zal Hem grotere werken laten zien dan deze, opdat u zich verwondert.

21Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil.

22Want ook de Vader oordeelt niemand,

5:22
Matt. 11:27
Joh. 3:35
maar heeft heel het oordeel aan de Zoon gegeven,

23opdat allen de Zoon eren zoals zij de Vader eren.

5:23
Joh. 2:23
Wie de Zoon niet eert, eert de Vader niet, Die Hem gezonden heeft.

24

5:24
Joh. 3:18
6:40,47
8:51
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie Mijn woord hoort en Hem gelooft Die Mij gezonden heeft, die heeft eeuwig leven en
5:24
Luk. 23:43
komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven.

25Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: De tijd komt en is nu

5:25
Efez. 2:1,5
1 Tim. 5:6
dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen, en dat wie hem horen, zullen leven.

26Want zoals de Vader het leven heeft in Zichzelf, zo heeft Hij ook de Zoon gegeven het leven te hebben in Zichzelf;

27en Hij heeft Hem ook macht gegeven om oordeel te vellen, omdat Hij de Zoon des mensen is.

28Verwonder u daar niet over, want de tijd komt

5:28
1 Thess. 4:16
waarin allen die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen,

29

5:29
Dan. 12:2
Matt. 25:34,46
en zij zullen eruitgaan: zij die het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, maar zij die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding ter verdoemenis.

30Ik kan van Mijzelf niets doen. Zoals Ik hoor, oordeel Ik en Mijn oordeel is rechtvaardig,

5:30
Joh. 6:38
want Ik zoek niet Mijn wil, maar de wil van de Vader, Die Mij gezonden heeft.

31

5:31
Joh. 8:14
Als Ik van Mijzelf getuig, is Mijn getuigenis niet waar.

32Er

5:32
Jes. 42:1
Matt. 3:17
17:5
is een Ander Die van Mij getuigt, en Ik weet dat het getuigenis dat Hij van Mij getuigt waar is.

33

5:33
Joh. 1:15,19,27
U hebt mensen naar Johannes gestuurd, en hij heeft van de waarheid getuigd.

34Ik grijp echter niet naar het getuigenis van een mens, maar dit zeg Ik opdat u behouden wordt.

35Hij was de brandende en lichtgevende lamp, en u hebt u voor een korte tijd in zijn licht willen verheugen.

36

5:36
1 Joh. 5:9
Maar Ik heb een getuigenis dat groter is dan dat van Johannes,
5:36
Joh. 10:25
want de werken die de Vader Mij gegeven heeft om die te volbrengen, juist die werken die Ik doe, getuigen van Mij dat de Vader Mij gezonden heeft.

37

5:37
Matt. 3:17
17:5
Mark. 1:11
9:7
Luk. 3:22
9:35
Joh. 1:33
6:27
8:18
2 Petr. 1:17
En de Vader, Die Mij gezonden heeft, Die heeft Zelf van Mij getuigd. U hebt Zijn stem nooit gehoord,
5:37
Ex. 33:20
Deut. 4:12
1 Tim. 6:16
1 Joh. 4:12
en ook Zijn gedaante niet gezien.

38En Zijn woord hebt u niet blijvend in u, omdat u Hem niet gelooft Die Hij gezonden heeft.

39

5:39
Jes. 34:16
Luk. 16:29
Hand. 17:11
U onderzoekt de Schriften, want u denkt daardoor eeuwig leven te hebben, en
5:39
Deut. 18:18
Luk. 24:27
Joh. 1:46
die zijn het die van Mij getuigen.

40En toch wilt u niet tot Mij komen opdat u leven hebt.

41Eer van mensen neem Ik niet aan,

42maar Ik ken u: u bezit zelf de liefde van God niet.

43Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader, maar u neemt Mij niet aan. Als een ander komt, in zijn eigen naam, die zult u aannemen.

44

5:44
Joh. 12:43
Hoe kunt u geloven, u die eer van elkaar aanneemt en de eer van de enige God niet zoekt?

45Denk niet dat Ik u zal aanklagen bij de Vader; die u aanklaagt, is Mozes, op wie u uw hoop gevestigd hebt.

46Want als u Mozes geloofde, zou u Mij geloven;

5:46
Gen. 3:15
22:18
26:4
28:14
Deut. 18:18
want hij heeft over Mij geschreven.

47Maar als u zijn Schriften niet gelooft, hoe zult u Mijn woorden geloven?

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]