Herziene Statenvertaling (HSV)
7

In en om het huis van God

71Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia:

2Ga in de poort van het huis van de HEERE staan, en predik daar dit woord, en zeg: Hoor het woord van de HEERE, heel Juda, u die door deze poorten binnengaat om zich voor de HEERE neer te buigen.

3Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël:

7:3
Vers
Laat uw wegen en uw daden goed zijn, dan laat Ik u wonen in deze plaats.

4Stel uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: De tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE is dit!

5Als u echter uw wegen en uw daden werkelijk betert, als u werkelijk

7:5
Jer. 5:28
recht doet tussen iemand en zijn naaste,

6als u de vreemdeling, de wees en de

7:6
Jes. 10:1,2
weduwe niet onderdrukt, geen
7:6
Jes. 59:7
onschuldig bloed in deze plaats vergiet, en geen andere goden achternagaat, uzelf ten kwade,

7dan zal Ik u in deze plaats, in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb, laten wonen, eeuw uit en eeuw in.

8Zie, u vertrouwt op bedrieglijke woorden, die niet van nut zijn.

9Stelen, doodslaan, overspel plegen, valse eden afleggen, reukoffers brengen aan de Baäl, andere goden achternagaan, die u niet gekend hebt,

10en dan voor Mijn aangezicht komen staan in dit huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, en zeggen: Wij zijn gered – om al deze gruweldaden te doen?

11Is dan dit huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, in uw ogen een

7:11
Matt. 21:13
Mark. 11:17
Luk. 19:46
rovershol? Ook Ik, zie, Ik heb het gezien, spreekt de HEERE.

12Want ga toch naar Mijn plaats die in Silo was, daar waar Ik vroeger Mijn Naam heb laten wonen, en zie

7:12
1 Sam. 4:11
Ps. 78:60
wat Ik daarmee gedaan heb vanwege de slechtheid van Mijn volk Israël.

13Welnu, omdat u al deze daden doet, spreekt de HEERE, en Ik

7:13
Vers
vroeg en laat7:13 vroeg en laat - Letterlijk: die vroeg op is en spreekt; zie ook 25:3; 35:14. tot u sprak, maar u niet geluisterd hebt, en Ik u
7:13
Spr. 1:24
Jes. 65:12
66:4
geroepen heb, maar u niet geantwoord hebt,

14zal Ik met dit huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, waarop u vertrouwt, en met deze plaats, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, doen zoals Ik met Silo heb gedaan.

15Ik zal u van voor Mijn aangezicht wegwerpen, zoals Ik al uw broeders weggeworpen heb, heel het nageslacht van Efraïm.

16En u,

7:16
Ex. 32:10
Jer. 11:14
14:11
bid niet voor dit volk, hef voor hen geen geroep of gebed aan, dring niet bij Mij aan, want Ik zal niet naar u luisteren.

17Ziet u niet wat zij doen in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem?

18

7:18
Jer. 44:19
De kinderen sprokkelen hout, de vaders steken het vuur aan en de vrouwen kneden deeg om offerkoeken te maken voor de
7:18
Jes. 65:11
Jer. 8:2
19:13
44:19
koningin van de hemel. Zij gieten plengoffers uit voor andere goden, zodat zij Mij tot toorn verwekken.

19Verwekken zij Mij tot toorn? spreekt de HEERE. Doen zij het zichzelf niet aan,

7:19
Jes. 65:13
tot schande van hun eigen gezicht?

20Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Mijn toorn en grimmigheid zullen uitgegoten worden over deze plaats, over de mensen en over de dieren, over de bomen op het veld en over de vruchten van het land. Die zullen branden en niet geblust worden.

21Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël:

7:21
Jes. 1:11
Jer. 6:20
Amos 5:21
Voeg uw brandoffers toe aan uw slachtoffers, eet vlees,

22want Ik heb met uw vaderen op de dag dat Ik hen uit het land Egypte leidde, niet gesproken en hun evenmin iets geboden over zaken die betrekking hebben op brandoffers en slachtoffers.

23Maar deze zaak heb Ik hun geboden:

7:23
Deut. 6:3
Luister naar Mijn stem.
7:23
Ex. 19:5
Lev. 26:12
Dan zal Ik u tot een God zijn, en ú zult Mij tot een volk zijn. Bewandel heel de weg die Ik u gebieden zal en het zal u goed gaan.

24Maar zij hebben niet geluisterd en hun oor niet geneigd, maar ze gingen in hun eigen opvattingen voort overeenkomstig hun

7:24
Jer. 3:17
16:12
verharde, boosaardige hart.7:24 hun verharde … hart - Letterlijk: de verharding van hun … hart.
7:24
Jer. 2:27
32:33
Zij gingen achterwaarts en niet voorwaarts.

25Vanaf de dag dat uw vaderen uit het land Egypte vertrokken zijn tot op deze dag, zond Ik elke dag, vroeg en laat7:25 vroeg en laat - Letterlijk: die vroeg op is en zendt; zie ook 25:4; 26:5; 29:19; 35:15; 44:4. al Mijn dienaren, de profeten, tot u.

26Uw vaderen hebben echter niet naar Mij geluisterd en hebben hun oor niet geneigd. Zij waren

7:26
Neh. 9:17,29
Jer. 17:23
19:15
halsstarrig7:26 Zij waren halsstarrig - Letterlijk: zij verhardden hun nek. en maakten het erger dan hun vaderen.

27U moet al deze woorden tot hen spreken, maar zij zullen niet naar u luisteren. U zult wel tegen hen roepen, maar zij zullen u niet antwoorden.

28Zeg daarom tegen hen: Dit is het volk dat naar de stem van de HEERE, zijn God, niet luistert en de

7:28
Jer. 5:3
vermaning niet aanvaardt. De
7:28
Jer. 5:1
waarheid is vergaan, zij is uit hun mond uitgeroeid.

29

7:29
Job 1:20
Jes. 15:2
Jer. 16:6
Scheer uw gewijde hoofdhaar af en werp het weg.

Hef op de kale hoogten een klaaglied aan,

want de HEERE heeft verworpen en verlaten

de generatie van Zijn verbolgenheid.

30Want de Judeeërs hebben gedaan wat kwaad is in Mijn ogen, spreekt de HEERE, zij hebben hun afschuwelijke afgoden opgesteld in het huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, zodat zij dat verontreinigen.

31En zij hebben de

7:31
2 Kon. 23:10
Jer. 2:23
19:5,6
hoogten van Tofet gebouwd, die in het dal Ben-Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochters in het vuur te verbranden. Dat heb Ik niet geboden en is niet in Mijn hart opgekomen.

32Daarom, zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat het niet meer Tofet of het dal Ben-Hinnom zal genoemd worden, maar Moorddal. Men zal in Tofet begraven, omdat er nergens anders plaats zal zijn.

33

7:33
Deut. 28:26
Jer. 34:20
De dode lichamen van dit volk zullen tot voedsel zijn voor de vogels in de lucht en de dieren op de aarde, en niemand zal ze schrik aanjagen.

34

7:34
Jes. 24:7
Jer. 16:9
25:10
Ezech. 26:13
Hos. 2:10
En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem de stem van de vreugde en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid doen ophouden, want het land zal
7:34
Jer. 6:8
tot een verwoesting worden.

8

81In die tijd, spreekt de HEERE, zullen zij de beenderen van de koningen van Juda, de beenderen van hun vorsten, de beenderen van de priesters, de beenderen van de profeten en de beenderen van de inwoners van Jeruzalem uit hun graven halen,

2en ze uitspreiden voor de zon, voor de maan en voor heel het leger aan de hemel, die zij hebben liefgehad, die zij hebben

8:2
Jer. 7:18
19:13
gediend, die zij achterna zijn gegaan, die zij hebben geraadpleegd en waarvoor zij zich hebben neergebogen. Die zullen niet verzameld en niet begraven worden: als mest op de aardbodem zullen zij zijn.

3Dan zal de dood verkozen worden boven het leven door heel het overblijfsel van hen die overgebleven zijn uit dit boosaardige geslacht, op alle plaatsen waar zij overgebleven zijn, waarheen Ik hen verdreven zal hebben, spreekt de HEERE van de legermachten.

De verharding van het volk

4Zeg verder tegen hen: Zo zegt de HEERE:

Zal men vallen en niet weer opstaan?

Of zal men zich afkeren en niet terugkeren?

5Waarom heeft dan dit volk, Jeruzalem, zich afgekeerd met een altijddurende afkeer?

Zij houden vast aan bedrog, zij weigeren terug te keren.

6Ik heb er acht op geslagen en geluisterd:

zij spreken wat juist niet behoorlijk is.

Er is niemand die berouw heeft over zijn slechtheid

door te zeggen: Wat heb ik gedaan?

Eenieder keert zich af en draaft maar door,

als een paard dat zich in de strijd stort.

7Zelfs een ooievaar in de lucht

kent zijn vaste tijden,

tortelduif, zwaluw en kraanvogel

nemen de tijd van hun aankomst in acht,

maar Mijn volk

8:7
Jer. 5:4,5
kent niet

het recht van de HEERE.

8Hoe kunt u dan zeggen: Wij zijn wijs,

en de wet van de HEERE is bij ons!

Voorwaar, zie, de leugenpen van de schriftgeleerden

heeft die wet tot leugen gemaakt.

9De wijzen zullen beschaamd staan,

ontsteld zijn en gevangen worden.

Zie, zij hebben het woord van de HEERE verworpen,

wat voor wijsheid zouden zij dan hebben?

10Daarom zal Ik hun

8:10
Jer. 6:12
vrouwen aan anderen geven,

hun akkers aan bezetters.

Want

8:10
Jer. 6:13,14,15
van klein tot groot

is ieder van hen

8:10
Jes. 56:11
uit op winst.

Van profeet tot priester,

pleegt ieder van hen bedrog.

11Zij genezen de breuk van de dochter van Mijn volk

op het lichtst door te zeggen: Vrede, vrede!

Maar er is geen vrede!

12Staan zij beschaamd, omdat zij een gruweldaad gedaan hebben?

Ze schamen zich zelfs niet in het minst,

ja, zij weten van geen blozen.

Daarom zullen zij vallen onder hen die vallen,

ten tijde van de vergelding aan hen, zullen zij struikelen,

zegt de HEERE.

13Ik ga hen volkomen wegvagen, spreekt de HEERE.

Er zijn geen druiven aan de

8:13
Jes. 5:1
wijnstok,

geen vijgen aan de

8:13
Matt. 21:19
Luk. 13:6
vijgenboom,

en de bladeren zijn verwelkt.

Wat Ik hun gaf, daaraan gaan zij voorbij.

14Waarom blijven wij zitten?

8:14
Jer. 4:5
Verzamel u,

laten wij naar de versterkte steden gaan

en daar zwijgen,

want de HEERE, onze God, heeft ons doen zwijgen.

Hij heeft ons

8:14
Jer. 9:15
23:15
galwater te drinken gegeven,

omdat wij tegen de HEERE gezondigd hebben.

15

8:15
Jer. 14:19
Wij zien uit naar vrede, maar er is niets goeds,

naar een tijd van genezing, maar zie, er is verschrikking.

16

8:16
Jer. 4:15
Vanuit Dan wordt

het gesnuif van zijn paarden gehoord,

heel het land beeft

van het geluid van het gehinnik van zijn hengsten.

Zij komen en verslinden het land en al wat het bevat,

de stad en wie erin wonen.

17Voorzeker, zie, Ik ga

slangen, gifslangen op u af sturen,

waartegen geen

8:17
Ps. 58:5,6
bezwering is,

en die zullen u bijten,

spreekt de HEERE.

Klacht van Jeremia

18Als ik mij wil verkwikken, overvalt mij verdriet,

mijn hart is afgemat in mij.

19Let op, het geluid van het hulpgeroep van de dochter van mijn volk,

uit een zeer ver land:

Is de HEERE dan niet in Sion,

of is haar Koning niet bij haar?

Waarom hebben zij Mij tot toorn verwekt met hun beelden,

met nietige afgoden uit den vreemde?

20De oogst is voorbij, de zomer is ten einde,

en nog zijn wij niet verlost.

21Om de breuk van de dochter van mijn volk ben ik gebroken,

ik ga in het zwart gehuld, verschrikking heeft mij aangegrepen.

22Is er geen

8:22
Gen. 37:25
Jer. 46:11
51:8
balsem in Gilead?

Of is er geen geneesheer daar?

Want waarom is er dan geen herstel opgetreden

bij de dochter van mijn volk?

9

91Och,

9:1
Jes. 22:4
Jer. 4:19
was mijn hoofd maar water9:1 was mijn hoofd maar water - Letterlijk: wie zal geven dat mijn hoofd water is.

en mijn oog een bron van tranen,

ik zou dag en nacht wenen

over de gesneuvelden bij de dochter van mijn volk.

2Och, had ik in de woestijn maar een kamp voor reizigers!

Ik zou mijn volk verlaten, ik zou bij hen weggaan,

want zij zijn allen

9:2
Jer. 5:7,8
overspelers, een trouweloos gezelschap.

3Zij spannen hun tong als hun boog.

Met

9:3
Jes. 59:4,13,15
leugen en niet met betrouwbaarheid

zijn zij in het land sterk geworden,

want zij gaan voort van slechtheid tot

9:3
Jer. 6:7
slechtheid,

en Mij kennen ze niet, spreekt de HEERE.

4Laat eenieder voor zijn naaste op zijn hoede zijn,

en vertrouw op geen enkele broeder,

want elke broeder doet niet anders dan bedriegen,

en elke vriend

9:4
Jer. 6:28
gaat rond met lasterpraat.

5Eenieder bedriegt zijn naaste,

zij spreken niet de waarheid.

Zij leren hun tong leugens te spreken,

zij vermoeien zich met onrecht doen.

6U woont te midden van bedrog,

door bedrog weigeren zij Mij te kennen, spreekt de HEERE.

7Daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten:

Zie, Ik ga hen louteren en hen beproeven,

want hoe zou Ik anders handelen ten aanzien van de dochter van Mijn volk?

8Hun

9:8
Ps. 120:4
Spr. 30:14
tong is een moordende pijl,

bedrog spreekt hij.

Met zijn

9:8
Ps. 12:3
28:3
mond spreekt men van vrede met zijn naaste,

maar in zijn binnenste legt men hem een hinderlaag.

9

9:9
Jer. 5:9,29
Zou Ik hun deze dingen niet vergelden?

spreekt de HEERE,

of zou Mijn ziel zich op een volk als dit

niet wreken?

10Ik zal een geween en een rouwklacht aanheffen over de bergen,

een klaaglied over de weiden van de woestijn,

want zij zijn afgebrand zodat niemand erdoorheen trekt,

en men hoort nergens het blaten van het vee.

Van de vogels in de lucht tot de dieren op het land toe

zijn zij gevlucht, zijn zij weggegaan.

11Ik zal van Jeruzalem steenhopen maken,

een verblijfplaats van

9:11
Jer. 10:22
jakhalzen,

Ik zal van de steden van Juda een woestenij maken,

zodat niemand er meer woont.

12Wie is de wijze man die dit begrijpt, tot wie de mond van de HEERE heeft gesproken, dat hij het bekend kan maken?

Waarom is het land vergaan,

verwoest als de woestijn, zodat niemand erdoorheen trekt?

13De HEERE zegt: Omdat zij Mijn wet verlaten hebben die Ik hun had voorgehouden, en niet geluisterd hebben naar Mijn stem en daarnaar niet hebben gewandeld,

14maar achter hun verharde hart9:14 hun verharde hart - Letterlijk: de verharding van hun hart. aan gegaan zijn en achter de Baäls aan, zoals hun vaderen hun dat geleerd hadden,

15daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik geef hun, dit volk,

9:15
Jer. 23:15
alsem te eten en
9:15
Jer. 8:14
galwater te drinken.

16Ik zal hen

9:16
Lev. 26:33
verspreiden onder de heidenvolken, die zij en hun vaderen niet gekend hebben. Ik zal het zwaard achter hen aan zenden, tot Ik aan hen een einde zal gemaakt hebben.

17Zo zegt de HEERE van de legermachten:

Let op en roep de klaagvrouwen, dat ze komen,

stuur boden naar de kundige vrouwen,

dat zij komen,

18en laten zij zich haasten

en over ons een rouwklacht aanheffen,

zodat de tranen uit onze ogen naar beneden stromen,

en onze oogleden van water vloeien.

19Want uit Sion wordt

het geluid van een rouwklacht gehoord:

Hoe zijn wij verwoest!

Wij schamen ons diep,

omdat wij het land hebben moeten verlaten,

omdat zij onze woningen omvergeworpen hebben.

20Hoor dan het woord van de HEERE, vrouwen,

laat uw oor het woord uit Zijn mond vernemen.

Leer uw dochters een rouwklacht,

elke vrouw haar vriendin een klaaglied,

21want de dood is onze vensters binnengeklommen,

onze paleizen binnengekomen,

om de kleine kinderen van de straat uit te roeien,

de jongemannen van de pleinen.

22Spreek: Zo spreekt de HEERE:

9:22
Jer. 7:33
De dode lichamen van de mensen liggen

als mest op het open veld,

als een graanschoof achter de maaier,

die niemand verzamelt.

23Zo zegt de HEERE:

9:23
1 Kor. 1:31
2 Kor. 10:17
Laat een wijze zich niet beroemen op zijn wijsheid,

laat de held zich niet beroemen op zijn sterkte,

laat een rijke zich niet beroemen op zijn rijkdom.

24Maar laat wie zich beroemt, zich daarop beroemen

dat hij begrijpt en Mij kent

dat Ik de HEERE ben, Die goedertierenheid bewijs,

recht en gerechtigheid op de aarde doe,

want in die dingen vind Ik vreugde, spreekt de HEERE.

25Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik elke besnedene en die de voorhuid heeft, zal straffen, namelijk

26Egypte en Juda, Edom en de Ammonieten, Moab en allen die kaalgeschoren zijn aan hun slapen, die in de woestijn wonen. Want alle heidenvolken zijn onbesneden, maar heel het huis van Israël is

9:26
Lev. 26:41
Rom. 2:28,29
onbesneden van hart.