Herziene Statenvertaling (HSV)
18

De gevangenneming van Jezus

181Nadat Hij

18:1
2 Sam. 15:23
Matt. 26:36
Mark. 14:32
Luk. 22:39
dit gezegd had, vertrok Jezus met Zijn discipelen naar de overkant van de beek Kedron, waar een hof was, die Hij met Zijn discipelen inging.

2En Judas, die Hem verraadde, kende die plaats ook, omdat Jezus daar vaak met Zijn discipelen samengekomen was.

3

18:3
Matt. 26:47
Mark. 14:43
Luk. 22:47
Judas dan, die de afdeling soldaten en enkele dienaars van de overpriesters en Farizeeën meegenomen had, kwam daar met lantaarns, fakkels en wapens.

4Jezus dan, Die alles wist wat er over Hem komen zou, trad naar voren en zei tegen hen: Wie zoekt u?

5Zij antwoordden Hem: Jezus de Nazarener. Jezus zei tegen hen: Ik ben het. En Judas, die Hem verraadde, stond ook bij hen.

6Toen Hij dan tegen hen zei: Ik ben het, deinsden zij terug en vielen op de grond.

7Hij vroeg hun dan opnieuw: Wie zoekt u? En zij zeiden: Jezus de Nazarener.

8Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd dat Ik het ben. Als u dan Mij zoekt, laat dezen weggaan.

9Dit zei Hij opdat het woord vervuld zou worden dat Hij gesproken had:

18:9
Joh. 6:39
10:28
17:12
Uit hen die U Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren laten gaan.

10

18:10
Matt. 26:51
Mark. 14:47
Luk. 22:50
Simon Petrus dan, die een zwaard had, trok dat, trof de dienaar van de hogepriester en sloeg zijn rechteroor af. En de naam van de dienaar was Malchus.

11Jezus dan zei tegen Petrus: Steek uw zwaard in de schede. De

18:11
Matt. 20:22
26:39
drinkbeker die de Vader Mij gegeven heeft, zal Ik die niet drinken?

Jezus voor het Sanhedrin

12De afdeling soldaten dan en de overste over duizend en de dienaars van de Joden namen Jezus gevangen en boeiden Hem.

13

18:13
Matt. 26:57
Mark. 14:53
Luk. 22:54
En zij leidden Hem weg, eerst naar
18:13
Luk. 3:2
Annas, want hij was de schoonvader van Kajafas, die de hogepriester van dat jaar was.

14

18:14
Joh. 11:50
Kajafas nu was het die de Joden de raad gegeven had dat het nuttig zou zijn dat één Mens voor het volk zou sterven.

De verloochening door Petrus

15

18:15
Matt. 26:58
Mark. 14:54
Luk. 22:54
En Simon Petrus volgde Jezus, evenals een andere discipel. Die discipel nu was een bekende van de hogepriester, en hij ging met Jezus het paleis van de hogepriester binnen.

16Petrus echter stond buiten bij de deur. De andere discipel dan, die een bekende van de hogepriester was, ging naar buiten, sprak met de portierster en bracht Petrus binnen.

17Het dienstmeisje dan, de portierster, zei tegen Petrus: Bent ook u niet een van de discipelen van deze Mens? Hij zei: Dat ben ik niet.

18En de slaven en de dienaars hadden een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en stonden zich te warmen.

18:18
Matt. 26:69
Mark. 14:67
Luk. 22:55
Petrus stond zich bij hen te warmen.

19De hogepriester dan ondervroeg Jezus over Zijn discipelen en over Zijn onderricht.

20Jezus antwoordde hem:

18:20
Joh. 7:26
Ik heb openlijk gesproken tot de wereld; Ik heb altijd onderwezen in de synagoge en in de tempel, waar de Joden altijd samenkomen, en Ik heb niets in het verborgen gesproken.

21Waarom ondervraagt u Mij? Ondervraag hen die gehoord hebben wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten wat Ik gezegd heb.

22En toen Hij dit zei,

18:22
Jer. 20:2
Hand. 23:2
gaf een van de dienaars die daarbij stond, Jezus een slag in het gezicht en zei: Antwoordt U zo de hogepriester?

23Jezus antwoordde hem: Als Ik verkeerd gesproken heb, bewijs dan wat er verkeerd is; maar als het terecht was, waarom slaat u Mij dan?

24

18:24
Matt. 26:57
Mark. 14:53
Luk. 22:54
Annas nu had Hem gebonden naar Kajafas, de hogepriester, gezonden.

25

18:25
Matt. 26:71
Mark. 14:69
Luk. 22:58
En Simon Petrus stond zich te warmen. Zij zeiden dan tegen hem: Bent ook u niet een van Zijn discipelen? Hij ontkende het en zei: Dat ben ik niet.

26Een van de dienaren van de hogepriester, die familie was van hem bij wie Petrus het oor afgeslagen had, zei: Heb ik u niet met Hem in de hof gezien?

27Petrus dan ontkende het opnieuw.

18:27
Joh. 13:38
En meteen kraaide de haan.

De veroordeling door Pilatus

28

18:28
Matt. 27:1
Mark. 15:1
Luk. 22:66
23:1
Ze brachten dan Jezus van Kajafas naar het gerechtsgebouw, en het was 's morgens vroeg. En zij gingen het gerechtsgebouw niet in,
18:28
Hand. 10:28
11:3
opdat zij niet bezoedeld zouden worden, maar het Pascha konden eten.

29Pilatus dan ging naar buiten, naar hen toe en zei: Welke aanklacht brengt u tegen deze Mens in?

30Zij antwoordden en zeiden tegen hem: Als Deze geen misdadiger was, zouden wij Hem niet aan u overgeleverd hebben.

31Pilatus dan zei tegen hen: Neemt u Hem en oordeel Hem volgens uw wet. De Joden dan zeiden tegen hem: Het is ons niet geoorloofd iemand te doden.

32Dat gebeurde

18:32
Matt. 20:19
Joh. 12:32
opdat het woord vervuld zou worden dat Jezus gesproken had, toen Hij aanduidde wat voor dood Hij zou sterven.

33

18:33
Matt. 27:11
Mark. 15:2
Luk. 23:3
Pilatus dan ging het gerechtsgebouw weer in, riep Jezus en zei tegen Hem: Bent U de Koning van de Joden?

34Jezus antwoordde hem: Zegt u dit uit uzelf of hebben anderen het u over Mij gezegd?

35Pilatus antwoordde: Ben ik soms een Jood? Uw eigen volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt U gedaan?

36Jezus antwoordde:

18:36
Joh. 6:15
1 Tim. 6:13
Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Als Mijn Koninkrijk van deze wereld was, zouden Mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden overgeleverd zou worden, maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier.

37Pilatus dan zei tegen Hem: U bent dus toch een koning? Jezus antwoordde: U zegt dat Ik een Koning ben. Hiervoor ben Ik geboren en hiervoor ben Ik in de wereld gekomen: om voor de waarheid te getuigen. Iedereen die uit de waarheid is, geeft aan Mijn stem gehoor.

38Pilatus zei tegen Hem: Wat is waarheid? En nadat hij dat gezegd had, ging hij opnieuw naar buiten naar de Joden, en zei tegen hen:

18:38
Matt. 27:24
Luk. 23:4
Ik vind geen schuld in Hem.

39Maar u hebt

18:39
Matt. 27:15
Mark. 15:6
Luk. 23:17
de gewoonte dat ik op het Pascha iemand voor u loslaat. Wilt u dan dat ik de Koning van de Joden voor u loslaat?

40Zij dan schreeuwden allemaal opnieuw:

18:40
Hand. 3:14
Niet Deze, maar Barabbas!
18:40
Matt. 27:16
Mark. 15:7
Luk. 23:19
En Barabbas was een misdadiger.

19

Zie de Mens, zie, uw Koning

191Toen

19:1
Matt. 27:26
Mark. 15:15
nam Pilatus dan Jezus en geselde Hem.

2En de soldaten vlochten een kroon van dorens en zetten die op Zijn hoofd, en zij deden Hem een purperen bovenkleed om,

3en zeiden: Gegroet, Koning van de Joden! En zij gaven Hem slagen in het gezicht.

4Pilatus dan kwam weer naar buiten en zei tegen hen: Zie, ik breng Hem tot u naar buiten, opdat u weet dat ik geen schuld in Hem vind.

5Jezus dan kwam naar buiten met de doornenkroon op en het purperen bovenkleed aan. En Pilatus zei tegen hen: Zie, de Mens!

6Toen dan de overpriesters en de dienaars Hem zagen, schreeuwden zij: Kruisig Hem, Kruisig Hem! Pilatus zei tegen hen: Neemt u Hem en kruisig Hem, want ik vind in Hem geen schuld.

7De Joden antwoordden hem:

19:7
Lev. 24:16
Wij hebben een wet en volgens onze wet moet Hij sterven,
19:7
Joh. 5:18
10:33
want Hij heeft Zichzelf Gods Zoon gemaakt.

8Toen Pilatus dan deze woorden hoorde, werd hij nog meer bevreesd,

9en hij ging opnieuw het gerechtsgebouw in en zei tegen Jezus: Waar komt U vandaan? Maar Jezus gaf hem geen antwoord.

10Pilatus dan zei tegen Hem: Spreekt U niet tot mij? Weet U niet dat ik macht heb U te kruisigen, en macht heb U los te laten?

11Jezus antwoordde: U zou geen enkele macht tegen Mij hebben, als het u niet van boven gegeven was; daarom heeft hij die Mij aan u overgeleverd heeft, een grotere zonde dan u.

12Van toen af probeerde Pilatus Hem los te laten, maar de Joden schreeuwden: Als u Deze loslaat, bent u niet de vriend van de keizer;

19:12
Hand. 17:7
iedereen die zichzelf koning maakt, verzet zich tegen de keizer.

13Toen Pilatus dan deze woorden gehoord had, bracht hij Jezus naar buiten en ging op de rechterstoel zitten, op de plaats die Lithostrotos genoemd wordt, en in het Hebreeuws Gabbatha.

14En het was de voorbereiding van het Pascha, ongeveer het zesde uur; en hij zei tegen de Joden: Zie, uw Koning!

15Maar zij schreeuwden: Weg met Hem, weg met Hem, kruisig Hem! Pilatus zei tegen hen: Moet ik uw Koning kruisigen? De overpriesters antwoordden:

19:15
Gen. 49:10
Wij hebben geen koning dan de keizer. 16
19:16
Matt. 27:26
Mark. 15:22
Luk. 23:24,25
Toen leverde hij Hem dan aan hen over om gekruisigd te worden. En zij namen Jezus mee en leidden Hem weg.

De kruisiging

17

19:17
Matt. 27:31,33
Mark. 15:22
Luk. 23:26,33
En terwijl Hij Zijn kruis droeg, ging Hij de stad uit naar de plaats die Schedelplaats genoemd wordt en in het Hebreeuws Golgotha.

18Daar kruisigden zij Hem en met Hem twee anderen, aan elke kant één, en Jezus in het midden.

19

19:19
Matt. 27:37
Mark. 15:26
Luk. 23:38
En Pilatus schreef ook een opschrift en zette dat op het kruis; en er was geschreven: JEZUS DE NAZARENER, DE KONING VAN DE JODEN.

20Dit opschrift dan lazen velen van de Joden, want de plaats waar Jezus gekruisigd werd, was dicht bij de stad; en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Grieks en in het Latijn.

21De overpriesters van de Joden dan zeiden tegen Pilatus: Schrijf niet: De Koning van de Joden, maar dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning van de Joden.

22Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven.

23

19:23
Matt. 27:35
Mark. 15:24
Luk. 23:34
Nadat de soldaten dan Jezus gekruisigd hadden, namen zij Zijn kleren en maakten vier delen, voor elke soldaat een deel, en zij namen ook het onderkleed. Het onderkleed nu was zonder naad, van bovenaf als één geheel geweven.

24Zij dan zeiden tegen elkaar: Laten wij dat niet scheuren, maar laten wij erom loten voor wie het zal zijn. Opdat het Schriftwoord vervuld zou worden dat zegt:

19:24
Ps. 22:19
Zij hebben Mijn kleren onder elkaar verdeeld en over Mijn kleed hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de soldaten gedaan.

25

19:25
Matt. 27:55
Mark. 15:40
Luk. 23:49
En bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder, de zuster van Zijn moeder, en Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena.

26Toen nu Jezus Zijn moeder zag en de discipel die Hij liefhad, bij haar zag staan, zei Hij tegen Zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon.

27Daarna zei Hij tegen de discipel: Zie, uw moeder. En vanaf dat moment nam de discipel haar in zijn huis.

28Hierna zei Jezus, omdat Hij wist dat nu alles volbracht was,

19:28
Ps. 69:22
opdat het Schriftwoord vervuld zou worden: Ik heb dorst!

29

19:29
Matt. 27:48
Er stond dan een kruik vol zure wijn en ze vulden een spons met zure wijn, omwikkelden die met hysop en brachten die aan Zijn mond.

30Toen Jezus dan de zure wijn genomen had, zei Hij:

19:30
Joh. 17:4
Het is volbracht! En Hij boog het hoofd en gaf de geest.

Geen been gebroken

31Opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op de sabbat, omdat het de voorbereiding was (want de dag van die sabbat was een grote dag), vroegen de Joden dan aan Pilatus of hun benen gebroken en zij weggenomen mochten worden.

32De soldaten dan kwamen en braken wel de benen van de eerste en van de ander die met Hem gekruisigd was,

33maar toen zij bij Jezus kwamen en zagen dat Hij al gestorven was, braken zij Zijn benen niet.

34Maar een van de soldaten stak met een speer in Zijn zij en meteen

19:34
1 Joh. 5:6
kwam er bloed en water uit.

35En die het gezien heeft, die getuigt ervan, en zijn getuigenis is waar, en hij weet dat hij de waarheid spreekt, opdat ook u gelooft.

36Want deze dingen zijn geschied,

19:36
Ex. 12:46
Num. 9:12
Ps. 34:21
opdat het Schriftwoord vervuld wordt: Geen been van Hem zal gebroken worden.

37En verder zegt een ander Schriftwoord:

19:37
Zach. 12:10
Zij zullen zien op Hem Die zij doorstoken hebben.

De begrafenis van Jezus

38

19:38
Matt. 27:57
Mark. 15:42
Luk. 23:50
En daarna vroeg Jozef van Arimathea, die een discipel van Jezus was (maar in het geheim,
19:38
Joh. 12:42
uit vrees voor de Joden) aan Pilatus het lichaam van Jezus te mogen wegnemen; en Pilatus stond het toe. Hij dan ging en nam het lichaam van Jezus weg.

39En

19:39
Joh. 3:1
7:50
Nicodemus (die eerst 's nachts naar Jezus toe gekomen was) kwam ook en bracht een mengsel van mirre en aloë mee, ongeveer honderd pond.

40Zij namen dan het lichaam van Jezus en wikkelden het in linnen doeken, met de specerijen, zoals het de gewoonte van de Joden is bij het begraven.

41En er was bij de plaats waar Hij gekruisigd was, een hof en in de hof een nieuw graf, waarin nog nooit iemand gelegd was.

42Daar nu legden zij Jezus vanwege de voorbereiding van de Joden, omdat het graf dichtbij was.

20

De opstanding

201En

20:1
Matt. 28:1
Mark. 16:1
Luk. 24:1
op de eerste dag van de week ging Maria Magdalena vroeg, toen het nog donker was, naar het graf, en zij zag dat de steen van het graf weggenomen was.

2Daarom snelde zij terug en ging naar Simon Petrus en naar de andere discipel,

20:2
Joh. 13:23
21:7,20
die Jezus liefhad,20:2 die Jezus liefhad - Hier is de liefde van Jezus tot Johannes bedoeld. en zei tegen hen: Ze hebben de Heere uit het graf weggenomen, en wij weten niet waar zij Hem neergelegd hebben.

3

20:3
Luk. 24:12
Petrus dan ging naar buiten, en de andere discipel, en zij kwamen bij het graf.

4En die twee liepen samen, maar de andere discipel snelde vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf.

5En toen hij vooroverboog, zag hij

20:5
Joh. 19:40
de doeken liggen, maar toch ging hij er niet in.

6Simon Petrus dan kwam en volgde hem, en ging het graf wel binnen en zag de doeken liggen.

7En

20:7
Joh. 11:44
de zweetdoek, die op Zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de doeken liggen maar afzonderlijk, opgerold, op een andere plaats.

8Toen ging ook de andere discipel, die het eerst bij het graf gekomen was, naar binnen, en hij zag het en geloofde.

9Want zij kenden de

20:9
Ps. 16:10
Hand. 2:25,31
13:35
Schrift nog niet dat Hij uit de doden moest opstaan.

10De discipelen dan gingen weer naar huis.

De verschijning aan Maria Magdalena

11

20:11
Matt. 28:1
Mark. 16:5
Luk. 24:4
Maar Maria stond huilend buiten bij het graf en terwijl zij huilde, boog zij voorover in het graf,

12en zij zag twee engelen in witte kleding zitten, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde van de plaats waar het lichaam van Jezus gelegen had;

13en die zeiden tegen haar: Vrouw, waarom huilt u? Zij zei tegen hen: Omdat ze mijn Heere weggenomen hebben, en ik weet niet waar ze Hem neergelegd hebben.

14

20:14
Matt. 28:9
Mark. 16:9
En toen zij dit gezegd had, keerde zij zich naar achteren en zag Jezus staan, maar zij wist niet dat het Jezus was.

15Jezus zei tegen haar: Vrouw, waarom huilt u? Wie zoekt u? Zij dacht dat het de tuinman was, en zei tegen Hem: Mijnheer, als u Hem weggedragen hebt, zeg mij dan waar u Hem neergelegd hebt en ik zal Hem weghalen.

16Jezus zei tegen haar: Maria! Zij keerde zich om en zei tegen Hem: Rabboeni; dat betekent: Meester.

17Jezus zei tegen haar: Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar Mijn Vader, maar ga

20:17
Ps. 22:23
Matt. 28:10
Hebr. 2:11
naar Mijn broeders en zeg tegen hen:
20:17
Joh. 16:28
Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader, en naar Mijn God en uw God.

18

20:18
Matt. 28:8
Mark. 16:10
Luk. 24:9
Maria Magdalena ging en berichtte de discipelen dat zij de Heere gezien had en dat Hij dit tegen haar gezegd had.

De verschijning aan de tien discipelen

19

20:19
Mark. 16:14
Luk. 24:36
1 Kor. 15:5
Toen het nu avond was op die eerste dag van de week en de deuren van de plaats waar de discipelen bijeenwaren, uit vrees voor de Joden gesloten waren, kwam Jezus en Hij stond in hun midden en zei tegen hen: Vrede zij u!

20En nadat Hij dit gezegd had, liet Hij hun Zijn handen en Zijn zij zien.

20:20
Joh. 16:22
De discipelen dan verblijdden zich toen zij de Heere zagen.

21Jezus dan zei opnieuw tegen hen: Vrede zij u!

20:21
Jes. 61:1
Matt. 28:19
Mark. 16:15
Luk. 4:18
Joh. 17:18
Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u.

22En nadat Hij dit gezegd had, blies Hij op hen en zei tegen hen: Ontvang de Heilige Geest.

23

20:23
Matt. 16:19
18:18
Als u iemands zonden vergeeft, worden ze hem vergeven; als u ze hem toerekent, blijven ze hem toegerekend.20:23 als u ze hem toerekent, blijven ze hem toegerekend - Letterlijk: als u iemands (zonden) houdt, (die) zijn (ze) gehouden.

Jezus en Thomas

24En Thomas, een van de twaalf, Didymus genoemd, was niet bij hen toen Jezus daar kwam.

25De andere discipelen dan zeiden tegen hem: Wij hebben de Heere gezien. Maar hij zei tegen hen: Als ik in Zijn handen niet het litteken van de spijkers zie, en mijn vinger niet steek in het litteken van de spijkers, en mijn hand niet steek in Zijn zij, zal ik beslist niet geloven.

26En na acht dagen waren Zijn discipelen weer binnen en Thomas was bij hen. Jezus kwam terwijl de deuren gesloten waren, en Hij stond in hun midden en zei: Vrede zij u.

27Daarna zei Hij tegen Thomas: Kom hier met uw vinger en bekijk Mijn handen,

20:27
1 Joh. 1:1
en kom hier met uw hand en steek die in Mijn zij; en wees niet ongelovig, maar gelovig.

28En Thomas antwoordde en zei tegen Hem: Mijn Heere en mijn God!

29Jezus zei tegen hem: Omdat u Mij gezien hebt, Thomas, hebt u geloofd;

20:29
1 Petr. 1:8
zalig zijn zij die niet gezien zullen hebben en toch zullen geloven.

30Jezus nu heeft in aanwezigheid van Zijn discipelen nog wel

20:30
Joh. 21:25
veel andere tekenen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek,

31maar deze zijn beschreven, opdat u gelooft dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat u, door te geloven, het leven zult hebben in Zijn Naam.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]