Herziene Statenvertaling (HSV)
8

81In die tijd, spreekt de HEERE, zullen zij de beenderen van de koningen van Juda, de beenderen van hun vorsten, de beenderen van de priesters, de beenderen van de profeten en de beenderen van de inwoners van Jeruzalem uit hun graven halen,

2en ze uitspreiden voor de zon, voor de maan en voor heel het leger aan de hemel, die zij hebben liefgehad, die zij hebben

8:2
Jer. 7:18
19:13
gediend, die zij achterna zijn gegaan, die zij hebben geraadpleegd en waarvoor zij zich hebben neergebogen. Die zullen niet verzameld en niet begraven worden: als mest op de aardbodem zullen zij zijn.

3Dan zal de dood verkozen worden boven het leven door heel het overblijfsel van hen die overgebleven zijn uit dit boosaardige geslacht, op alle plaatsen waar zij overgebleven zijn, waarheen Ik hen verdreven zal hebben, spreekt de HEERE van de legermachten.

De verharding van het volk

4Zeg verder tegen hen: Zo zegt de HEERE:

Zal men vallen en niet weer opstaan?

Of zal men zich afkeren en niet terugkeren?

5Waarom heeft dan dit volk, Jeruzalem, zich afgekeerd met een altijddurende afkeer?

Zij houden vast aan bedrog, zij weigeren terug te keren.

6Ik heb er acht op geslagen en geluisterd:

zij spreken wat juist niet behoorlijk is.

Er is niemand die berouw heeft over zijn slechtheid

door te zeggen: Wat heb ik gedaan?

Eenieder keert zich af en draaft maar door,

als een paard dat zich in de strijd stort.

7Zelfs een ooievaar in de lucht

kent zijn vaste tijden,

tortelduif, zwaluw en kraanvogel

nemen de tijd van hun aankomst in acht,

maar Mijn volk

8:7
Jer. 5:4,5
kent niet

het recht van de HEERE.

8Hoe kunt u dan zeggen: Wij zijn wijs,

en de wet van de HEERE is bij ons!

Voorwaar, zie, de leugenpen van de schriftgeleerden

heeft die wet tot leugen gemaakt.

9De wijzen zullen beschaamd staan,

ontsteld zijn en gevangen worden.

Zie, zij hebben het woord van de HEERE verworpen,

wat voor wijsheid zouden zij dan hebben?

10Daarom zal Ik hun

8:10
Jer. 6:12
vrouwen aan anderen geven,

hun akkers aan bezetters.

Want

8:10
Jer. 6:13,14,15
van klein tot groot

is ieder van hen

8:10
Jes. 56:11
uit op winst.

Van profeet tot priester,

pleegt ieder van hen bedrog.

11Zij genezen de breuk van de dochter van Mijn volk

op het lichtst door te zeggen: Vrede, vrede!

Maar er is geen vrede!

12Staan zij beschaamd, omdat zij een gruweldaad gedaan hebben?

Ze schamen zich zelfs niet in het minst,

ja, zij weten van geen blozen.

Daarom zullen zij vallen onder hen die vallen,

ten tijde van de vergelding aan hen, zullen zij struikelen,

zegt de HEERE.

13Ik ga hen volkomen wegvagen, spreekt de HEERE.

Er zijn geen druiven aan de

8:13
Jes. 5:1
wijnstok,

geen vijgen aan de

8:13
Matt. 21:19
Luk. 13:6
vijgenboom,

en de bladeren zijn verwelkt.

Wat Ik hun gaf, daaraan gaan zij voorbij.

14Waarom blijven wij zitten?

8:14
Jer. 4:5
Verzamel u,

laten wij naar de versterkte steden gaan

en daar zwijgen,

want de HEERE, onze God, heeft ons doen zwijgen.

Hij heeft ons

8:14
Jer. 9:15
23:15
galwater te drinken gegeven,

omdat wij tegen de HEERE gezondigd hebben.

15

8:15
Jer. 14:19
Wij zien uit naar vrede, maar er is niets goeds,

naar een tijd van genezing, maar zie, er is verschrikking.

16

8:16
Jer. 4:15
Vanuit Dan wordt

het gesnuif van zijn paarden gehoord,

heel het land beeft

van het geluid van het gehinnik van zijn hengsten.

Zij komen en verslinden het land en al wat het bevat,

de stad en wie erin wonen.

17Voorzeker, zie, Ik ga

slangen, gifslangen op u af sturen,

waartegen geen

8:17
Ps. 58:5,6
bezwering is,

en die zullen u bijten,

spreekt de HEERE.

Klacht van Jeremia

18Als ik mij wil verkwikken, overvalt mij verdriet,

mijn hart is afgemat in mij.

19Let op, het geluid van het hulpgeroep van de dochter van mijn volk,

uit een zeer ver land:

Is de HEERE dan niet in Sion,

of is haar Koning niet bij haar?

Waarom hebben zij Mij tot toorn verwekt met hun beelden,

met nietige afgoden uit den vreemde?

20De oogst is voorbij, de zomer is ten einde,

en nog zijn wij niet verlost.

21Om de breuk van de dochter van mijn volk ben ik gebroken,

ik ga in het zwart gehuld, verschrikking heeft mij aangegrepen.

22Is er geen

8:22
Gen. 37:25
Jer. 46:11
51:8
balsem in Gilead?

Of is er geen geneesheer daar?

Want waarom is er dan geen herstel opgetreden

bij de dochter van mijn volk?

9

91Och,

9:1
Jes. 22:4
Jer. 4:19
was mijn hoofd maar water9:1 was mijn hoofd maar water - Letterlijk: wie zal geven dat mijn hoofd water is.

en mijn oog een bron van tranen,

ik zou dag en nacht wenen

over de gesneuvelden bij de dochter van mijn volk.

2Och, had ik in de woestijn maar een kamp voor reizigers!

Ik zou mijn volk verlaten, ik zou bij hen weggaan,

want zij zijn allen

9:2
Jer. 5:7,8
overspelers, een trouweloos gezelschap.

3Zij spannen hun tong als hun boog.

Met

9:3
Jes. 59:4,13,15
leugen en niet met betrouwbaarheid

zijn zij in het land sterk geworden,

want zij gaan voort van slechtheid tot

9:3
Jer. 6:7
slechtheid,

en Mij kennen ze niet, spreekt de HEERE.

4Laat eenieder voor zijn naaste op zijn hoede zijn,

en vertrouw op geen enkele broeder,

want elke broeder doet niet anders dan bedriegen,

en elke vriend

9:4
Jer. 6:28
gaat rond met lasterpraat.

5Eenieder bedriegt zijn naaste,

zij spreken niet de waarheid.

Zij leren hun tong leugens te spreken,

zij vermoeien zich met onrecht doen.

6U woont te midden van bedrog,

door bedrog weigeren zij Mij te kennen, spreekt de HEERE.

7Daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten:

Zie, Ik ga hen louteren en hen beproeven,

want hoe zou Ik anders handelen ten aanzien van de dochter van Mijn volk?

8Hun

9:8
Ps. 120:4
Spr. 30:14
tong is een moordende pijl,

bedrog spreekt hij.

Met zijn

9:8
Ps. 12:3
28:3
mond spreekt men van vrede met zijn naaste,

maar in zijn binnenste legt men hem een hinderlaag.

9

9:9
Jer. 5:9,29
Zou Ik hun deze dingen niet vergelden?

spreekt de HEERE,

of zou Mijn ziel zich op een volk als dit

niet wreken?

10Ik zal een geween en een rouwklacht aanheffen over de bergen,

een klaaglied over de weiden van de woestijn,

want zij zijn afgebrand zodat niemand erdoorheen trekt,

en men hoort nergens het blaten van het vee.

Van de vogels in de lucht tot de dieren op het land toe

zijn zij gevlucht, zijn zij weggegaan.

11Ik zal van Jeruzalem steenhopen maken,

een verblijfplaats van

9:11
Jer. 10:22
jakhalzen,

Ik zal van de steden van Juda een woestenij maken,

zodat niemand er meer woont.

12Wie is de wijze man die dit begrijpt, tot wie de mond van de HEERE heeft gesproken, dat hij het bekend kan maken?

Waarom is het land vergaan,

verwoest als de woestijn, zodat niemand erdoorheen trekt?

13De HEERE zegt: Omdat zij Mijn wet verlaten hebben die Ik hun had voorgehouden, en niet geluisterd hebben naar Mijn stem en daarnaar niet hebben gewandeld,

14maar achter hun verharde hart9:14 hun verharde hart - Letterlijk: de verharding van hun hart. aan gegaan zijn en achter de Baäls aan, zoals hun vaderen hun dat geleerd hadden,

15daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik geef hun, dit volk,

9:15
Jer. 23:15
alsem te eten en
9:15
Jer. 8:14
galwater te drinken.

16Ik zal hen

9:16
Lev. 26:33
verspreiden onder de heidenvolken, die zij en hun vaderen niet gekend hebben. Ik zal het zwaard achter hen aan zenden, tot Ik aan hen een einde zal gemaakt hebben.

17Zo zegt de HEERE van de legermachten:

Let op en roep de klaagvrouwen, dat ze komen,

stuur boden naar de kundige vrouwen,

dat zij komen,

18en laten zij zich haasten

en over ons een rouwklacht aanheffen,

zodat de tranen uit onze ogen naar beneden stromen,

en onze oogleden van water vloeien.

19Want uit Sion wordt

het geluid van een rouwklacht gehoord:

Hoe zijn wij verwoest!

Wij schamen ons diep,

omdat wij het land hebben moeten verlaten,

omdat zij onze woningen omvergeworpen hebben.

20Hoor dan het woord van de HEERE, vrouwen,

laat uw oor het woord uit Zijn mond vernemen.

Leer uw dochters een rouwklacht,

elke vrouw haar vriendin een klaaglied,

21want de dood is onze vensters binnengeklommen,

onze paleizen binnengekomen,

om de kleine kinderen van de straat uit te roeien,

de jongemannen van de pleinen.

22Spreek: Zo spreekt de HEERE:

9:22
Jer. 7:33
De dode lichamen van de mensen liggen

als mest op het open veld,

als een graanschoof achter de maaier,

die niemand verzamelt.

23Zo zegt de HEERE:

9:23
1 Kor. 1:31
2 Kor. 10:17
Laat een wijze zich niet beroemen op zijn wijsheid,

laat de held zich niet beroemen op zijn sterkte,

laat een rijke zich niet beroemen op zijn rijkdom.

24Maar laat wie zich beroemt, zich daarop beroemen

dat hij begrijpt en Mij kent

dat Ik de HEERE ben, Die goedertierenheid bewijs,

recht en gerechtigheid op de aarde doe,

want in die dingen vind Ik vreugde, spreekt de HEERE.

25Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik elke besnedene en die de voorhuid heeft, zal straffen, namelijk

26Egypte en Juda, Edom en de Ammonieten, Moab en allen die kaalgeschoren zijn aan hun slapen, die in de woestijn wonen. Want alle heidenvolken zijn onbesneden, maar heel het huis van Israël is

9:26
Lev. 26:41
Rom. 2:28,29
onbesneden van hart.

10

De HEERE en de afgoden

101Hoor het woord dat de HEERE tot u spreekt, huis van Israël.

2Zo zegt de HEERE:

U mag u de weg van de heidenvolken niet aanleren,

en u niet ontstellen door de tekenen aan de hemel,

omdat de heidenvolken zich daardoor ontstellen.

3Want de gebruiken van die volken zijn onzinnig:

10:3
Jes. 44:14
het is immers een stuk hout, iemand heeft het uit het bos gekapt,

vakwerk10:3 vakwerk - Letterlijk: werk van handen van een vakman. met de bijl.

4Met zilver en met goud maken ze het mooi,

met spijkers en met hamers

10:4
Jes. 41:7
zetten ze het vast,

zodat het niet kan wiebelen.

5Ze zijn als een vogelverschrikker op een komkommerveld, want spreken

10:5
Ps. 115:5
kunnen ze niet.

Ze moeten helemaal

10:5
Jes. 46:1,7
gedragen worden, want ze kunnen geen stap verzetten.

Wees niet bevreesd voor hen, want

10:5
Jes. 41:23
kwaad kunnen ze niet doen,

maar ook goeddoen is er bij hen niet bij.

6Niemand, HEERE, is

10:6
Ps. 86:8,10
U gelijk,

groot bent U en groot is Uw Naam in sterkte.

7

10:7
Openb. 15:4
Wie zou U niet vrezen, Koning van de heidenvolken?

Want dat komt U toe.

Immers, onder al de wijzen van de heidenvolken

en in heel hun koninkrijk is niemand U gelijk.

8In één ding zijn zij toch

10:8
Jes. 41:29
Hab. 2:18
Zach. 10:2
dom en dwaas:

onderwijs in onzinnigheid, hout is het!

9Geplet zilver wordt uit Tarsis gebracht en goud uit Ufaz;

werk van een vakman, en van de handen van een edelsmid

– blauwpurper en roodpurper is hun gewaad –

alles is het werk van kundige mensen.

10De HEERE God is echter de Waarheid,

Hij is de levende God, een eeuwig Koning.

Voor Zijn grote toorn beeft de aarde,

de heidenvolken kunnen Zijn gramschap niet verdragen.

11Dit moet u tegen hen zeggen:

De goden die de hemel en de aarde niet gemaakt hebben,

die zullen van de aarde en van onder deze hemel vergaan.10:11 Dit … vergaan - Dit vers is in het Aramees overgeleverd.

12Hij maakte de

10:12
Gen. 1:1
Jer. 51:15
aarde door Zijn kracht,

grondvestte de wereld door Zijn wijsheid,

Hij heeft de hemel door Zijn inzicht

10:12
Job 9:8
Ps. 104:2
Jes. 40:22
44:24
51:13
uitgespannen.

13Als Hij Zijn stem laat klinken, dan is er gedruis van wateren aan de hemel.

Hij doet

10:13
Ps. 135:7
dampen opstijgen van het einde van de aarde.

Hij heeft bliksemflitsen bij de regen gemaakt.

De wind brengt Hij uit Zijn schatkamers tevoorschijn.

14

10:14
Jer. 51:17,18
Ieder mens is dom geworden, zonder kennis,

elke edelsmid is beschaamd over zijn beeld.

Zijn gegoten beeld is immers bedrog:

er zit in hen geen adem.

15Nietig zijn zij,

bespottelijk werk,

ten tijde van hun vergelding zullen zij vergaan.

16Maar het

10:16
Jer. 51:19
Deel van Jakob is niet als zij,

want Hij is Formeerder van alles,

en Israël is de

10:16
Ps. 74:2
stam die Zijn eigendom is,

HEERE van de legermachten is Zijn Naam.

De komende verwoesting

17Verzamel uit het land uw handelswaar,

u die in de vesting woont.

18Want zo zegt de HEERE:

Zie, Ik ga

de inwoners van het land

deze keer wegslingeren.

Ik zal hen

10:18
Jer. 6:24
benauwen,

dat zij het ondervinden.

19Wee mij om mijn breuk,

mijn wond is pijnlijk.

En ik had zelf gezegd: Zeker, dit

is een ziekte, ik moet die dragen.

20Mijn tent is verwoest en al mijn touwen zijn gebroken,

mijn kinderen zijn bij mij weggegaan en zij zijn er niet.

Er is niemand meer die mijn tent opzet

en mijn tentkleden opstelt.

21Want de herders zijn dom geweest

en hebben de HEERE niet geraadpleegd.

Daarom hebben zij niet verstandig gehandeld

en is heel de kudde van hun weide verspreid.

22Een geluid van een gerucht! Zie, het komt!

Een groot gedreun uit het land in het

10:22
Jer. 1:14
4:6
noorden,

om de steden van Juda te maken

tot een woestenij, een verblijfplaats van

10:22
Jer. 9:11
jakhalzen.

23Ik weet, HEERE,

10:23
Spr. 16:1
20:24
dat het niet aan de mens is zijn weg,

dat het niet aan een man is zijn gang te bepalen

en zijn voetstappen te richten.

24

10:24
Ps. 6:2
38:2
Bestraf mij, HEERE, maar
10:24
Jer. 30:11
46:28
met mate,

niet in Uw toorn, anders zou U weinig van mij overlaten.10:24 anders … overlaten - Letterlijk: anders maakt u mij gering.

25

10:25
Ps. 79:6
Stort Uw grimmigheid uit over de heidenvolken

die U niet kennen,

over de geslachten

die Uw Naam niet aanroepen.

Zij hebben immers Jakob

10:25
Jer. 8:16
verslonden, ja, hem verslonden, aan hem
10:25
Jer. 9:16
een einde gemaakt,

en zijn woonplaats verwoest.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]