Herziene Statenvertaling (HSV)
19

Zie de Mens, zie, uw Koning

191Toen

19:1
Matt. 27:26
Mark. 15:15
nam Pilatus dan Jezus en geselde Hem.

2En de soldaten vlochten een kroon van dorens en zetten die op Zijn hoofd, en zij deden Hem een purperen bovenkleed om,

3en zeiden: Gegroet, Koning van de Joden! En zij gaven Hem slagen in het gezicht.

4Pilatus dan kwam weer naar buiten en zei tegen hen: Zie, ik breng Hem tot u naar buiten, opdat u weet dat ik geen schuld in Hem vind.

5Jezus dan kwam naar buiten met de doornenkroon op en het purperen bovenkleed aan. En Pilatus zei tegen hen: Zie, de Mens!

6Toen dan de overpriesters en de dienaars Hem zagen, schreeuwden zij: Kruisig Hem, Kruisig Hem! Pilatus zei tegen hen: Neemt u Hem en kruisig Hem, want ik vind in Hem geen schuld.

7De Joden antwoordden hem:

19:7
Lev. 24:16
Wij hebben een wet en volgens onze wet moet Hij sterven,
19:7
Joh. 5:18
10:33
want Hij heeft Zichzelf Gods Zoon gemaakt.

8Toen Pilatus dan deze woorden hoorde, werd hij nog meer bevreesd,

9en hij ging opnieuw het gerechtsgebouw in en zei tegen Jezus: Waar komt U vandaan? Maar Jezus gaf hem geen antwoord.

10Pilatus dan zei tegen Hem: Spreekt U niet tot mij? Weet U niet dat ik macht heb U te kruisigen, en macht heb U los te laten?

11Jezus antwoordde: U zou geen enkele macht tegen Mij hebben, als het u niet van boven gegeven was; daarom heeft hij die Mij aan u overgeleverd heeft, een grotere zonde dan u.

12Van toen af probeerde Pilatus Hem los te laten, maar de Joden schreeuwden: Als u Deze loslaat, bent u niet de vriend van de keizer;

19:12
Hand. 17:7
iedereen die zichzelf koning maakt, verzet zich tegen de keizer.

13Toen Pilatus dan deze woorden gehoord had, bracht hij Jezus naar buiten en ging op de rechterstoel zitten, op de plaats die Lithostrotos genoemd wordt, en in het Hebreeuws Gabbatha.

14En het was de voorbereiding van het Pascha, ongeveer het zesde uur; en hij zei tegen de Joden: Zie, uw Koning!

15Maar zij schreeuwden: Weg met Hem, weg met Hem, kruisig Hem! Pilatus zei tegen hen: Moet ik uw Koning kruisigen? De overpriesters antwoordden:

19:15
Gen. 49:10
Wij hebben geen koning dan de keizer. 16
19:16
Matt. 27:26
Mark. 15:22
Luk. 23:24,25
Toen leverde hij Hem dan aan hen over om gekruisigd te worden. En zij namen Jezus mee en leidden Hem weg.

De kruisiging

17

19:17
Matt. 27:31,33
Mark. 15:22
Luk. 23:26,33
En terwijl Hij Zijn kruis droeg, ging Hij de stad uit naar de plaats die Schedelplaats genoemd wordt en in het Hebreeuws Golgotha.

18Daar kruisigden zij Hem en met Hem twee anderen, aan elke kant één, en Jezus in het midden.

19

19:19
Matt. 27:37
Mark. 15:26
Luk. 23:38
En Pilatus schreef ook een opschrift en zette dat op het kruis; en er was geschreven: JEZUS DE NAZARENER, DE KONING VAN DE JODEN.

20Dit opschrift dan lazen velen van de Joden, want de plaats waar Jezus gekruisigd werd, was dicht bij de stad; en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Grieks en in het Latijn.

21De overpriesters van de Joden dan zeiden tegen Pilatus: Schrijf niet: De Koning van de Joden, maar dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning van de Joden.

22Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven.

23

19:23
Matt. 27:35
Mark. 15:24
Luk. 23:34
Nadat de soldaten dan Jezus gekruisigd hadden, namen zij Zijn kleren en maakten vier delen, voor elke soldaat een deel, en zij namen ook het onderkleed. Het onderkleed nu was zonder naad, van bovenaf als één geheel geweven.

24Zij dan zeiden tegen elkaar: Laten wij dat niet scheuren, maar laten wij erom loten voor wie het zal zijn. Opdat het Schriftwoord vervuld zou worden dat zegt:

19:24
Ps. 22:19
Zij hebben Mijn kleren onder elkaar verdeeld en over Mijn kleed hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de soldaten gedaan.

25

19:25
Matt. 27:55
Mark. 15:40
Luk. 23:49
En bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder, de zuster van Zijn moeder, en Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena.

26Toen nu Jezus Zijn moeder zag en de discipel die Hij liefhad, bij haar zag staan, zei Hij tegen Zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon.

27Daarna zei Hij tegen de discipel: Zie, uw moeder. En vanaf dat moment nam de discipel haar in zijn huis.

28Hierna zei Jezus, omdat Hij wist dat nu alles volbracht was,

19:28
Ps. 69:22
opdat het Schriftwoord vervuld zou worden: Ik heb dorst!

29

19:29
Matt. 27:48
Er stond dan een kruik vol zure wijn en ze vulden een spons met zure wijn, omwikkelden die met hysop en brachten die aan Zijn mond.

30Toen Jezus dan de zure wijn genomen had, zei Hij:

19:30
Joh. 17:4
Het is volbracht! En Hij boog het hoofd en gaf de geest.

Geen been gebroken

31Opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op de sabbat, omdat het de voorbereiding was (want de dag van die sabbat was een grote dag), vroegen de Joden dan aan Pilatus of hun benen gebroken en zij weggenomen mochten worden.

32De soldaten dan kwamen en braken wel de benen van de eerste en van de ander die met Hem gekruisigd was,

33maar toen zij bij Jezus kwamen en zagen dat Hij al gestorven was, braken zij Zijn benen niet.

34Maar een van de soldaten stak met een speer in Zijn zij en meteen

19:34
1 Joh. 5:6
kwam er bloed en water uit.

35En die het gezien heeft, die getuigt ervan, en zijn getuigenis is waar, en hij weet dat hij de waarheid spreekt, opdat ook u gelooft.

36Want deze dingen zijn geschied,

19:36
Ex. 12:46
Num. 9:12
Ps. 34:21
opdat het Schriftwoord vervuld wordt: Geen been van Hem zal gebroken worden.

37En verder zegt een ander Schriftwoord:

19:37
Zach. 12:10
Zij zullen zien op Hem Die zij doorstoken hebben.

De begrafenis van Jezus

38

19:38
Matt. 27:57
Mark. 15:42
Luk. 23:50
En daarna vroeg Jozef van Arimathea, die een discipel van Jezus was (maar in het geheim,
19:38
Joh. 12:42
uit vrees voor de Joden) aan Pilatus het lichaam van Jezus te mogen wegnemen; en Pilatus stond het toe. Hij dan ging en nam het lichaam van Jezus weg.

39En

19:39
Joh. 3:1
7:50
Nicodemus (die eerst 's nachts naar Jezus toe gekomen was) kwam ook en bracht een mengsel van mirre en aloë mee, ongeveer honderd pond.

40Zij namen dan het lichaam van Jezus en wikkelden het in linnen doeken, met de specerijen, zoals het de gewoonte van de Joden is bij het begraven.

41En er was bij de plaats waar Hij gekruisigd was, een hof en in de hof een nieuw graf, waarin nog nooit iemand gelegd was.

42Daar nu legden zij Jezus vanwege de voorbereiding van de Joden, omdat het graf dichtbij was.

20

De opstanding

201En

20:1
Matt. 28:1
Mark. 16:1
Luk. 24:1
op de eerste dag van de week ging Maria Magdalena vroeg, toen het nog donker was, naar het graf, en zij zag dat de steen van het graf weggenomen was.

2Daarom snelde zij terug en ging naar Simon Petrus en naar de andere discipel,

20:2
Joh. 13:23
21:7,20
die Jezus liefhad,20:2 die Jezus liefhad - Hier is de liefde van Jezus tot Johannes bedoeld. en zei tegen hen: Ze hebben de Heere uit het graf weggenomen, en wij weten niet waar zij Hem neergelegd hebben.

3

20:3
Luk. 24:12
Petrus dan ging naar buiten, en de andere discipel, en zij kwamen bij het graf.

4En die twee liepen samen, maar de andere discipel snelde vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf.

5En toen hij vooroverboog, zag hij

20:5
Joh. 19:40
de doeken liggen, maar toch ging hij er niet in.

6Simon Petrus dan kwam en volgde hem, en ging het graf wel binnen en zag de doeken liggen.

7En

20:7
Joh. 11:44
de zweetdoek, die op Zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de doeken liggen maar afzonderlijk, opgerold, op een andere plaats.

8Toen ging ook de andere discipel, die het eerst bij het graf gekomen was, naar binnen, en hij zag het en geloofde.

9Want zij kenden de

20:9
Ps. 16:10
Hand. 2:25,31
13:35
Schrift nog niet dat Hij uit de doden moest opstaan.

10De discipelen dan gingen weer naar huis.

De verschijning aan Maria Magdalena

11

20:11
Matt. 28:1
Mark. 16:5
Luk. 24:4
Maar Maria stond huilend buiten bij het graf en terwijl zij huilde, boog zij voorover in het graf,

12en zij zag twee engelen in witte kleding zitten, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde van de plaats waar het lichaam van Jezus gelegen had;

13en die zeiden tegen haar: Vrouw, waarom huilt u? Zij zei tegen hen: Omdat ze mijn Heere weggenomen hebben, en ik weet niet waar ze Hem neergelegd hebben.

14

20:14
Matt. 28:9
Mark. 16:9
En toen zij dit gezegd had, keerde zij zich naar achteren en zag Jezus staan, maar zij wist niet dat het Jezus was.

15Jezus zei tegen haar: Vrouw, waarom huilt u? Wie zoekt u? Zij dacht dat het de tuinman was, en zei tegen Hem: Mijnheer, als u Hem weggedragen hebt, zeg mij dan waar u Hem neergelegd hebt en ik zal Hem weghalen.

16Jezus zei tegen haar: Maria! Zij keerde zich om en zei tegen Hem: Rabboeni; dat betekent: Meester.

17Jezus zei tegen haar: Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar Mijn Vader, maar ga

20:17
Ps. 22:23
Matt. 28:10
Hebr. 2:11
naar Mijn broeders en zeg tegen hen:
20:17
Joh. 16:28
Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader, en naar Mijn God en uw God.

18

20:18
Matt. 28:8
Mark. 16:10
Luk. 24:9
Maria Magdalena ging en berichtte de discipelen dat zij de Heere gezien had en dat Hij dit tegen haar gezegd had.

De verschijning aan de tien discipelen

19

20:19
Mark. 16:14
Luk. 24:36
1 Kor. 15:5
Toen het nu avond was op die eerste dag van de week en de deuren van de plaats waar de discipelen bijeenwaren, uit vrees voor de Joden gesloten waren, kwam Jezus en Hij stond in hun midden en zei tegen hen: Vrede zij u!

20En nadat Hij dit gezegd had, liet Hij hun Zijn handen en Zijn zij zien.

20:20
Joh. 16:22
De discipelen dan verblijdden zich toen zij de Heere zagen.

21Jezus dan zei opnieuw tegen hen: Vrede zij u!

20:21
Jes. 61:1
Matt. 28:19
Mark. 16:15
Luk. 4:18
Joh. 17:18
Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u.

22En nadat Hij dit gezegd had, blies Hij op hen en zei tegen hen: Ontvang de Heilige Geest.

23

20:23
Matt. 16:19
18:18
Als u iemands zonden vergeeft, worden ze hem vergeven; als u ze hem toerekent, blijven ze hem toegerekend.20:23 als u ze hem toerekent, blijven ze hem toegerekend - Letterlijk: als u iemands (zonden) houdt, (die) zijn (ze) gehouden.

Jezus en Thomas

24En Thomas, een van de twaalf, Didymus genoemd, was niet bij hen toen Jezus daar kwam.

25De andere discipelen dan zeiden tegen hem: Wij hebben de Heere gezien. Maar hij zei tegen hen: Als ik in Zijn handen niet het litteken van de spijkers zie, en mijn vinger niet steek in het litteken van de spijkers, en mijn hand niet steek in Zijn zij, zal ik beslist niet geloven.

26En na acht dagen waren Zijn discipelen weer binnen en Thomas was bij hen. Jezus kwam terwijl de deuren gesloten waren, en Hij stond in hun midden en zei: Vrede zij u.

27Daarna zei Hij tegen Thomas: Kom hier met uw vinger en bekijk Mijn handen,

20:27
1 Joh. 1:1
en kom hier met uw hand en steek die in Mijn zij; en wees niet ongelovig, maar gelovig.

28En Thomas antwoordde en zei tegen Hem: Mijn Heere en mijn God!

29Jezus zei tegen hem: Omdat u Mij gezien hebt, Thomas, hebt u geloofd;

20:29
1 Petr. 1:8
zalig zijn zij die niet gezien zullen hebben en toch zullen geloven.

30Jezus nu heeft in aanwezigheid van Zijn discipelen nog wel

20:30
Joh. 21:25
veel andere tekenen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek,

31maar deze zijn beschreven, opdat u gelooft dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat u, door te geloven, het leven zult hebben in Zijn Naam.

21

De verschijning aan de zee van Tiberias

211Hierna openbaarde Jezus Zich opnieuw aan de discipelen, aan de zee van Tiberias. En Hij openbaarde Zich als volgt:

2Er waren bijeen Simon Petrus en Thomas, ook Didymus genoemd,

21:2
Joh. 1:46
en Nathanaël, die uit Kana in Galilea afkomstig was,
21:2
Matt. 4:21
Mark. 1:19
en de zonen van Zebedeüs, en twee anderen van Zijn discipelen.

3Simon Petrus zei tegen hen: Ik ga vissen. Zij zeiden tegen hem: Wij gaan met u mee. Zij gingen naar buiten, en gingen meteen aan boord van het schip; en in die nacht vingen zij niets.

4En toen het al ochtend geworden was, stond Jezus aan de oever, maar de discipelen wisten niet dat het Jezus was.

5Jezus dan zei tegen hen: Kinderen, hebt u niet iets voor bij het eten? Zij antwoordden Hem: Nee.

6En Hij zei tegen hen:

21:6
Luk. 5:4,6,7
Werp het net uit aan de rechterkant van het schip en u zult vinden. Dus wierpen zij het uit en zij konden het niet meer trekken vanwege de grote hoeveelheid vissen.

7De discipel dan

21:7
Joh. 13:23
20:2
die Jezus liefhad,21:7 die Jezus liefhad - Hier is de liefde van Jezus tot Johannes bedoeld; zie ook vers 20. zei tegen Petrus: Het is de Heere! Toen Simon Petrus dan hoorde dat het de Heere was, sloeg hij het bovenkleed om, want hij was ongekleed, en wierp zich in de zee.

8En de andere discipelen kwamen met het scheepje, want zij waren niet ver, slechts ongeveer tweehonderd el, van het land verwijderd, en sleepten het net met de vissen.

9Toen zij nu aan land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur met vis daarop liggen, en brood.

10

21:10
Luk. 24:41
Jezus zei tegen hen: Breng wat van de vissen die u nu gevangen hebt.

11Simon Petrus ging ernaartoe en trok het net op het land, vol grote vissen, honderddrieënvijftig, en hoewel het er zoveel waren, scheurde het net niet.

12Jezus zei tegen hen: Kom, gebruik de maaltijd. En niemand van de discipelen durfde Hem te vragen: Wie bent U? want zij wisten dat het de Heere was.

13Jezus dan kwam en nam het brood en gaf het hun, en de vis eveneens.

14Dit nu was de derde keer dat Jezus Zich aan Zijn discipelen openbaarde, nadat Hij uit de doden opgewekt was.

Jezus en Petrus

15Toen zij dan de maaltijd gebruikt hadden, zei Jezus tegen Simon Petrus: Simon, zoon van Jona, hebt u Mij meer lief dan dezen? Hij zei tegen Hem: Ja, Heere, U weet dat ik van U houd. Hij zei tegen hem: Weid Mijn lammeren.

16Hij zei opnieuw tegen hem, voor de tweede keer: Simon, zoon van Jona, hebt u Mij lief? Hij zei tegen Hem: Ja, Heere, U weet dat ik van U houd. Hij zei tegen hem: Hoed Mijn schapen.

17Hij zei voor de derde keer tegen hem: Simon, zoon van Jona, houdt u van Mij? Petrus werd bedroefd, omdat Hij voor de derde keer tegen hem zei: Houdt u van Mij? En hij zei tegen Hem:

21:17
Joh. 16:30
Heere, U weet alle dingen, U weet dat ik van U houd. Jezus zei tegen hem: Weid Mijn schapen.

18

21:18
Joh. 13:36
Hand. 12:3
2 Petr. 1:14
Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u: Toen u jonger was, omgordde u uzelf en liep u waar u wilde; maar als u oud geworden bent, zult u uw handen uitstrekken, en een ander zal u omgorden en u brengen waar u niet heen wilt.

19

21:19
2 Petr. 1:14
En dit zei Hij om aan te duiden met wat voor dood hij God verheerlijken zou. En nadat Hij dit gezegd had, zei Hij tegen hem: Volg Mij!

De discipel die van deze dingen getuigt

20En Petrus zag, toen hij zich omkeerde,

21:20
Vers
de discipel volgen die Jezus liefhad, die ook tijdens het avondmaal tegen Zijn borst was gaan liggen en gezegd had: Heere, wie is het die U verraden zal?

21Toen Petrus deze zag, zei hij tegen Jezus: Heere, maar wat zal er met hem gebeuren?

22Jezus zei tegen hem: Als Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het u aan? Volgt u Mij!

23Dit gerucht nu, dat deze discipel niet zou sterven, verspreidde zich onder de broeders. Maar Jezus had niet tegen hem gezegd dat hij niet zou sterven, maar: Als Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het u aan?

24Dit is de discipel die van deze dingen getuigt en deze dingen beschreven heeft; en wij weten dat zijn getuigenis

21:24
Joh. 19:35
waar is.

25

21:25
Joh. 20:30
En er zijn nog veel andere dingen die Jezus gedaan heeft. Als die ieder afzonderlijk beschreven zouden worden, dan zou, denk ik, de wereld zelf de geschreven boeken niet kunnen bevatten. Amen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]