Herziene Statenvertaling (HSV)
16

161Dit heb Ik tot u gesproken, opdat u niet struikelt.

2

16:2
Joh. 9:22,34
12:42
Ze zullen u uit de synagoge werpen; ja, de tijd komt dat ieder die u doodt, denkt God een dienst te bewijzen.

3

16:3
Joh. 15:21
1 Kor. 2:8
En deze dingen zullen zij u doen, omdat zij de Vader niet gekend hebben en Mij ook niet.

4

16:4
Joh. 13:19
14:29
Maar deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat, wanneer de tijd komt, u zich herinnert dat Ik ze u gezegd heb; maar deze dingen heb Ik u van het begin af niet gezegd, omdat Ik bij u was.

De Heilige Geest en Zijn werk

5En nu ga Ik heen naar Hem Die Mij gezonden heeft, en niemand van u vraagt Mij: Waar gaat U heen?

6Maar omdat Ik deze dingen tot u gesproken heb, heeft de droefheid uw hart vervuld.

7Maar Ik zeg u de waarheid: Het is nuttig voor u dat Ik wegga, want als Ik niet wegga, zal de Trooster niet naar u toe komen;

16:7
Luk. 24:49
Joh. 14:26
15:26
maar als Ik heenga, zal Ik Hem naar u toe zenden.

8En als Die gekomen is, zal Hij de wereld overtuigen van zonde, van gerechtigheid en van oordeel:

9van zonde, omdat zij niet in Mij geloven;

10van gerechtigheid, omdat Ik heenga naar Mijn Vader en u Mij niet meer zult zien;

11en van oordeel,

16:11
Joh. 12:31
14:30
Efez. 2:2
Kol. 2:15
omdat de vorst van deze wereld veroordeeld is.

12Nog veel heb Ik tegen u te zeggen, maar u kunt het nu niet dragen.

13Maar wanneer Die komt, de Geest van de waarheid,

16:13
Joh. 14:26
zal Hij u de weg wijzen in heel de waarheid,
16:13
Joh. 12:49
want Hij zal niet vanuit Zichzelf spreken, maar wat Hij gehoord zal hebben, zal Hij spreken, en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen.

14Die zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigen.

15

16:15
Joh. 17:10
Alles wat de Vader heeft, is het Mijne; daarom heb Ik gezegd dat Hij het uit het Mijne zal nemen en het u zal verkondigen.

Blijdschap na droefheid

16

16:16
Joh. 7:33
Een korte tijd en u ziet Mij niet, en weer een korte tijd en u zult Mij zien, want Ik ga heen naar de Vader.

17Sommigen dan van Zijn discipelen zeiden tegen elkaar: Wat betekent dit dat Hij tegen ons zegt: Een korte tijd en u ziet Mij niet, en weer een korte tijd en u zult Mij zien; en: Want Ik ga heen naar de Vader?

18Zij zeiden dan: Wat bedoelt Hij met een korte tijd? Wij weten niet waarover Hij het heeft.

19Jezus dan wist dat zij Hem dit wilden vragen en zei tegen hen: Vraagt u zich onder elkaar af wat het betekent dat Ik gezegd heb: Een korte tijd en u ziet Mij niet, en weer een korte tijd en u zult Mij zien?

20Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u dat u zult huilen en weeklagen, maar de wereld zal zich verblijden; en u zult bedroefd zijn, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden.

21

16:21
Jes. 26:17
Wanneer een vrouw baart, heeft zij droefheid, omdat haar tijd gekomen is, maar wanneer zij het kind gebaard heeft, denkt zij niet meer aan de benauwdheid, vanwege de blijdschap dat een mens ter wereld gekomen is.

22Ook u hebt dan nu wel droefheid, maar Ik zal u weerzien,

16:22
Joh. 20:20
en uw hart zal zich verblijden, en niemand zal uw blijdschap van u wegnemen.

23En op die dag zult u Mij niets vragen.

16:23
Jer. 29:12
Matt. 7:7
21:22
Mark. 11:24
Luk. 11:9
Joh. 14:13
15:7
Jak. 1:5
1 Joh. 3:22
5:14
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, zal Hij u geven.

24Tot nu toe hebt u niets gebeden in Mijn Naam; bid, en u zult ontvangen, opdat uw blijdschap volkomen zal worden.

25Deze dingen heb Ik in beeldspraak tot u gesproken, maar de tijd komt dat Ik niet meer in beeldspraak tot u spreken zal, maar u openlijk de dingen over de Vader zal verkondigen.

26Op die dag zult u in Mijn Naam bidden, en Ik zeg u niet dat Ik de Vader voor u vragen zal,

27want de Vader Zelf heeft u lief, omdat u Mij hebt liefgehad

16:27
Joh. 17:8
en hebt geloofd dat Ik van God ben uitgegaan.

28

16:28
Joh. 13:3
Ik ben van de Vader uitgegaan en ben in de wereld gekomen; Ik verlaat de wereld weer en ga heen naar de Vader.

Jezus als Overwinnaar van de wereld

29Zijn discipelen zeiden tegen Hem: Zie, nu spreekt U openlijk en gebruikt U geen beeldspraak.

30Nu weten wij

16:30
Joh. 21:17
dat U alles weet en dat het voor U niet nodig is dat iemand U vragen stelt. Hierom geloven wij dat U van God uitgegaan bent.

31Jezus antwoordde hun: Gelooft u nu?

32

16:32
Zach. 13:7
Matt. 26:31
Mark. 14:27
Zie, de tijd komt en is nu gekomen, dat u uiteengedreven zult worden, ieder naar het zijne, en u Mij alleen zult laten;
16:32
Joh. 8:29
14:10
en toch ben Ik niet alleen, omdat de Vader bij Mij is.

33Deze dingen heb Ik tot u gesproken,

16:33
Jes. 9:5
Joh. 14:27
Rom. 5:1
Efez. 2:13
Kol. 1:20
opdat u in Mij vrede zult hebben. In de wereld zult u verdrukking hebben, maar heb goede moed: Ik heb de wereld overwonnen.

17

Het hogepriesterlijk gebed

171Dit sprak Jezus, en Hij sloeg Zijn ogen op naar de hemel en zei: Vader,

17:1
Joh. 12:23
13:32
het uur is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijkt,

2

17:2
Ps. 8:7
Matt. 11:27
28:18
Luk. 10:22
Joh. 3:35
5:27
1 Kor. 15:25
Filipp. 2:10
Hebr. 2:8
zoals U Hem macht gegeven hebt over alle vlees, opdat Hij eeuwig leven geeft aan allen die U Hem gegeven hebt.

3En

17:3
Jes. 53:11
Jer. 9:23
dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die U gezonden hebt.

4

17:4
Joh. 13:32
14:13
Ik heb U verheerlijkt op de aarde.
17:4
Joh. 4:34
19:30
Ik heb het werk volbracht dat U Mij gegeven hebt om te doen.

5En nu verheerlijk Mij, U Vader, bij Uzelf, met de heerlijkheid

17:5
Joh. 1:1,2
10:30
14:9
die Ik bij U bezat voordat de wereld er was.

6Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen die U Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren van U en U hebt hen Mij gegeven, en zij hebben Uw woord in acht genomen.

7Nu hebben zij erkend dat alles wat U Mij gegeven hebt, bij U vandaan komt.

8Want de woorden die U Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, en zij hebben ze aangenomen,

17:8
Joh. 16:27
en zij hebben daadwerkelijk erkend dat Ik van U uitgegaan ben, en hebben geloofd dat U Mij gezonden hebt.

9Ik bid voor hen. Ik bid niet voor de wereld, maar voor hen die U Mij gegeven hebt, want zij zijn van U.

10En

17:10
Joh. 16:15
al wat van Mij is, is van U, en wat van U is, is van Mij; en Ik ben in hen verheerlijkt.

11En Ik ben niet meer in de wereld, maar dezen zijn in de wereld, en Ik kom naar U toe. Heilige Vader, bewaar hen die U Mij gegeven hebt in Uw Naam, opdat zij één zullen zijn zoals Wij.

12

17:12
Joh. 6:39
10:28
18:9
Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik hen in Uw Naam.
17:12
Jes. 8:18
Hebr. 2:13
Hen die U Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard en niemand uit hen is verloren gegaan dan de zoon van het verderf, opdat
17:12
Ps. 109:8
de Schrift vervuld wordt.

13Maar nu kom Ik naar U toe en spreek dit in de wereld, opdat zij ten volle Mijn blijdschap in zichzelf hebben.

14Ik heb hun Uw woord gegeven,

17:14
Joh. 15:19
en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet van de wereld zijn, zoals Ik niet van de wereld ben.

15Ik bid niet dat U hen uit de wereld wegneemt, maar dat U hen bewaart voor de boze.

16Zij zijn niet van de wereld, zoals Ik niet van de wereld ben.

17Heilig hen door Uw waarheid;

17:17
Joh. 8:40
Uw woord is de waarheid.

18

17:18
Joh. 20:21
Zoals U Mij in de wereld gezonden hebt, heb ook Ik hen in de wereld gezonden.

19

17:19
1 Kor. 1:2,30
1 Thess. 4:7
En Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd zijn in de waarheid.

20En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen die door hun woord in Mij zullen geloven,

21opdat zij allen

17:21
Joh. 10:38
14:11
Gal. 3:28
één zullen zijn, zoals U, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zullen zijn, opdat de wereld zal geloven dat U Mij gezonden hebt.

22En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven die U Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, zoals Wij Eén zijn;

23Ik in hen, en U in Mij, opdat zij volmaakt één zijn en opdat de wereld erkent dat U Mij gezonden hebt en hen liefgehad hebt, zoals U Mij hebt liefgehad.

24

17:24
Joh. 12:26
14:3
Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn die U Mij gegeven hebt, opdat zij Mijn heerlijkheid zien, die U Mij gegeven hebt, omdat U Mij hebt liefgehad vóór de grondlegging van de wereld.

25Rechtvaardige Vader,

17:25
Joh. 15:21
16:3
de wereld heeft U niet gekend, maar Ik heb U gekend,
17:25
Vers
en dezen hebben erkend dat U Mij gezonden hebt.

26En Ik heb hun Uw Naam bekendgemaakt, en zal die bekendmaken, opdat de liefde waarmee U Mij hebt liefgehad, in hen is, en Ik in hen.

18

De gevangenneming van Jezus

181Nadat Hij

18:1
2 Sam. 15:23
Matt. 26:36
Mark. 14:32
Luk. 22:39
dit gezegd had, vertrok Jezus met Zijn discipelen naar de overkant van de beek Kedron, waar een hof was, die Hij met Zijn discipelen inging.

2En Judas, die Hem verraadde, kende die plaats ook, omdat Jezus daar vaak met Zijn discipelen samengekomen was.

3

18:3
Matt. 26:47
Mark. 14:43
Luk. 22:47
Judas dan, die de afdeling soldaten en enkele dienaars van de overpriesters en Farizeeën meegenomen had, kwam daar met lantaarns, fakkels en wapens.

4Jezus dan, Die alles wist wat er over Hem komen zou, trad naar voren en zei tegen hen: Wie zoekt u?

5Zij antwoordden Hem: Jezus de Nazarener. Jezus zei tegen hen: Ik ben het. En Judas, die Hem verraadde, stond ook bij hen.

6Toen Hij dan tegen hen zei: Ik ben het, deinsden zij terug en vielen op de grond.

7Hij vroeg hun dan opnieuw: Wie zoekt u? En zij zeiden: Jezus de Nazarener.

8Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd dat Ik het ben. Als u dan Mij zoekt, laat dezen weggaan.

9Dit zei Hij opdat het woord vervuld zou worden dat Hij gesproken had:

18:9
Joh. 6:39
10:28
17:12
Uit hen die U Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren laten gaan.

10

18:10
Matt. 26:51
Mark. 14:47
Luk. 22:50
Simon Petrus dan, die een zwaard had, trok dat, trof de dienaar van de hogepriester en sloeg zijn rechteroor af. En de naam van de dienaar was Malchus.

11Jezus dan zei tegen Petrus: Steek uw zwaard in de schede. De

18:11
Matt. 20:22
26:39
drinkbeker die de Vader Mij gegeven heeft, zal Ik die niet drinken?

Jezus voor het Sanhedrin

12De afdeling soldaten dan en de overste over duizend en de dienaars van de Joden namen Jezus gevangen en boeiden Hem.

13

18:13
Matt. 26:57
Mark. 14:53
Luk. 22:54
En zij leidden Hem weg, eerst naar
18:13
Luk. 3:2
Annas, want hij was de schoonvader van Kajafas, die de hogepriester van dat jaar was.

14

18:14
Joh. 11:50
Kajafas nu was het die de Joden de raad gegeven had dat het nuttig zou zijn dat één Mens voor het volk zou sterven.

De verloochening door Petrus

15

18:15
Matt. 26:58
Mark. 14:54
Luk. 22:54
En Simon Petrus volgde Jezus, evenals een andere discipel. Die discipel nu was een bekende van de hogepriester, en hij ging met Jezus het paleis van de hogepriester binnen.

16Petrus echter stond buiten bij de deur. De andere discipel dan, die een bekende van de hogepriester was, ging naar buiten, sprak met de portierster en bracht Petrus binnen.

17Het dienstmeisje dan, de portierster, zei tegen Petrus: Bent ook u niet een van de discipelen van deze Mens? Hij zei: Dat ben ik niet.

18En de slaven en de dienaars hadden een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en stonden zich te warmen.

18:18
Matt. 26:69
Mark. 14:67
Luk. 22:55
Petrus stond zich bij hen te warmen.

19De hogepriester dan ondervroeg Jezus over Zijn discipelen en over Zijn onderricht.

20Jezus antwoordde hem:

18:20
Joh. 7:26
Ik heb openlijk gesproken tot de wereld; Ik heb altijd onderwezen in de synagoge en in de tempel, waar de Joden altijd samenkomen, en Ik heb niets in het verborgen gesproken.

21Waarom ondervraagt u Mij? Ondervraag hen die gehoord hebben wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten wat Ik gezegd heb.

22En toen Hij dit zei,

18:22
Jer. 20:2
Hand. 23:2
gaf een van de dienaars die daarbij stond, Jezus een slag in het gezicht en zei: Antwoordt U zo de hogepriester?

23Jezus antwoordde hem: Als Ik verkeerd gesproken heb, bewijs dan wat er verkeerd is; maar als het terecht was, waarom slaat u Mij dan?

24

18:24
Matt. 26:57
Mark. 14:53
Luk. 22:54
Annas nu had Hem gebonden naar Kajafas, de hogepriester, gezonden.

25

18:25
Matt. 26:71
Mark. 14:69
Luk. 22:58
En Simon Petrus stond zich te warmen. Zij zeiden dan tegen hem: Bent ook u niet een van Zijn discipelen? Hij ontkende het en zei: Dat ben ik niet.

26Een van de dienaren van de hogepriester, die familie was van hem bij wie Petrus het oor afgeslagen had, zei: Heb ik u niet met Hem in de hof gezien?

27Petrus dan ontkende het opnieuw.

18:27
Joh. 13:38
En meteen kraaide de haan.

De veroordeling door Pilatus

28

18:28
Matt. 27:1
Mark. 15:1
Luk. 22:66
23:1
Ze brachten dan Jezus van Kajafas naar het gerechtsgebouw, en het was 's morgens vroeg. En zij gingen het gerechtsgebouw niet in,
18:28
Hand. 10:28
11:3
opdat zij niet bezoedeld zouden worden, maar het Pascha konden eten.

29Pilatus dan ging naar buiten, naar hen toe en zei: Welke aanklacht brengt u tegen deze Mens in?

30Zij antwoordden en zeiden tegen hem: Als Deze geen misdadiger was, zouden wij Hem niet aan u overgeleverd hebben.

31Pilatus dan zei tegen hen: Neemt u Hem en oordeel Hem volgens uw wet. De Joden dan zeiden tegen hem: Het is ons niet geoorloofd iemand te doden.

32Dat gebeurde

18:32
Matt. 20:19
Joh. 12:32
opdat het woord vervuld zou worden dat Jezus gesproken had, toen Hij aanduidde wat voor dood Hij zou sterven.

33

18:33
Matt. 27:11
Mark. 15:2
Luk. 23:3
Pilatus dan ging het gerechtsgebouw weer in, riep Jezus en zei tegen Hem: Bent U de Koning van de Joden?

34Jezus antwoordde hem: Zegt u dit uit uzelf of hebben anderen het u over Mij gezegd?

35Pilatus antwoordde: Ben ik soms een Jood? Uw eigen volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt U gedaan?

36Jezus antwoordde:

18:36
Joh. 6:15
1 Tim. 6:13
Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Als Mijn Koninkrijk van deze wereld was, zouden Mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden overgeleverd zou worden, maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier.

37Pilatus dan zei tegen Hem: U bent dus toch een koning? Jezus antwoordde: U zegt dat Ik een Koning ben. Hiervoor ben Ik geboren en hiervoor ben Ik in de wereld gekomen: om voor de waarheid te getuigen. Iedereen die uit de waarheid is, geeft aan Mijn stem gehoor.

38Pilatus zei tegen Hem: Wat is waarheid? En nadat hij dat gezegd had, ging hij opnieuw naar buiten naar de Joden, en zei tegen hen:

18:38
Matt. 27:24
Luk. 23:4
Ik vind geen schuld in Hem.

39Maar u hebt

18:39
Matt. 27:15
Mark. 15:6
Luk. 23:17
de gewoonte dat ik op het Pascha iemand voor u loslaat. Wilt u dan dat ik de Koning van de Joden voor u loslaat?

40Zij dan schreeuwden allemaal opnieuw:

18:40
Hand. 3:14
Niet Deze, maar Barabbas!
18:40
Matt. 27:16
Mark. 15:7
Luk. 23:19
En Barabbas was een misdadiger.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]