Herziene Statenvertaling (HSV)
5

Is er een die recht doet?

51Trek rond door de straten van Jeruzalem,

kijk toch en let op,

zoek op zijn pleinen,

of u iemand vindt,

of er een is die recht doet,

een die betrouwbaarheid nastreeft,

dan zal Ik Jeruzalem vergeven.

2Als ze zeggen “Zo waar de HEERE leeft”,

leggen zij toch een valse eed af.

3HEERE, zien Uw ogen

niet uit naar betrouwbaarheid?

U hebt hen

5:3
Jes. 1:5
9:12
Jer. 2:30
geslagen, maar zij voelden geen pijn.

U hebt hen omgebracht, maar zij weigerden

5:3
Jer. 2:30
vermaning te aanvaarden.

Zij hebben hun gezichten harder gemaakt dan een rots,

zij hebben geweigerd zich te bekeren.

4Ík zei echter: Zij zijn maar geringe mensen,

zij gedragen zich als dwazen,

omdat zij de weg van de HEERE niet kennen,

het recht van hun God.

5Laat ik naar de aanzienlijken5:5 de aanzienlijken - Letterlijk: de groten. gaan

en met hen spreken,

want die kennen de weg van de HEERE wel,

het recht van hun God.

Zij echter hebben samen het juk gebroken,

de banden verscheurd.

6Daarom zal een

5:6
Jer. 4:7
leeuw uit het woud hen doden,

een wolf van de vlakten zal hen uiteenrijten,

terwijl een luipaard op de loer ligt bij hun steden,

– al wie daar uitgaat, wordt verscheurd –

want hun overtredingen zijn talrijk geworden,

machtig veel hun afdwalingen.

7Hoe zou Ik u dit vergeven?

Uw kinderen hebben Mij verlaten

en zweren bij wat geen goden zijn.

Als Ik hun overvloed geef,5:7 overvloed geef - Letterlijk: verzadig. plegen zij overspel,

en in het hoerenhuis drommen zij samen.

8Weldoorvoede,

5:8
Ezech. 22:11
hitsige hengsten zijn het,

ieder hinnikt naar de vrouw van zijn naaste.

9

5:9
Vers
Zou Ik deze dingen niet straffen?

spreekt de HEERE,

of op een volk als dit

Mijzelf niet wreken?

10Klim zijn wijnbergen op, richt ze te gronde,

maar maak er geen

5:10
Jer. 4:27
vernietigend einde aan.

Verwijder zijn ranken,

want die zijn niet van de HEERE.

11Zij hebben immers volkomen

5:11
Jer. 3:20
trouweloos tegen Mij gehandeld,

het huis van Israël en het huis van Juda, spreekt de HEERE.

12Zij hebben de HEERE verloochend

en zeggen: Hij is het niet!

Geen onheil

5:12
Jes. 28:15
zal over ons komen,

zwaard of honger zullen wij niet zien!

13Die profeten zullen worden als wind,

het woord is niet bij hen. Zo zal aan hen gedaan worden.

14Daarom, zo zegt de HEERE,

de God van de legermachten:

Omdat u dit woord spreekt,

zie, Ik ga

5:14
Jer. 1:9
Mijn woorden

in uw mond tot vuur maken

en dit volk tot hout,

zodat het hen zal verteren.

15Zie, Ik ga over u

een volk van

5:15
Deut. 28:49
Jer. 1:15
6:22
ver weg brengen,

huis van Israël, spreekt de HEERE.

Een taai volk is het,

een volk, van oude tijden af is het er,

een volk waarvan u de taal niet kent,

en niet verstaat wat het spreekt.

16Zijn pijlkoker is als een open graf,

het zijn allen helden.

17Verslinden zal het uw

5:17
Lev. 26:16
Deut. 28:31,33
oogst en uw brood,

verslinden zullen ze uw zonen en uw dochters,

verslinden zal het uw schapen en uw runderen,

verslinden uw wijnstok en uw vijgenboom,

met het zwaard uw versterkte steden verwoesten,

waarop u vertrouwt.

18Maar ook in die dagen, spreekt de HEERE, zal Ik geen

5:18
Jer. 4:27
vernietigend einde aan u maken.

19En het zal gebeuren, wanneer u zult zeggen:

5:19
Jer. 16:10
Waarom heeft de HEERE, onze God, ons al deze dingen aangedaan? dat u tegen hen zult zeggen: Zoals u Mij hebt verlaten en vreemde goden bent gaan dienen in uw land, zo zult u vreemden dienen in een land dat niet het uwe is.

20Maak dit aan het huis van Jakob bekend,

laat het horen in Juda:

21

5:21
Jes. 6:9
Hoor toch dit,

dwaas volk, zonder verstand,5:21 verstand - letterlijk: hart.

zij hebben ogen, maar zij zien niet,

zij hebben oren, maar zij horen niet.

22Zou u voor Mij niet bevreesd zijn, spreekt de HEERE,

of zou u voor Mijn aangezicht niet beven?

Ik, Die het zand gemaakt heb tot een

5:22
Job 38:10,11
Ps. 33:7
104:9
grens voor de zee,

een eeuwige verordening, die zij niet zal overschrijden.

Al kolken haar golven, zij zullen niets kunnen uitrichten,

al bruisen zij, zij zullen hem niet overschrijden.

23Maar dit volk heeft

een opstandig, ongehoorzaam hart,

zij zijn afgeweken, zij gingen hun eigen weg.

24Ze zeggen niet in hun hart:

Laten wij toch de HEERE, onze God, vrezen,

Die de regen geeft,

5:24
Deut. 11:14
zowel vroege regen als late regen, op zijn tijd,

Die de vastgestelde weken van de oogst voor ons bewaakt.

25Uw ongerechtigheden wenden die dingen af,

uw zonden onthouden u het goede.

26Want onder Mijn volk

worden goddelozen gevonden.

Men ligt op de loer,

ineengedoken als vogelvangers.

Zij zetten een vernielende strik,

mensen vangen zij.

27Hun huizen zijn zo vol bedrog

als een kooi vol vogels.

Daarom zijn zij groot en rijk geworden,

28

5:28
Deut. 32:15
vet en vadsig.

Zelfs overtreffen zij de slechtste dingen:

geen

5:28
Jes. 1:23
Zach. 7:10
rechtszaak behartigen zij,

zelfs niet de rechtszaak van een wees, en toch hebben ze voorspoed,

het recht van de armen laten zij niet gelden.

29

5:29
Vers
Zou Ik vanwege deze dingen niet straffen?

spreekt de HEERE,

of op een volk als dit

Mijzelf niet wreken?

30Iets verschrikkelijks, iets afschuwelijks

gebeurt er in het land:

31de profeten profeteren

5:31
Jer. 14:18
23:25,26
Ezech. 13:6
leugens,

de priesters heersen door hun handen,

en Mijn volk heeft het graag zo.

Maar wat zult u doen aan het einde hiervan?

Het beleg en de wegvoering

61Breng u in veiligheid, nakomelingen van Benjamin,

uit het midden van Jeruzalem!

Blaas de bazuin in Tekoa,

geef een vuursignaal af boven Beth-Cherem!

Want er ziet onheil neer vanuit het

6:1
Jer. 1:13,14
noorden,

een grote ramp!6:1 ramp - Letterlijk: breuk.

2Die bekoorlijke en die verwende,

Ik roei de dochter van Sion uit.

3Er komen herders naar haar toe

met hun kudden.

Zij zetten rondom tegen haar tenten op,

ieder weidt zijn stukje af.

4Verklaar haar de oorlog!6:4 Verklaar haar de oorlog! - Letterlijk: Heilig de oorlog tegen haar.

Sta op, laten we midden op de dag oprukken!

Wee ons, want de dag is bijna verstreken,

want de avondschaduwen worden langer.

5Sta op, laten we dan in de nacht oprukken,

laten we haar paleizen te gronde richten!

6Want zo zegt de HEERE van de legermachten:

Hak bomen om, werp tegen Jeruzalem een belegeringsdam op.

Dit is de stad die gestraft zal worden, enkel onderdrukking is in haar midden!

7Zoals een bron zijn water opwelt,

zo welt zij haar slechtheid op.

Geweld en verwoesting wordt in haar gehoord,

voor Mijn aangezicht is voortdurend ziekte en plaag.

8Laat u straffen, Jeruzalem,

anders zal Mijn ziel zich van u losrukken,

anders zal Ik een woestenij van u maken,

een onbewoond land!

9Zo zegt de HEERE van de legermachten:

Zij zullen het overblijfsel van Israël

als een wijnstok nauwkeurig nalopen.

6:9
Jes. 24:13
Laat uw hand terugkeren

als een druivenplukker langs de ranken.

10Tegen wie zal ik spreken,

en wie zal ik waarschuwen dat zij zullen luisteren?

Zie, onbesneden is hun

6:10
Jer. 7:26
oor,

zodat ze niet in staat zijn om er acht op te slaan,

zie, het woord van de HEERE is hun

tot smaad, ze vinden er geen vreugde in.

11Daarom ben ik vol van de grimmigheid van de HEERE,

ik ben het moe haar in te houden.

Giet haar dan uit over de kleine kinderen op straat,

over de kring van de jongemannen bij elkaar.

Ja, ook de man zal met de vrouw gevangen worden genomen,

de oudere met de hoogbejaarde.6:11 hoogbejaarde - Letterlijk: vol van dagen.

12

6:12
Deut. 28:30
Hun huizen zullen overgaan in de handen van anderen,

samen met de akkers en de vrouwen,

want Ik zal Mijn hand uitstrekken

tegen de inwoners van dit land,

spreekt de HEERE.

13Want van hun kleinste tot hun grootste,

ieder van hen is uit op winstbejag.

Van profeet tot priester

6:13
Jes. 56:11
Jer. 8:10
pleegt ieder van hen bedrog.

14

6:14
Jer. 8:11
Ezech. 13:10
Zij genezen de breuk van Mijn volk

op het lichtst, door te zeggen:

Vrede, vrede! Maar er is geen vrede.

15Staan zij beschaamd, omdat zij een gruweldaad gedaan hebben?

Ze schamen zich niet in het minst,

ja, zij weten van geen blozen.

Daarom zullen zij vallen onder hen die vallen;

ten tijde dat Ik hen zal straffen, zullen zij struikelen,

zegt de HEERE.

16Zo zegt de HEERE:

Ga staan op de wegen, en zie,

vraag naar de aloude paden,

waar toch de goede weg is, en bewandel die.

6:16
Matt. 11:29
Dan zult u rust vinden voor uw ziel.

Maar zij zeggen: Wij bewandelen die niet.

17Ik heb wachters over u aangesteld:

Sla acht op het geluid van de bazuin!

Maar zij zeggen: Daar slaan wij geen acht op.

18Daarom, heidenvolken, luister,

weet, gemeenschap,

wat er onder hen leeft!

19Luister, aarde,

zie, Ik breng onheil

over dit volk.

Dat is de vrucht van hun gedachten.

Want op Mijn woorden hebben zij geen acht geslagen,

en Mijn wet, die hebben zij verworpen.

20

6:20
Jes. 1:11
66:3
Amos 5:21
Micha 6:6
Waarom zou voor Mij wierook uit Sjeba moeten komen

en de beste kalmoes uit een ver land?

Uw brandoffers zijn Mij niet welgevallig,

en uw slachtoffers zijn Mij niet aangenaam.

21Daarom, zo zegt de HEERE:

Zie, Ik ga dit volk

struikelblokken geven waarover zij zullen struikelen:

de vaders samen met de zonen,

de buurman met zijn naaste, zij zullen omkomen.

22Zo zegt de HEERE:

Zie, een volk komt uit het land in het noorden,

een

6:22
Jer. 50:41,42,43
grote natie zal opgewekt worden van de uithoeken van de aarde.

23Boog en werpspies grijpen zij vast,

meedogenloos is het, zij zullen geen medelijden hebben.

Hun geluid bruist als de zee,

en zij rijden op paarden,

als mannen opgesteld voor de strijd

tegen u, dochter van Sion.

24Wij hebben het gerucht over hem gehoord, wij hebben de moed verloren,6:24 wij … verloren - Letterlijk: onze handen zijn slap geworden.

benauwdheid heeft ons aangegrepen, smart als van een

6:24
Jer. 4:31
49:24
50:43
barende vrouw.

25Trek het veld niet in, ga de weg niet op,

want daar is het zwaard van de vijand, angst van rondom.

26Dochter van Mijn volk,

6:26
Jer. 4:8
omgord u met een rouwgewaad,

wentel u in de as,

bedrijf rouw over een enig kind,

betoon een zeer bittere rouwklacht,

want plotseling zal over ons

de verwoester komen.

27Ik heb u aangesteld tot keurmeester onder Mijn volk, tot een vesting,6:27 Ik … vesting - Zie Jeremia 1:18.

opdat u hun weg zou kennen en beproeven.

28Zij allen zijn de afvalligsten van de afvalligen,

zij gaan rond met lasterpraat, als

6:28
Ezech. 22:18
koper en ijzer zijn ze,

verdervers zijn het, allemaal.

29De blaasbalg is verbrand,

het lood is door het vuur vergaan,

tevergeefs heeft de smelter zo ijverig gesmolten,

want de slechten zijn niet uitgezuiverd.

30Verworpen zilver noemt men hen,

want de HEERE heeft hen

6:30
Jes. 1:22
verworpen.

In en om het huis van God

71Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia:

2Ga in de poort van het huis van de HEERE staan, en predik daar dit woord, en zeg: Hoor het woord van de HEERE, heel Juda, u die door deze poorten binnengaat om zich voor de HEERE neer te buigen.

3Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël:

7:3
Vers
Laat uw wegen en uw daden goed zijn, dan laat Ik u wonen in deze plaats.

4Stel uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: De tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE is dit!

5Als u echter uw wegen en uw daden werkelijk betert, als u werkelijk

7:5
Jer. 5:28
recht doet tussen iemand en zijn naaste,

6als u de vreemdeling, de wees en de

7:6
Jes. 10:1,2
weduwe niet onderdrukt, geen
7:6
Jes. 59:7
onschuldig bloed in deze plaats vergiet, en geen andere goden achternagaat, uzelf ten kwade,

7dan zal Ik u in deze plaats, in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb, laten wonen, eeuw uit en eeuw in.

8Zie, u vertrouwt op bedrieglijke woorden, die niet van nut zijn.

9Stelen, doodslaan, overspel plegen, valse eden afleggen, reukoffers brengen aan de Baäl, andere goden achternagaan, die u niet gekend hebt,

10en dan voor Mijn aangezicht komen staan in dit huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, en zeggen: Wij zijn gered – om al deze gruweldaden te doen?

11Is dan dit huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, in uw ogen een

7:11
Matt. 21:13
Mark. 11:17
Luk. 19:46
rovershol? Ook Ik, zie, Ik heb het gezien, spreekt de HEERE.

12Want ga toch naar Mijn plaats die in Silo was, daar waar Ik vroeger Mijn Naam heb laten wonen, en zie

7:12
1 Sam. 4:11
Ps. 78:60
wat Ik daarmee gedaan heb vanwege de slechtheid van Mijn volk Israël.

13Welnu, omdat u al deze daden doet, spreekt de HEERE, en Ik

7:13
Vers
vroeg en laat7:13 vroeg en laat - Letterlijk: die vroeg op is en spreekt; zie ook 25:3; 35:14. tot u sprak, maar u niet geluisterd hebt, en Ik u
7:13
Spr. 1:24
Jes. 65:12
66:4
geroepen heb, maar u niet geantwoord hebt,

14zal Ik met dit huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, waarop u vertrouwt, en met deze plaats, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, doen zoals Ik met Silo heb gedaan.

15Ik zal u van voor Mijn aangezicht wegwerpen, zoals Ik al uw broeders weggeworpen heb, heel het nageslacht van Efraïm.

16En u,

7:16
Ex. 32:10
Jer. 11:14
14:11
bid niet voor dit volk, hef voor hen geen geroep of gebed aan, dring niet bij Mij aan, want Ik zal niet naar u luisteren.

17Ziet u niet wat zij doen in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem?

18

7:18
Jer. 44:19
De kinderen sprokkelen hout, de vaders steken het vuur aan en de vrouwen kneden deeg om offerkoeken te maken voor de
7:18
Jes. 65:11
Jer. 8:2
19:13
44:19
koningin van de hemel. Zij gieten plengoffers uit voor andere goden, zodat zij Mij tot toorn verwekken.

19Verwekken zij Mij tot toorn? spreekt de HEERE. Doen zij het zichzelf niet aan,

7:19
Jes. 65:13
tot schande van hun eigen gezicht?

20Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Mijn toorn en grimmigheid zullen uitgegoten worden over deze plaats, over de mensen en over de dieren, over de bomen op het veld en over de vruchten van het land. Die zullen branden en niet geblust worden.

21Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël:

7:21
Jes. 1:11
Jer. 6:20
Amos 5:21
Voeg uw brandoffers toe aan uw slachtoffers, eet vlees,

22want Ik heb met uw vaderen op de dag dat Ik hen uit het land Egypte leidde, niet gesproken en hun evenmin iets geboden over zaken die betrekking hebben op brandoffers en slachtoffers.

23Maar deze zaak heb Ik hun geboden:

7:23
Deut. 6:3
Luister naar Mijn stem.
7:23
Ex. 19:5
Lev. 26:12
Dan zal Ik u tot een God zijn, en ú zult Mij tot een volk zijn. Bewandel heel de weg die Ik u gebieden zal en het zal u goed gaan.

24Maar zij hebben niet geluisterd en hun oor niet geneigd, maar ze gingen in hun eigen opvattingen voort overeenkomstig hun

7:24
Jer. 3:17
16:12
verharde, boosaardige hart.7:24 hun verharde … hart - Letterlijk: de verharding van hun … hart.
7:24
Jer. 2:27
32:33
Zij gingen achterwaarts en niet voorwaarts.

25Vanaf de dag dat uw vaderen uit het land Egypte vertrokken zijn tot op deze dag, zond Ik elke dag, vroeg en laat7:25 vroeg en laat - Letterlijk: die vroeg op is en zendt; zie ook 25:4; 26:5; 29:19; 35:15; 44:4. al Mijn dienaren, de profeten, tot u.

26Uw vaderen hebben echter niet naar Mij geluisterd en hebben hun oor niet geneigd. Zij waren

7:26
Neh. 9:17,29
Jer. 17:23
19:15
halsstarrig7:26 Zij waren halsstarrig - Letterlijk: zij verhardden hun nek. en maakten het erger dan hun vaderen.

27U moet al deze woorden tot hen spreken, maar zij zullen niet naar u luisteren. U zult wel tegen hen roepen, maar zij zullen u niet antwoorden.

28Zeg daarom tegen hen: Dit is het volk dat naar de stem van de HEERE, zijn God, niet luistert en de

7:28
Jer. 5:3
vermaning niet aanvaardt. De
7:28
Jer. 5:1
waarheid is vergaan, zij is uit hun mond uitgeroeid.

29

7:29
Job 1:20
Jes. 15:2
Jer. 16:6
Scheer uw gewijde hoofdhaar af en werp het weg.

Hef op de kale hoogten een klaaglied aan,

want de HEERE heeft verworpen en verlaten

de generatie van Zijn verbolgenheid.

30Want de Judeeërs hebben gedaan wat kwaad is in Mijn ogen, spreekt de HEERE, zij hebben hun afschuwelijke afgoden opgesteld in het huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, zodat zij dat verontreinigen.

31En zij hebben de

7:31
2 Kon. 23:10
Jer. 2:23
19:5,6
hoogten van Tofet gebouwd, die in het dal Ben-Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochters in het vuur te verbranden. Dat heb Ik niet geboden en is niet in Mijn hart opgekomen.

32Daarom, zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat het niet meer Tofet of het dal Ben-Hinnom zal genoemd worden, maar Moorddal. Men zal in Tofet begraven, omdat er nergens anders plaats zal zijn.

33

7:33
Deut. 28:26
Jer. 34:20
De dode lichamen van dit volk zullen tot voedsel zijn voor de vogels in de lucht en de dieren op de aarde, en niemand zal ze schrik aanjagen.

34

7:34
Jes. 24:7
Jer. 16:9
25:10
Ezech. 26:13
Hos. 2:10
En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem de stem van de vreugde en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid doen ophouden, want het land zal
7:34
Jer. 6:8
tot een verwoesting worden.