Herziene Statenvertaling (HSV)
4

41Als u zich bekeert, Israël, spreekt de HEERE,

bekeer u dan tot Mij,

en als u uw afschuwelijke afgoden wegdoet van voor Mijn aangezicht,

en niet meer rondzwerft,

2en als u zweert: Zo waar de HEERE leeft, in

4:2
Jes. 48:1
waarheid,

in recht en in gerechtigheid,

dan zullen de heidenvolken zich in Hem

4:2
Gen. 22:18
zegenen

en zich in Hem beroemen.

3Want zo zegt de HEERE

tegen de mannen van Juda en tegen Jeruzalem:

Ploeg voor uzelf ongeploegd land om!

Zaai niet tussen de dorens.

4Besnijd u voor de HEERE

en doe de voorhuid van uw

4:4
Deut. 10:16
30:6
hart weg,

mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem;

anders zal Mijn grimmigheid uitslaan als een

4:4
Jes. 65:5
vuur

en branden zonder dat iemand kan blussen,

vanwege uw slechte daden.

5Maak het in Juda bekend,

laat het in Jeruzalem horen en zeg:

Blaas de bazuin in het land,

roep luidkeels4:5 roep luidkeels - Letterlijk: roep, vul en zeg:

Verzamel u, en laten we gaan

naar de versterkte steden.

6Hef de banier omhoog naar Sion,

breng u in veiligheid, sta niet stil,

want Ik ga onheil brengen vanuit het noorden,

een grote ramp!4:6 ramp - Letterlijk: breuk; zie ook vers 20.

7Een

4:7
Jes. 5:29
Jer. 2:15
5:6
leeuw is opgesprongen uit zijn struikgewas,

de verderver van de heidenvolken is uitgetrokken,

is zijn plaats uitgegaan

om van uw land een woestenij te maken,

uw steden zullen

4:7
Jer. 2:15
vernietigd worden,

zodat er geen inwoner meer is.

8Omgord u daarom met een rouwgewaad,

4:8
Jes. 32:12
bedrijf rouw en weeklaag,

want de brandende toorn van de HEERE

keert zich niet van ons af.

9Op die dag zal het gebeuren, spreekt de HEERE:

vergaan zal de moed4:9 de moed - Letterlijk: het hart. van de koning

en de moed van de vorsten,

de priesters zullen ontzet zijn

en de profeten verbijsterd.

10Toen zei ik: Ach, Heere HEERE,

voorwaar, U hebt dit volk en Jeruzalem ten zeerste bedrogen

door te zeggen: U zult vrede hebben.

Het zwaard wordt ons immers op de keel gezet.

11In die tijd zal gezegd worden

tegen dit volk en tegen Jeruzalem:

Een zinderende wind van de kale hoogten

in de woestijn is op weg naar de dochter van Mijn volk,

maar niet om te wannen, en niet om te zuiveren.

12Een wind, sterker dan deze, komt er van Mij aan.

Nu zal Ik ook oordelen

over hen uitspreken.

13Zie, als wolken komt de vijand opzetten,

als een wervelwind komen zijn wagens,

sneller dan arenden zijn zijn paarden.

Wee ons, want wij worden verwoest!

14

4:14
Jes. 1:16
Was het kwaad van uw hart af, Jeruzalem,

opdat u verlost wordt.

Hoelang laat u uw zondige gedachten

in uw binnenste overnachten?

15Want een stem verkondigt het uit Dan

en doet onheil horen uit het bergland van Efraïm.

16Roep het in herinnering bij de volken, zie,

laat Jeruzalem het horen:

Er komen belegeraars uit een ver land,

zij laten hun stem klinken tegen de steden van Juda.

17Zoals wachters van de velden staan zij rondom tegenover haar,

omdat zij Mij ongehoorzaam is geweest, spreekt de HEERE.

18Uw wegen en uw daden

hebben u deze dingen aangedaan.

Dit is uw kwaad, dat het zo bitter is,

dat het u in uw hart treft.

19Mijn

4:19
Jes. 21:4
Jer. 9:1
binnenste, mijn binnenste, ik krimp ineen,

wanden van mijn hart!

Mijn hart is onrustig in mij,

ik kan niet zwijgen,

want u, mijn ziel, hoort bazuingeschal

en krijgsgeschreeuw.

20Ramp op ramp, wordt er geroepen,

want heel het land werd verwoest.

Plotseling zijn mijn tenten verwoest,

in een ogenblik mijn tentkleden.

21Hoelang moet ik de banier nog zien,

het bazuingeschal horen?

22Voorzeker, Mijn volk is dwaas,

men kent Mij niet.

Verstandeloze kinderen zijn het,

inzicht heeft men niet.

Wijs is men in kwaaddoen,

maar van goeddoen weet men niet.

23Ik zag het land, en zie, het was woest en leeg,

en keek naar de hemel – zijn licht was er niet.

24Ik zag de bergen, en zie, zij beefden,

en alle heuvels schudden door elkaar.

25Ik zag, en zie, er was geen mens,

en alle vogels in de lucht waren weggevlogen.

26Ik zag, en zie, het vruchtbare land was woestijn,

en al zijn steden waren afgebroken,

door de HEERE,

door Zijn brandende toorn.

27Want zo zegt de HEERE:

Heel het land zal een woestenij worden –

toch zal Ik er geen

4:27
Jer. 5:10,18
30:11
46:28
vernietigend einde aan maken.

28Hierom zal de aarde treuren

en de hemel daarboven in zwart gehuld worden,

want Ik heb gesproken, Ik heb het Mij voorgenomen,

en Ik zal geen berouw krijgen en er niet op terugkomen.

29Voor het geroep van ruiters en boogschutters

slaat heel de stad op de vlucht.

Ze gaan de struiken in

of klimmen op de rotsen.

Elke stad is verlaten –

niemand die er nog in woont.

30U, verwoeste, wat gaat u nu doen?

Al zou u zich kleden in karmozijn,

al zou u zich tooien met een gouden sieraad,

al zou u uw ogen opmaken met oogschaduw,

tevergeefs zou u zich mooi maken.

Uw minnaars verwerpen u,

staan u naar het leven.

31Want ik hoor een geluid als van een vrouw in barensnood,

benauwdheid als van een die haar eerste kind aan het baren is.

Het is het geluid van de dochter van Sion, zij snakt naar adem,

zij spreidt haar handen uit:

Wee mij toch! Want mijn ziel is uitgeput,

vanwege de moordenaars.

5

Is er een die recht doet?

51Trek rond door de straten van Jeruzalem,

kijk toch en let op,

zoek op zijn pleinen,

of u iemand vindt,

of er een is die recht doet,

een die betrouwbaarheid nastreeft,

dan zal Ik Jeruzalem vergeven.

2Als ze zeggen “Zo waar de HEERE leeft”,

leggen zij toch een valse eed af.

3HEERE, zien Uw ogen

niet uit naar betrouwbaarheid?

U hebt hen

5:3
Jes. 1:5
9:12
Jer. 2:30
geslagen, maar zij voelden geen pijn.

U hebt hen omgebracht, maar zij weigerden

5:3
Jer. 2:30
vermaning te aanvaarden.

Zij hebben hun gezichten harder gemaakt dan een rots,

zij hebben geweigerd zich te bekeren.

4Ík zei echter: Zij zijn maar geringe mensen,

zij gedragen zich als dwazen,

omdat zij de weg van de HEERE niet kennen,

het recht van hun God.

5Laat ik naar de aanzienlijken5:5 de aanzienlijken - Letterlijk: de groten. gaan

en met hen spreken,

want die kennen de weg van de HEERE wel,

het recht van hun God.

Zij echter hebben samen het juk gebroken,

de banden verscheurd.

6Daarom zal een

5:6
Jer. 4:7
leeuw uit het woud hen doden,

een wolf van de vlakten zal hen uiteenrijten,

terwijl een luipaard op de loer ligt bij hun steden,

– al wie daar uitgaat, wordt verscheurd –

want hun overtredingen zijn talrijk geworden,

machtig veel hun afdwalingen.

7Hoe zou Ik u dit vergeven?

Uw kinderen hebben Mij verlaten

en zweren bij wat geen goden zijn.

Als Ik hun overvloed geef,5:7 overvloed geef - Letterlijk: verzadig. plegen zij overspel,

en in het hoerenhuis drommen zij samen.

8Weldoorvoede,

5:8
Ezech. 22:11
hitsige hengsten zijn het,

ieder hinnikt naar de vrouw van zijn naaste.

9

5:9
Vers
Zou Ik deze dingen niet straffen?

spreekt de HEERE,

of op een volk als dit

Mijzelf niet wreken?

10Klim zijn wijnbergen op, richt ze te gronde,

maar maak er geen

5:10
Jer. 4:27
vernietigend einde aan.

Verwijder zijn ranken,

want die zijn niet van de HEERE.

11Zij hebben immers volkomen

5:11
Jer. 3:20
trouweloos tegen Mij gehandeld,

het huis van Israël en het huis van Juda, spreekt de HEERE.

12Zij hebben de HEERE verloochend

en zeggen: Hij is het niet!

Geen onheil

5:12
Jes. 28:15
zal over ons komen,

zwaard of honger zullen wij niet zien!

13Die profeten zullen worden als wind,

het woord is niet bij hen. Zo zal aan hen gedaan worden.

14Daarom, zo zegt de HEERE,

de God van de legermachten:

Omdat u dit woord spreekt,

zie, Ik ga

5:14
Jer. 1:9
Mijn woorden

in uw mond tot vuur maken

en dit volk tot hout,

zodat het hen zal verteren.

15Zie, Ik ga over u

een volk van

5:15
Deut. 28:49
Jer. 1:15
6:22
ver weg brengen,

huis van Israël, spreekt de HEERE.

Een taai volk is het,

een volk, van oude tijden af is het er,

een volk waarvan u de taal niet kent,

en niet verstaat wat het spreekt.

16Zijn pijlkoker is als een open graf,

het zijn allen helden.

17Verslinden zal het uw

5:17
Lev. 26:16
Deut. 28:31,33
oogst en uw brood,

verslinden zullen ze uw zonen en uw dochters,

verslinden zal het uw schapen en uw runderen,

verslinden uw wijnstok en uw vijgenboom,

met het zwaard uw versterkte steden verwoesten,

waarop u vertrouwt.

18Maar ook in die dagen, spreekt de HEERE, zal Ik geen

5:18
Jer. 4:27
vernietigend einde aan u maken.

19En het zal gebeuren, wanneer u zult zeggen:

5:19
Jer. 16:10
Waarom heeft de HEERE, onze God, ons al deze dingen aangedaan? dat u tegen hen zult zeggen: Zoals u Mij hebt verlaten en vreemde goden bent gaan dienen in uw land, zo zult u vreemden dienen in een land dat niet het uwe is.

20Maak dit aan het huis van Jakob bekend,

laat het horen in Juda:

21

5:21
Jes. 6:9
Hoor toch dit,

dwaas volk, zonder verstand,5:21 verstand - letterlijk: hart.

zij hebben ogen, maar zij zien niet,

zij hebben oren, maar zij horen niet.

22Zou u voor Mij niet bevreesd zijn, spreekt de HEERE,

of zou u voor Mijn aangezicht niet beven?

Ik, Die het zand gemaakt heb tot een

5:22
Job 38:10,11
Ps. 33:7
104:9
grens voor de zee,

een eeuwige verordening, die zij niet zal overschrijden.

Al kolken haar golven, zij zullen niets kunnen uitrichten,

al bruisen zij, zij zullen hem niet overschrijden.

23Maar dit volk heeft

een opstandig, ongehoorzaam hart,

zij zijn afgeweken, zij gingen hun eigen weg.

24Ze zeggen niet in hun hart:

Laten wij toch de HEERE, onze God, vrezen,

Die de regen geeft,

5:24
Deut. 11:14
zowel vroege regen als late regen, op zijn tijd,

Die de vastgestelde weken van de oogst voor ons bewaakt.

25Uw ongerechtigheden wenden die dingen af,

uw zonden onthouden u het goede.

26Want onder Mijn volk

worden goddelozen gevonden.

Men ligt op de loer,

ineengedoken als vogelvangers.

Zij zetten een vernielende strik,

mensen vangen zij.

27Hun huizen zijn zo vol bedrog

als een kooi vol vogels.

Daarom zijn zij groot en rijk geworden,

28

5:28
Deut. 32:15
vet en vadsig.

Zelfs overtreffen zij de slechtste dingen:

geen

5:28
Jes. 1:23
Zach. 7:10
rechtszaak behartigen zij,

zelfs niet de rechtszaak van een wees, en toch hebben ze voorspoed,

het recht van de armen laten zij niet gelden.

29

5:29
Vers
Zou Ik vanwege deze dingen niet straffen?

spreekt de HEERE,

of op een volk als dit

Mijzelf niet wreken?

30Iets verschrikkelijks, iets afschuwelijks

gebeurt er in het land:

31de profeten profeteren

5:31
Jer. 14:18
23:25,26
Ezech. 13:6
leugens,

de priesters heersen door hun handen,

en Mijn volk heeft het graag zo.

Maar wat zult u doen aan het einde hiervan?

6

Het beleg en de wegvoering

61Breng u in veiligheid, nakomelingen van Benjamin,

uit het midden van Jeruzalem!

Blaas de bazuin in Tekoa,

geef een vuursignaal af boven Beth-Cherem!

Want er ziet onheil neer vanuit het

6:1
Jer. 1:13,14
noorden,

een grote ramp!6:1 ramp - Letterlijk: breuk.

2Die bekoorlijke en die verwende,

Ik roei de dochter van Sion uit.

3Er komen herders naar haar toe

met hun kudden.

Zij zetten rondom tegen haar tenten op,

ieder weidt zijn stukje af.

4Verklaar haar de oorlog!6:4 Verklaar haar de oorlog! - Letterlijk: Heilig de oorlog tegen haar.

Sta op, laten we midden op de dag oprukken!

Wee ons, want de dag is bijna verstreken,

want de avondschaduwen worden langer.

5Sta op, laten we dan in de nacht oprukken,

laten we haar paleizen te gronde richten!

6Want zo zegt de HEERE van de legermachten:

Hak bomen om, werp tegen Jeruzalem een belegeringsdam op.

Dit is de stad die gestraft zal worden, enkel onderdrukking is in haar midden!

7Zoals een bron zijn water opwelt,

zo welt zij haar slechtheid op.

Geweld en verwoesting wordt in haar gehoord,

voor Mijn aangezicht is voortdurend ziekte en plaag.

8Laat u straffen, Jeruzalem,

anders zal Mijn ziel zich van u losrukken,

anders zal Ik een woestenij van u maken,

een onbewoond land!

9Zo zegt de HEERE van de legermachten:

Zij zullen het overblijfsel van Israël

als een wijnstok nauwkeurig nalopen.

6:9
Jes. 24:13
Laat uw hand terugkeren

als een druivenplukker langs de ranken.

10Tegen wie zal ik spreken,

en wie zal ik waarschuwen dat zij zullen luisteren?

Zie, onbesneden is hun

6:10
Jer. 7:26
oor,

zodat ze niet in staat zijn om er acht op te slaan,

zie, het woord van de HEERE is hun

tot smaad, ze vinden er geen vreugde in.

11Daarom ben ik vol van de grimmigheid van de HEERE,

ik ben het moe haar in te houden.

Giet haar dan uit over de kleine kinderen op straat,

over de kring van de jongemannen bij elkaar.

Ja, ook de man zal met de vrouw gevangen worden genomen,

de oudere met de hoogbejaarde.6:11 hoogbejaarde - Letterlijk: vol van dagen.

12

6:12
Deut. 28:30
Hun huizen zullen overgaan in de handen van anderen,

samen met de akkers en de vrouwen,

want Ik zal Mijn hand uitstrekken

tegen de inwoners van dit land,

spreekt de HEERE.

13Want van hun kleinste tot hun grootste,

ieder van hen is uit op winstbejag.

Van profeet tot priester

6:13
Jes. 56:11
Jer. 8:10
pleegt ieder van hen bedrog.

14

6:14
Jer. 8:11
Ezech. 13:10
Zij genezen de breuk van Mijn volk

op het lichtst, door te zeggen:

Vrede, vrede! Maar er is geen vrede.

15Staan zij beschaamd, omdat zij een gruweldaad gedaan hebben?

Ze schamen zich niet in het minst,

ja, zij weten van geen blozen.

Daarom zullen zij vallen onder hen die vallen;

ten tijde dat Ik hen zal straffen, zullen zij struikelen,

zegt de HEERE.

16Zo zegt de HEERE:

Ga staan op de wegen, en zie,

vraag naar de aloude paden,

waar toch de goede weg is, en bewandel die.

6:16
Matt. 11:29
Dan zult u rust vinden voor uw ziel.

Maar zij zeggen: Wij bewandelen die niet.

17Ik heb wachters over u aangesteld:

Sla acht op het geluid van de bazuin!

Maar zij zeggen: Daar slaan wij geen acht op.

18Daarom, heidenvolken, luister,

weet, gemeenschap,

wat er onder hen leeft!

19Luister, aarde,

zie, Ik breng onheil

over dit volk.

Dat is de vrucht van hun gedachten.

Want op Mijn woorden hebben zij geen acht geslagen,

en Mijn wet, die hebben zij verworpen.

20

6:20
Jes. 1:11
66:3
Amos 5:21
Micha 6:6
Waarom zou voor Mij wierook uit Sjeba moeten komen

en de beste kalmoes uit een ver land?

Uw brandoffers zijn Mij niet welgevallig,

en uw slachtoffers zijn Mij niet aangenaam.

21Daarom, zo zegt de HEERE:

Zie, Ik ga dit volk

struikelblokken geven waarover zij zullen struikelen:

de vaders samen met de zonen,

de buurman met zijn naaste, zij zullen omkomen.

22Zo zegt de HEERE:

Zie, een volk komt uit het land in het noorden,

een

6:22
Jer. 50:41,42,43
grote natie zal opgewekt worden van de uithoeken van de aarde.

23Boog en werpspies grijpen zij vast,

meedogenloos is het, zij zullen geen medelijden hebben.

Hun geluid bruist als de zee,

en zij rijden op paarden,

als mannen opgesteld voor de strijd

tegen u, dochter van Sion.

24Wij hebben het gerucht over hem gehoord, wij hebben de moed verloren,6:24 wij … verloren - Letterlijk: onze handen zijn slap geworden.

benauwdheid heeft ons aangegrepen, smart als van een

6:24
Jer. 4:31
49:24
50:43
barende vrouw.

25Trek het veld niet in, ga de weg niet op,

want daar is het zwaard van de vijand, angst van rondom.

26Dochter van Mijn volk,

6:26
Jer. 4:8
omgord u met een rouwgewaad,

wentel u in de as,

bedrijf rouw over een enig kind,

betoon een zeer bittere rouwklacht,

want plotseling zal over ons

de verwoester komen.

27Ik heb u aangesteld tot keurmeester onder Mijn volk, tot een vesting,6:27 Ik … vesting - Zie Jeremia 1:18.

opdat u hun weg zou kennen en beproeven.

28Zij allen zijn de afvalligsten van de afvalligen,

zij gaan rond met lasterpraat, als

6:28
Ezech. 22:18
koper en ijzer zijn ze,

verdervers zijn het, allemaal.

29De blaasbalg is verbrand,

het lood is door het vuur vergaan,

tevergeefs heeft de smelter zo ijverig gesmolten,

want de slechten zijn niet uitgezuiverd.

30Verworpen zilver noemt men hen,

want de HEERE heeft hen

6:30
Jes. 1:22
verworpen.