Herziene Statenvertaling (HSV)
51

De eeuwige ondergang van Babel

511Zo zegt de HEERE:

Zie, Ik ga een

51:1
Jer. 4:11
stormwind opwekken die te gronde richt,

tegen Babel en tegen de inwoners van Leb-Kamai.51:1 Leb-Kamai betekent: hart van Mijn tegenstanders.

2Ik zal op Babel

51:2
Jer. 4:11
15:7
wanners afsturen, zodat zij het zullen wannen

en zijn land leeghalen,

want zij zullen er van alle kanten vijandig tegenover staan

op de dag van het onheil.

3Laat de boogschutter zijn boog spannen tegen wie de boog spant,

en tegen wie zich in zijn pantser verheft.

Spaar zijn jongemannen niet,

sla heel zijn leger met de ban.

4De gesneuvelden liggen in het land van de Chaldeeën,

wie doorstoken zijn in zijn

51:4
Jer. 49:26
straten.

5Want Israël noch Juda wordt als weduwe achtergelaten

door zijn God, door de HEERE van de legermachten,

al is hun land vol van schuld

tegenover de Heilige van Israël.

6

51:6
Jer. 50:8
Openb. 18:4
Vlucht weg uit het midden van Babel, laat ieder zijn leven redden,

word in zijn ongerechtigheid niet verdelgd.

Want dit is de tijd van de

51:6
Jer. 50:15,28
wraak van de HEERE,

Hij vergeldt het wat het verdient.

7Babel was in de hand van de HEERE een gouden beker,

die heel de aarde dronken maakte.

Van zijn wijn hebben de volken gedronken,

daarom gedragen de volken zich als een waanzinnige.

8Plotseling is Babel

51:8
Jes. 21:9
Openb. 14:8
18:2
gevallen en stukgebroken.

Weeklaag erover.

Haal

51:8
Jer. 8:22
balsem tegen zijn pijn,

misschien zal het genezen.

9Wij hebben getracht Babel te genezen, maar het is niet genezen.

51:9
Jer. 46:11
Verlaat het, en laten wij gaan, ieder naar zijn land,

want het oordeel erover reikt tot aan de hemel,

het is verheven tot aan de wolken.

10De HEERE heeft onze rechtvaardige daden naar voren gebracht.

Kom, laten wij in Sion vertellen de daden van de HEERE, onze God.

11

51:11
Jer. 46:4
Slijp de pijlen scherp,

vul de kokers!

De HEERE heeft de geest van de koningen van Medië opgewekt,

want Zijn plan met Babel is om het te gronde te richten,

want dit is de wraak van de HEERE, de

51:11
Jer. 50:28
wraak voor Zijn tempel.

12Hef een banier omhoog tegen de muren van Babel,

versterk de bewaking,

stel wachters op,

leg hinderlagen!

Wat de HEERE Zich immers voorgenomen heeft, zal Hij ook doen:

wat Hij gesproken heeft over de inwoners van Babel.

13U die woont aan grote wateren,

die rijk bent aan schatten,

uw einde is gekomen,

de maat van uw winstbejag.

14

51:14
Amos 6:8
De HEERE van de legermachten heeft gezworen bij Zichzelf:

Al heb Ik u met mensen gevuld als met treksprinkhanen,

toch zal men over u de vreugderoep aanheffen.

15Hij maakte de

51:15
Gen. 1:1
Jer. 10:12
aarde door Zijn kracht,

grondvestte de wereld door Zijn wijsheid

en

51:15
Job 9:8
Ps. 104:2
Jes. 40:22
44:24
51:13
Jer. 10:12
spande de hemel uit door Zijn inzicht.

16Als Hij Zijn stem laat klinken, is er gedruis van wateren aan de hemel.

Hij doet dampen opstijgen van het einde van de aarde.

Hij heeft bliksemflitsen bij de regen gemaakt.

De wind brengt Hij uit Zijn schatkamers tevoorschijn.

17Ieder mens is dom geworden, zonder kennis,

elke edelsmid is beschaamd over zijn beeld.

Zijn gegoten beeld is immers bedrog: er zit in hen geen adem.

18Nietig zijn zij, bespottelijk werk,

ten tijde van hun vergelding zullen zij vergaan.

19Maar het

51:19
Jer. 10:16
Deel van Jakob is niet als zij,

want Hij is de Formeerder van alles,

en Israël is de stam die Zijn eigendom is,

HEERE van de legermachten is Zijn Naam.

20U bent voor Mij

51:20
Jer. 50:23
een strijdhamer,

wapenrusting.

Met u zal Ik volken stukslaan,

met u zal Ik koninkrijken te gronde richten.

21Met u zal Ik het paard en zijn ruiter stukslaan,

met u zal Ik de strijdwagen en zijn ruiter stukslaan.

22Met u zal Ik man en vrouw stukslaan,

met u zal Ik oud en jong stukslaan,

met u zal Ik jongen en meisje stukslaan.

23Met u zal Ik de herder en zijn kudde stukslaan,

met u zal Ik de akkerbouwer en zijn juk ossen stukslaan,

met u zal Ik landvoogden en machthebbers stukslaan.

24Maar Ik zal aan Babel vergelden

en aan al de inwoners van Chaldea

al hun kwaad dat zij Sion aangedaan hebben

– voor uw ogen – spreekt de HEERE.

25Zie, Ik zál u, berg die te gronde richt, spreekt de HEERE,

u, die heel de aarde te gronde richt!

Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken,

Ik zal u van de rotsen afrollen

en Ik zal u maken tot een berg die in brand staat.

26Zij zullen uit u geen steen halen voor een hoek

of een steen voor fundamenten,

want u zult eeuwige woestenijen worden, spreekt de HEERE.

27Hef een banier omhoog in het land,

blaas de bazuin onder de heidenvolken,

zet de heidenvolken in tegen de stad,51:27 zet … stad - Letterlijk: heilig de heidenvolken ertegen. Zie ook vers 28.

roep tegen haar op de koninkrijken

van Ararat, Minni en Askenaz.

Stel tegen haar een legeroverste aan,

laat paarden oprukken als ruige treksprinkhanen.

28Zet de heidenvolken tegen haar in,

de koningen van Medië, zijn landvoogden

en al zijn machthebbers,

ja, heel het land van zijn heerschappij.

29Dan zal het land beven en pijn lijden,

want de gedachten van de HEERE tegen Babel staan vast,

om van het land van Babel een woestenij te maken,

zodat er geen inwoner meer is.

30De helden van Babel houden op met strijden,

zij blijven in de bergvestingen zitten.

Hun macht is opgedroogd, zij zijn als

51:30
Jer. 50:37
vrouwen geworden.

Men heeft zijn woningen in brand gestoken,

zijn grendels zijn stukgebroken.

31De ene ijlbode rent de andere ijlbode tegemoet,

de ene boodschapper rent de andere boodschapper tegemoet,

om de koning van Babel bekend te maken

dat zijn stad van alle kanten wordt ingenomen,

32dat de doorwaadbare plaatsen zijn bezet,

dat ze de rietvelden met vuur hebben verbrand

en dat de strijdbare mannen door schrik overmand zijn.

33Want zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël:

De dochter van Babel is als een dorsvloer, het is tijd dat men die aanstampt.

Nog even, en dan komt voor haar de oogsttijd.

34Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft mij verslonden, heeft mij verpletterd,

hij heeft mij neergezet als een leeg vat.

Hij heeft mij verzwolgen als een zeemonster,

hij heeft zijn buik gevuld met mijn lekkernijen, hij heeft mij weggespoeld.

35Laat het geweld mij en mijn familie51:35 familie - Letterlijk: vlees; zie Lev. 18:6. aangedaan, komen op Babel,

moet de inwoonster van Sion zeggen.

Laat mijn bloed komen op de inwoners van Chaldea,

moet Jeruzalem zeggen.

36Daarom, zo zegt de HEERE:

Zie, Ik ga uw rechtszaak voeren

en Ik zal zeker wraak voor u nemen.

Ik zal zijn

51:36
Jer. 50:38
zee droogleggen

en zijn bron doen opdrogen.

37Babel zal worden tot steenhopen,

een verblijfplaats van jakhalzen,

een verschrikking en aanfluiting,

zodat er geen inwoner meer is.

38Tezamen zullen zij brullen als jonge leeuwen

en grommen als leeuwenwelpen.

39Als zij verhit zijn, zal Ik hun drank voorzetten;

Ik zal hen dronken maken, zodat zij opspringen van schrik.

Maar zij zullen een eeuwige slaap slapen,

zij zullen niet ontwaken, spreekt de HEERE.

40Ik zal hen afvoeren als lammeren ter slachting,

als rammen met bokken.

41Hoe is

51:41
Jer. 25:26
Sesach veroverd,

de

51:41
Jes. 13:19
roem van heel de aarde ingenomen!

Hoe is Babel tot een verschrikking geworden

onder de volken!

42De zee is tegen Babel opgerezen,

met een menigte van zijn golven is het bedekt.

43Zijn steden zijn tot een woestenij geworden,

een dor land, een wildernis,

een land waarin niemand woont

en waar geen mensenkind doorheen trekt.

44Ik zal Bel in Babel straffen,

Ik zal wat hij verzwolgen heeft, uit zijn muil halen.

De heidenvolken zullen niet meer

naar hem toestromen.

Zelfs de muur van Babel is gevallen!

45Ga weg uit zijn midden, Mijn volk,

laat ieder zijn leven redden

vanwege de brandende toorn van de HEERE.

46Anders zal uw hart week worden en zult u bevreesd worden door het bericht dat in het land gehoord zal worden. Want er zal een bericht komen in het ene jaar en daarna een bericht in een ander jaar, en geweld in het land, heerser tegen heerser.

47Daarom zie, er komen dagen

dat Ik de beelden van Babel zal straffen.

Heel zijn land zal beschaamd worden,

en in zijn midden zullen al zijn gesneuvelden liggen.

48Hemel en aarde

en al wat daarin is,

zullen juichen over Babel,

want vanuit het noorden zullen de verwoesters

eropaf komen, spreekt de HEERE.

49Zoals Babel geweest is tot een val

voor de dodelijk gewonden van Israël,

zo zullen in Babel

de dodelijk gewonden van heel de aarde vallen.

50U die ontkomen bent aan het zwaard,

ga op weg, blijf niet staan.

Denk vanuit verre landen aan de HEERE,

laat de gedachte aan Jeruzalem opkomen in uw hart.

51Zeg dan maar: Wij zijn beschaamd geworden, want wij hebben smaad gehoord,

het schaamrood heeft ons gezicht bedekt,

want vreemden zijn gekomen

op de heilige plaatsen van het huis van de HEERE.

52Daarom zie, er komen dagen,

spreekt de HEERE,

dat Ik zijn beelden zal straffen,

en de dodelijk gewonden zullen kermen in heel zijn land.

53Al klom Babel op naar de hemel,

en al versterkte het de hoogte van zijn vesting,

toch zullen van Mij uit verwoesters erover komen,

spreekt de HEERE.

54Hoor, geschreeuw vanuit Babel,

een grote ramp51:54 ramp - Letterlijk: breuk. vanuit het land van de Chaldeeën.

55Want de HEERE is Babel aan het verwoesten

en Hij zal het grote geluid eruit doen vergaan;

want hun golven zullen bruisen als machtige wateren,

hun gebruis zal klinken.

56Want de verwoester zal erover komen, over Babel,

en zijn helden zullen gevangen worden genomen,

hun bogen zijn verbroken,

want de HEERE is een God van vergeldingen,

Hij zal het hem zeker vergelden.

57Ik zal zijn vorsten, zijn wijzen, zijn landvoogden, zijn machthebbers en zijn helden dronken maken, en zij zullen een eeuwige slaap slapen en niet ontwaken, spreekt de Koning, van Wie de Naam HEERE van de legermachten is.

58Zo zegt de HEERE van de legermachten:

De brede muur van Babel

zal zeker geslecht worden,

en zijn hoge poorten

zullen met vuur aangestoken worden.

Zo hebben de volken zich voor niets moe gemaakt,

de natiën voor vuur – en zij zijn afgemat.

59Het woord dat de profeet Jeremia als opdracht gaf aan Seraja, de zoon van Neria, de zoon van Machseja, toen deze vanwege Zedekia, de koning van Juda, naar Babel ging, in het vierde jaar van zijn regering. Seraja nu was kwartiermeester.

60En Jeremia schreef al het onheil dat over Babel zou komen op een boekrol, al deze woorden die geschreven zijn tegen Babel.

61En Jeremia zei tegen Seraja: Zodra u in Babel komt, zult u het bezien en al deze woorden voorlezen,

62en zeggen: HEERE, U hebt Zelf over deze plaats gesproken dat U hem zult uitroeien, zodat er geen inwoner meer in is, van mens tot dier, maar dat hij zal worden tot eeuwige woestenijen.

63Dan zal het gebeuren, zodra u het voorlezen van deze boekrol beëindigt, dat u daaraan een steen zult binden en hem midden in de Eufraat zult werpen.

64Dan moet u zeggen: Zo zal Babel wegzinken en niet meer boven komen, vanwege het onheil dat Ik erover zal brengen. En zij zullen afgemat zijn.

Tot zover de woorden van Jeremia.

52

De verwoesting van Jeruzalem

521Zedekia was

52:1
2 Kon. 24:18
eenentwintig jaar oud, toen hij koning werd. Elf jaar regeerde hij in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, uit Libna.

2Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig alles wat Jojakim gedaan had.

3Want het gebeurde vanwege de toorn van de HEERE tegen Jeruzalem en Juda dat Hij hen verwierp van voor Zijn aangezicht. En Zedekia kwam in opstand tegen de koning van Babel.

4Het gebeurde in het

52:4
2 Kon. 25:1
Jer. 39:1
negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem kwam, hij en heel zijn leger. Zij belegerden de stad en bouwden er rondom schansen tegenaan.

5Zo werd de stad belegerd tot het elfde jaar van koning Zedekia.

6In de vierde maand, op de negende van de maand, toen de hongersnood in de stad zo sterk geworden was dat de bevolking van het land geen brood meer had,

7werd de stad opengebroken. Alle strijdbare mannen vluchtten en trokken 's nachts de stad uit via de poort tussen de twee muren, die zich bij de tuin van de koning bevond, terwijl de Chaldeeën rondom voor de stad lagen. En zij gingen in de richting van de Vlakte.

8Maar het leger van de Chaldeeën achtervolgde de koning en zij haalden Zedekia in op de vlakten van Jericho. Heel zijn leger werd van hem gescheiden en verspreid.

9Toen grepen zij de koning en brachten hem naar de koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath. En die sprak het vonnis over hem uit.

10De koning van Babel liet de zonen van Zedekia voor diens ogen afslachten. Ook liet hij in Ribla alle vorsten van Juda afslachten.

11Verder liet hij de ogen van Zedekia blind maken en hem met twee bronzen ketenen binden. Zo bracht de koning van Babel hem naar Babel en zette hem in de gevangenis tot de dag van zijn dood.

12Daarna, in de vijfde maand, op de tiende van de maand – dat jaar was het negentiende regeringsjaar van koning Nebukadrezar, de koning van Babel – kwam Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, die in dienst52:12 in dienst - Letterlijk: voor het aangezicht. stond van de koning van Babel, in Jeruzalem.

13Hij verbrandde het huis van de HEERE, het huis van de koning en alle huizen van Jeruzalem. Ja, alle huizen van de aanzienlijken verbrandde hij met vuur.

14Heel het leger van de Chaldeeën dat de bevelhebber van de lijfwacht bij zich had, brak alle muren rondom Jeruzalem af.

15En enkelen van de armsten van het volk, de rest van het volk dat in de stad was overgebleven, de overlopers die naar de koning van Babel waren overgelopen, en de rest van de menigte voerde Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, in ballingschap.

16Maar enkelen van de armsten van het land liet Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, als wijnbouwers en akkerbouwers achter.

17En de koperen

52:17
Jer. 27:19
pilaren die aan het huis van de HEERE toebehoorden, de onderstellen en de koperen zee die in het huis van de HEERE waren, braken de Chaldeeën stuk. Al het koper daarvan voerden zij naar Babel.

18Ook namen zij de potten mee, de scheppen, de messen, de sprengbekkens, de offerschalen en alle koperen voorwerpen waarmee men de dienst deed.

19De bevelhebber van de lijfwacht nam de schalen, de vuurschalen, de sprengbekkens, de potten, de kandelaars, de offerschalen en de kommen mee – al wat geheel van goud en geheel van zilver was.52:19 al wat … was - Letterlijk: dat wat van goud goud en dat wat van zilver zilver.

20De twee pilaren, de ene zee en de twaalf koperen runderen die eronder stonden, namelijk de onderstellen die koning Salomo voor het huis van de HEERE gemaakt had – het koper van al deze voorwerpen was niet te wegen.

21Wat betreft de

52:21
1 Kon. 7:15
2 Kon. 25:17
2 Kron. 3:15
pilaren: een pilaar was achttien el hoog, een draad van twaalf el kon hem omspannen. De dikte ervan was vier vingers, en hij was hol.

22Daarop zat een kapiteel van koper. De hoogte van een kapiteel was vijf el. Het vlechtwerk en de granaatappels rondom op het kapiteel waren helemaal van koper. En de tweede pilaar had zoals deze eerste, eveneens granaatappels.

23Er waren zesennegentig granaatappels aangebracht in alle windrichtingen. Het totaal van alle granaatappels was honderd, rondom op het vlechtwerk.

24Ook nam de bevelhebber van de lijfwacht Seraja, de hoofdpriester, Zefanja, de tweede priester, en de drie deurwachters mee.

25En uit de stad nam hij een hoveling mee die over de strijdbare mannen aangesteld was, en zeven mannen uit degenen die het aangezicht van de koning mochten zien, die in de stad werden aangetroffen, met de schrijver van de bevelhebber van het leger, die ten behoeve van de oorlog de bevolking van het land inschreef, en zestig man van de bevolking van het land, die binnen de stad werden aangetroffen.

26Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, nam hen mee en bracht hen naar de koning van Babel in Ribla.

27De koning van Babel liet hen neerslaan en doden in Ribla, in het land van Hamath. Zo werd Juda uit zijn land in ballingschap weggevoerd.

28Dit is het volk dat Nebukadrezar in ballingschap heeft gevoerd: in het zevende jaar drieduizend drieëntwintig Judeeërs,

29in het achttiende regeringsjaar van Nebukadrezar achthonderdtweeëndertig personen uit Jeruzalem.

30In het drieëntwintigste regeringsjaar van Nebukadrezar voerde Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, van de Judeeërs zevenhonderdvijfenveertig personen in ballingschap. Alle personen bij elkaar: vierduizend zeshonderd.

Jojachin gratie verleend

31

52:31
2 Kon. 25:27
Het gebeurde in het zevenendertigste jaar van de ballingschap van Jojachin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de vijfentwintigste van de maand, dat Evil-Merodach, de koning van Babel, in het eerste jaar van zijn koningschap, Jojachin, de koning van Juda, gratie verleende52:31 gratie verleende - Letterlijk: het hoofd verhief. en hem uit de gevangenis haalde.

32Hij sprak vriendelijk met hem en stelde zijn zetel boven de zetel van de koningen die met hem in Babel waren.

33Jojachin legde zijn gevangeniskleren af en gebruikte steeds de maaltijd52:33 gebruikte … maaltijd - Letterlijk: at steeds brood. bij hem, al de dagen van zijn leven.

34En wat betreft zijn levensonderhoud: een voortdurend levensonderhoud werd hem door de koning van Babel verstrekt, een dagelijkse hoeveelheid,52:34 een dagelijkse hoeveelheid - Letterlijk: een zaak van een dag op zijn dag. tot de dag van zijn dood, al de dagen van zijn leven.