Herziene Statenvertaling (HSV)
48

Profetie over Moab

481Over

48:1
Jer. 25:21
27:3
Moab. Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël:

Wee over Nebo, want het is verwoest!

Kirjathaïm staat beschaamd, het is ingenomen.

De veilige vesting staat beschaamd en is ontsteld.

2Moabs roem is er niet meer,

in Hesbon hebben zij kwaad tegen hem bedacht:

Kom, laten we het uitroeien, zodat het geen volk meer is.

Ook u, Madmen, zult verdelgd worden,

het zwaard zal u achtervolgen.

3Hoor, geschreeuw uit Horonaïm:

Verwoesting, een grote ramp!48:3 ramp - Letterlijk: breuk.

4Moab is gebroken,

zijn kleine kinderen hebben geschreeuw laten horen.

5Ja, de weg omhoog naar Luhith

gaat men met

48:5
Jes. 15:5
voortdurend geween op.

Ja, op de weg omlaag naar Horonaïm

hebben tegenstanders noodgeschrei gehoord.

6Vlucht, red uw leven!

Word als een

48:6
Jer. 17:6
kale struik48:6 een kale struik - Hebreeuws: Aroër. in de woestijn.

7Want vanwege uw vertrouwen

op uw vestingwerken en op uw schatten

zult ook u ingenomen worden.

Kamos zal in ballingschap weggaan,

zijn

48:7
Jer. 49:3
priesters en zijn vorsten samen.

8Want de verwoester zal komen naar elke stad,

geen stad zal ontkomen.

Het dal zal vergaan,

de vlakte zal weggevaagd worden,

zoals de HEERE het heeft gezegd.

9Geef Moab vleugels,

want vliegend zal het weggaan.

Zijn steden zullen tot een verwoesting worden,

zodat er geen inwoner meer is.

10Vervloekt wie het werk van de HEERE traag48:10 traag - Letterlijk: bedrieglijk. uitvoert,

ja, vervloekt wie zijn zwaard bloed onthoudt.

11Moab is vanaf zijn jeugd zonder zorgen geweest,

en heeft als wijn op zijn

48:11
Zef. 1:12
droesem stilgelegen.

Het is niet van het ene vat in het andere overgegoten:

het is niet in ballingschap gegaan.

Daarom heeft het zijn smaak behouden

en is zijn geur niet veranderd.

12Daarom, zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik aftappers naar hem toe zal sturen om hem af te tappen. Zij zullen hun vaten leegmaken en hun kruiken stukslaan.

13Moab zal beschaamd worden vanwege Kamos, zoals het huis van Israël beschaamd is vanwege Bethel,

48:13
1 Kon. 12:29
hun vertrouwen.

14Hoe kunt u zeggen:

Wij zijn helden,

dappere mannen, gereed voor de strijd?

15Moab is verwoest en uit zijn steden opgetrokken,

en de keur van hun jongemannen is afgevoerd ter slachting,

spreekt de Koning

HEERE van de legermachten is Zijn Naam.

16De ondergang van Moab is nabij, die is in aantocht,

zijn onheil haast zich zeer.

17Beklaag hem, allen rondom hem,

allen die zijn naam kennen.

Zeg: Hoe is de machtige scepter gebroken,

die sierlijke staf!

18Daal af uit uw luister, verblijf in dorst,

u die hier woont, dochter van Dibon,

want de verdelger van Moab is tegen u opgetrokken,

hij heeft uw vestingen verwoest.

19Ga aan de weg staan, en zie uit,

inwoonster van Aroër.

Vraag hem die vlucht en haar die ontkomt,

zeg: Wat is er gebeurd?

20Moab staat beschaamd, want het is ontsteld.

48:20
Jes. 16:7
Weeklaag, schreeuw het uit,

maak in Arnon bekend

dat Moab verwoest is.

21Ja, het oordeel is gekomen over het land van de vlakte, over Holon, over Jahza en over Mefaäth,

22over Dibon, over Nebo en over Beth-Diblathaïm,

23over Kirjathaïm, over Beth-Gamul en over Beth-Meon,

24over Kerioth en over Bozra, ja, over alle steden van het land Moab, die ver en dichtbij zijn.

25De hoorn van Moab is afgehakt

en zijn arm is gebroken,

spreekt de HEERE.

26Maak hem dronken, want hij heeft zich groot gemaakt tegen de HEERE. Moab zal met de handen klappen in zijn braaksel, zodat het zelf ook belachelijk wordt.

27Of is Israël voor u niet geweest om te belachen? Is hij aangetroffen onder dieven, dat u zo dikwijls als u over hem sprak, schudde van het lachen?

28Verlaat de steden, woon in rotsen,

inwoners van Moab.

Word als een duif die nestelt

in de openingen van een rotsspleet.48:28 in de openingen … rotsspleet - Letterlijk: in de zijden van de opening van een spleet.

29Wij hebben gehoord van de

48:29
Jes. 16:6
trots van Moab,

dat zeer hoogmoedig is,

van zijn hoogheid, zijn trots, zijn hoogmoed,

en zijn hooghartigheid.

30Ík ken zijn overmoed, spreekt de HEERE,

zijn holle praat is niet gepast,

zij doen wat niet gepast is!

31Daarom zal ik over Moab weeklagen,

ja, het over heel Moab uitschreeuwen,

om de mannen van Kir-Heres zal men zuchten.

32Meer dan het bewenen van Jaëzer zal ik om u wenen,

wijnstok van Sibma.

Uw ranken zijn de zee overgestoken,

zij hebben tot aan de zee van Jaëzer gereikt.

Op uw zomervruchten en op uw wijnoogst

heeft een verwoester zich geworpen.

33Zo zijn de

48:33
Jes. 16:10
blijdschap en de vreugde weggenomen

van het vruchtbare veld, namelijk het land Moab.

De wijn uit de perskuipen heb Ik doen ophouden,

men zal geen druiven treden onder vreugderoep,

de vreugderoep zal geen vreugderoep zijn.

34Vanwege het geschreeuw van Hesbon, te horen tot aan Eleale, tot aan Jahaz, laten zij hun stem klinken, van

48:34
Jes. 15:5,6
Zoar tot aan Horonaïm, Eglath Selisia.48:34 Eglath Selisia - Of: Driejarige Koe. Want zelfs de wateren van Nimrim worden tot woestenijen.

35Ik zal in Moab doen ophouden, spreekt de HEERE,

wie offert op de hoogte

en wie reukoffers brengt aan zijn goden.

36Daarom klaagt mijn hart om Moab als de fluiten,

ja, klaagt mijn hart om de mannen van Kir-Heres als de fluiten,

omdat de overvloed die het verwierf, verloren is.

37Want elk

48:37
Jes. 15:2,3
hoofd is kaalgeschoren,

elke baard is afgesneden,

op alle handen zijn

48:37
Jer. 47:5
insnijdingen,

om de heupen is een rouwgewaad.

38Op alle daken van Moab, op alle pleinen,

overal is rouwklacht,

want Ik heb Moab stukgebroken

als een pot waaraan niemand waarde hecht,

spreekt de HEERE.

39Hoe is het ontsteld! Zij weeklagen:

Hoe heeft Moab zich48:39 zich - Letterlijk: de nek. met schaamte afgewend!

Moab is belachelijk geworden en tot een verschrikking

voor allen die er omheen wonen.

40Want zo zegt de HEERE:

Zie, hij zal als een

48:40
Jer. 4:13
arend aan komen zweven

en zijn vleugels over Moab uitspreiden.

41Kerioth wordt ingenomen,

de bergvestingen veroverd,

het hart van Moabs helden zal op die dag zijn

als het hart van een vrouw in barensnood.

42Zo zal Moab weggevaagd worden, zodat het geen volk meer is,

omdat het zich groot gemaakt heeft tegen de HEERE.

43Angst, valkuil en strik

over u, inwoner van Moab, spreekt de HEERE.

44Wie uit angst vlucht,

zal in de kuil vallen,

wie uit de kuil opklautert,

wordt in de strik gevangen.

Ja, Ik zal daarover, over Moab, brengen

het jaar van hun vergelding,

spreekt de HEERE.

45Zij gingen in de schaduw van Hesbon staan,

zij die vluchtten voor de macht van de vijand.

Want

48:45
Num. 21:28
vuur is uitgegaan van Hesbon,

een vlam van binnen Sihon.

Het heeft de slapen verteerd van Moab,

en de schedel van die druktemakers.

46Wee u, Moab,

het volk van Kamos is ten onder gegaan,

want uw zonen zijn meegenomen in gevangenschap,

evenals uw dochters in gevangenschap.

47In later tijd48:47 In later tijd - Letterlijk: Aan het einde van de dagen. echter, spreekt de HEERE,

zal ik een omkeer brengen in de gevangenschap van Moab.

Tot zover het oordeel over Moab.

49

Profetie over Ammon

491Over de Ammonieten.

Zo zegt de HEERE:

Heeft Israël geen kinderen

of heeft het geen erfgenaam?

Waarom is Malcam dan erfgenaam van

49:1
Amos 1:13
Gad

en woont zijn volk in diens steden?

2Daarom, zie, er komen dagen, spreekt de HEERE,

dat Ik tegen

49:2
Amos 1:14
Rabba van de Ammonieten

krijgsgeschreeuw zal doen horen.

Het zal tot een woeste ruïne worden,

de bijbehorende plaatsen zullen met vuur aangestoken worden.

Dan zal Israël in bezit nemen hen die het in bezit genomen hadden,

zegt de HEERE.

3Weeklaag, Hesbon, want Ai is verwoest,

schreeuw het uit, dochters van Rabba!

Omgord u met rouwgewaden,

49:3
Jes. 32:12
Jer. 4:8
6:26
bedrijf rouw,

loop rond bij de omheiningen,

want Malcam zal in ballingschap gaan,

zijn

49:3
Jer. 48:7
priesters en zijn vorsten samen.

4Wat beroemt u zich op de dalen? Weggevloeid is uw dal,

afvallige dochter,

die vertrouwt op haar

49:4
Jer. 48:7
schatten

en zegt:

49:4
Jer. 21:13
Wie zou er tegen mij opkomen?

5Zie, Ik ga angst over u laten komen,

spreekt de Heere, de HEERE van de legermachten,

overal om u heen.

U zult verdreven worden, ieder voor zich,

en niemand is er die bijeenbrengt wie weggevlucht zijn.

6Maar daarna zal Ik een omkeer brengen in de gevangenschap van de Ammonieten, spreekt de HEERE.

Profetie over Edom

7Over Edom.

Zo zegt de HEERE van de legermachten:

49:7
Obadja vs. 8
Is er geen wijsheid meer in Teman?

Is de raad van verstandige mensen vergaan?

Is hun wijsheid overbodig geworden?

8Vlucht, keer u om, verblijf in diepgelegen plaatsen,

inwoners van

49:8
Jer. 25:23
Dedan!

Want Ik heb de ondergang van Ezau over hem gebracht,

de tijd dat Ik hem straf.

9

49:9
Obadja vs. 5
Als er druivenplukkers bij u komen,

laten zij dan geen nalezing over?

Als er dieven in de nacht komen,

zouden zij dan geen verderf aanrichten tot zij genoeg hebben?

10Ik echter, Ik zal Ezau ontbloten,

Ik zal zijn verborgen plaatsen blootleggen,

zodat hij zich niet kan verstoppen.

Zijn nageslacht wordt verdelgd, evenals zijn broers

en zijn buren – en hij is er niet meer.

11Laat uw wezen achter, Ík zal hen in het leven behouden,

en laten uw weduwen op Mij vertrouwen.

12Want zo zegt de HEERE: Zie, zij die niet verdienden om de beker te moeten drinken,49:12 zij … drinken - Letterlijk: zij van wie het oordeel niet is om te drinken. moeten hem beslist drinken. Zou u dan in enig opzicht voor onschuldig gehouden worden? U zult niet voor onschuldig gehouden worden, maar u moet hem beslist drinken!

13Want Ik heb bij Mijzelf gezworen, spreekt de HEERE, dat Bozra zal worden tot een verschrikking, tot smaad, tot een verwoeste plaats en tot een vloek. Al zijn steden zullen tot eeuwige puinhopen worden.

14Ik heb een

49:14
Obadja vs. 1
bericht gehoord van de HEERE,

een gezant is uitgezonden onder de heidenvolken:

Verzamel u, kom ertegen op,

sta op voor de strijd!

15Want zie, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenvolken,

veracht onder de mensen.

16De schrik voor u heeft u bedrogen,

de

49:16
Jer. 48:29
overmoed van uw hart,

u die woont in rotskloven,

u die zich vastklemt aan hoge heuvels.

Al zou u uw

49:16
Obadja vs. 4
nest zo hoog maken als de arend,

vandaar zal Ik u neerhalen,

spreekt de HEERE.

17Edom zal worden tot een verschrikking.

49:17
Jer. 50:13
Ieder die er voorbijtrekt, zal zich ontzetten en sissen van afschuw over al zijn wonden.

18

49:18
Gen. 19:25
Jer. 50:40
Amos 4:11
Zoals Sodom, Gomorra en hun naburige plaatsen ondersteboven zijn gekeerd, zegt de HEERE, zal daar niemand wonen en zal geen mensenkind erin verblijven.

19

49:19
Jer. 50:44
Zie, zoals een leeuw zal hij opkomen

uit de

49:19
Jer. 12:5
glorie van de Jordaan, tegen de sterke woonplaats;

want in een ogenblik zal Ik hem eruit doen wegsnellen.

En wie daarvoor uitgekozen is, zal Ik erover aanstellen.

Want wie is Mij gelijk en

49:19
Job 41:1
Jer. 50:44,45
wie zou Mij dagvaarden?

En wie is die herder dat hij voor Mijn aangezicht standhouden zou?

20Daarom, hoor het raadsbesluit van de HEERE

dat Hij over Edom genomen heeft,

en Zijn plannen die Hij bedacht heeft

tegen de inwoners van Teman:

Voorwaar, de geringsten van de kudde zullen hen wegslepen!

Voorwaar, men zal hun woonplaats boven hen verwoesten!

21Van het geluid van hun val beeft de aarde,

het geschreeuw – bij de Schelfzee wordt het geluid daarvan gehoord.

22Zie, als een arend stijgt hij op,

49:22
Jer. 48:40
komt hij aanzweven, spreidt hij zijn vleugels uit over Bozra. Het hart van de helden van Edom zal op die dag zijn als het hart van een
49:22
Jer. 48:41
vrouw in barensnood.

Profetie over Damascus

23Over

49:23
Jes. 17:1
Damascus.

Hamath en Arpad staan beschaamd.

Omdat zij een slecht bericht hebben gehoord,

smelten zij weg. Bij de zee is bezorgdheid,

men kan niet tot rust komen.

24Damascus heeft de moed verloren, het keert zich om om te vluchten,

siddering heeft het aangegrepen,

benauwdheid en weeën hebben het aangegrepen als een

49:24
Jer. 4:31
6:24
30:6
barende vrouw.

25Hoe is de stad van de roem verlaten,

de stad van mijn vreugde!

26Daarom zullen haar jongemannen vallen op haar pleinen en alle strijdbare mannen zullen op die dag verdelgd worden, spreekt de HEERE van de legermachten.

27Ik zal een

49:27
Amos 1:4,14
vuur aansteken binnen de muren van Damascus;

dat zal de paleizen van Benhadad verteren.

Profetie over Kedar en de koninkrijken van Hazor

28Over Kedar en over de koninkrijken van Hazor, die Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft verslagen.

Zo zegt de HEERE:

Sta op, ruk op naar Kedar,

en verdelg de mensen van het oosten.

29Zij zullen hun tenten en hun kudden wegnemen,

hun tentkleden en heel hun uitrusting.

Zij zullen hun kamelen voor zichzelf wegnemen,

en zij zullen tegen hen roepen: Angst van rondom!

30Vlucht, vlucht zo snel mogelijk weg,49:30 vlucht zo snel mogelijk weg - Letterlijk: vlucht zeer. verblijf in diepgelegen plaatsen,

inwoners van Hazor, spreekt de HEERE.

Want Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft een raadsbesluit over u genomen

en plannen tegen hen bedacht.

31Sta op, ruk op naar het geruste volk,

dat onbezorgd woont, spreekt de HEERE,

dat geen poorten en geen grendel heeft

– zij wonen alleen.

32Hun kamelen zullen tot buit worden

en hun menigte van vee tot prooi.

Ik zal hen naar alle windstreken verstrooien,

hen die kaalgeschoren zijn aan hun

49:32
Jer. 9:26
25:23
slapen,

en Ik zal van alle kanten

hun ondergang doen komen,

spreekt de HEERE.

33Hazor zal tot een

49:33
Jer. 9:11
10:22
verblijfplaats van jakhalzen worden,

een woestenij tot in eeuwigheid.

Daar zal niemand wonen,

en geen mensenkind erin verblijven.

Profetie over Elam

34Hetgeen als het woord van de HEERE tot de profeet Jeremia gekomen is tegen Elam, aan het begin van het koningschap van Zedekia, koning van Juda:

35Zo zegt de HEERE van de legermachten:

Zie, Ik ga de boog van Elam breken,

de keur van hun gevechtskracht.

36Ik zal over Elam doen komen vier stormwinden,

van de vier einden van de hemel,

en Ik zal hen verstrooien

naar al deze windstreken.

Er zal geen volk zijn

waarheen de verdrevenen uit Elam niet zullen komen.

37Ik zal Elam ontsteld doen staan ten overstaan van hun vijanden,

ten overstaan van wie hen naar het leven staan.

Ik zal onheil over hen brengen:

Mijn brandende toorn, spreekt de HEERE.

Ik zal het zwaard achter hen aan zenden,

tot Ik aan hen een einde zal hebben gemaakt.

38Ik zal Mijn troon opstellen in Elam

en koning en vorsten vandaar verdelgen, spreekt de HEERE.

39Maar het zal in later tijd49:39 in later tijd - Letterlijk: aan het einde van de dagen. gebeuren dat Ik een omkeer zal brengen

in de

49:39
Jer. 48:47
gevangenschap van Elam, spreekt de HEERE.

50

Profetie over Babel

501Het woord dat de HEERE gesproken heeft tegen Babel, tegen het land van de Chaldeeën, door de dienst van de profeet Jeremia:

2Verkondig onder de heidenvolken, laat het horen,

hef een banier omhoog, laat het horen,

verberg het niet, zeg: Babel is ingenomen,

50:2
Jes. 46:1
Jer. 51:44
Bel staat beschaamd, Merodach is verpletterd.

Zijn afgoden staan beschaamd, zijn stinkgoden zijn verpletterd.

3Want een volk rukt ertegen op vanuit het noorden,

en dat zal van zijn land een woestenij maken,

zodat er geen inwoner in zal zijn.

Van mens tot dier – zij zijn weggevlucht, weggegaan.

4In die dagen en in die tijd, spreekt de HEERE,

zullen de Israëlieten komen, zij en de Judeeërs tezamen

– al wenend zullen zij hun weg gaan –

en zij zullen de HEERE, hun God, zoeken.

5Zij zullen vragen naar Sion,

hun gezicht gericht op de weg daarheen.

Zij zullen komen en bij de HEERE gevoegd worden

met een eeuwig verbond, het zal niet vergeten worden.

6Mijn volk – het waren verloren schapen.

Hun herders hadden hen misleid, hen naar de bergen geleid.

Zij gingen van berg naar heuvel.

Zij vergaten hun rustplaats.

7Allen die hen vonden, verslonden hen,

en hun tegenstanders zeiden: Wij laden geen schuld op ons,

omdat zij gezondigd hebben tegen de HEERE,

de

50:7
Jer. 31:23
woonplaats van de gerechtigheid, ja, de hoop van hun vaderen, de HEERE.

8

50:8
Jes. 48:20
Jer. 51:6
Openb. 18:4
Vlucht weg uit het midden van Babel,

uit het land van de Chaldeeën.

Ga weg, wees als bokken

voor de kudde uit!

9Want zie, Ik doe opstaan en tegen Babel optrekken

een menigte van grote volken

uit het land in het noorden. Zij zullen zich ertegen gereedmaken.

Vandaaruit zal het ingenomen worden.

Hun pijlen zijn als van een bedreven held,

zonder uitwerking keert er geen terug.

10Chaldea zal tot buit worden.

Allen die het beroven, zullen verzadigd worden, spreekt de HEERE.

11Omdat u zich verblijdt, omdat u opspringt van vreugde,

plunderaars van Mijn eigendom,

omdat u dartelt als een kalf in pas gemaaid gras,

en u hinnikt als machtige paarden,

12staat uw moeder zeer beschaamd.

Zij die u gebaard heeft, is rood van schaamte.

Zie, Babel is de minste onder de heidenvolken:

woestijn, dorheid en wildernis.

13Vanwege de grote toorn van de HEERE zal het niet bewoond worden,

het zal geheel en al een woestenij worden.

50:13
Jer. 49:17
Ieder die Babel voorbijtrekt, zal zich ontzetten

en sissen van afschuw over al zijn wonden.

14Maak u gereed tegen Babel, rondom,

u allen die de boog spant.

Beschiet het, spaar geen pijl,

want het heeft tegen de HEERE gezondigd.

15Juich erover, rondom:

het heeft zich overgegeven.50:15 het heeft zich overgegeven - Letterlijk: zij heeft haar hand gegeven.

Zijn torens zijn gevallen,

zijn muren afgebroken,

want het is de wraak van de HEERE. Wreek u erop,

doe ermee zoals het zelf heeft gedaan.

16Roei de zaaiers uit van Babel

en wie de sikkel hanteren in de oogsttijd.

Voor het zwaard van de onderdrukker

zullen zij omkeren, ieder naar zijn volk,

en vluchten, ieder naar zijn land.

17Israël is een opgedreven schaap,

leeuwen hebben het opgejaagd.

Eerst heeft de koning van Assyrië het verslonden,

en ten slotte heeft deze, Nebukadrezar, de koning van Babel, zijn beenderen verbrijzeld.

18Daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik ga de koning van Babel en zijn land straffen, zoals ik de

50:18
2 Kon. 19:35,37
Jes. 37:36,38
koning van Assyrië gestraft heb.

19Ik zal Israël terugbrengen naar zijn woonplaats. Het zal de Karmel en de Basan afweiden en op het bergland van Efraïm en Gilead zal het verzadigd worden.

20In die dagen en in die tijd, spreekt de HEERE,

zal gezocht worden naar de ongerechtigheid van Israël, maar die zal er niet zijn,

en naar de zonden van Juda, maar ze zullen niet gevonden worden,

want Ik zal vergeving schenken aan wie Ik laat overblijven.

21Tegen het land Merathaïm,

ruk daartegen op.

En tegen de inwoners van Pekod,

verwoest en sla met de ban achter hen, spreekt de HEERE,

en doe overeenkomstig alles wat Ik u geboden heb.

22Er is oorlogsgeschreeuw in het land,

een grote ramp.50:22 ramp - Letterlijk: breuk.

23Hoe is de moker van heel de aarde

afgehakt en stukgebroken!

Hoe is Babel tot een verschrikking geworden

onder de heidenvolken!

24Ik heb voor u een strik gezet en u werd ook gevangen, Babel,

maar zelf wist u het niet.

U bent betrapt en ook gegrepen,

omdat u zich in de strijd tegen de HEERE hebt gemengd.

25De HEERE heeft Zijn schatkamer geopend

en de instrumenten van Zijn gramschap naar buiten gebracht,

want dit is een werk van de Heere, de HEERE van de legermachten,

in het land van de Chaldeeën.

26Kom ertegen op van het einde van de aarde,

open zijn graanschuren,

stapel het op als korenhopen en sla het met de ban,

laat het geen overblijfsel hebben.

27Breng al zijn jonge stieren om met het zwaard,

voer ze af ter slachting.

Wee hun, want hun dag is gekomen,

de tijd van de vergelding aan hen.

28Hoor hen die gevlucht zijn en die ontkomen zijn

uit het land Babel,

om in Sion te verkondigen

de wraak van de HEERE, onze God, de wraak voor Zijn tempel:

29Laat u horen tegen Babel, schutters,

allen die de boog spannen.

Beleger het aan alle kanten,

laat niemand ervan ontkomen.

Vergeld het naar zijn werk,

doe het overeenkomstig alles wat het zelf gedaan heeft.

Want het heeft overmoedig gehandeld tegen de HEERE,

tegen de Heilige van Israël.

30Daarom zullen

50:30
Jer. 49:26
zijn jongemannen vallen op zijn pleinen en al zijn strijdbare mannen zullen op die dag verdelgd worden, spreekt de HEERE.

31Zie, Ik zál u, overmoedige!

spreekt de Heere, de HEERE van de legermachten.

Want uw dag is gekomen,

de tijd dat Ik u straffen zal.

32Dan zal de overmoedige struikelen en vallen,

en er is niemand die hem opricht.

Ja, Ik zal een vuur aansteken in zijn steden,

dat alles om hem heen verteert.

33Zo zegt de HEERE van de legermachten:

De Israëlieten zijn onderdrukt geweest,

tezamen met de Judeeërs.

Allen die hen gevangen hadden, hebben hen vastgehouden,

zij hebben geweigerd hen los te laten.

34Maar hun Verlosser is sterk,

HEERE van de legermachten is Zijn Naam.

Hij zal hun rechtszaak zeker voeren,

opdat Hij het land tot rust zal brengen,

maar de inwoners van Babel doet Hij sidderen.

35Het zwaard over de Chaldeeën, spreekt de HEERE,

en over de inwoners van Babel,

over zijn vorsten en over zijn wijzen!

36Het zwaard over die snoevers, zodat zij dwaas zullen handelen,

het zwaard over zijn helden, zodat zij ontstellen!

37Het zwaard over zijn paarden en over zijn strijdwagens,

over alle mensen van allerlei herkomst die in zijn midden zijn, zodat zij als vrouwen worden!

Het zwaard over zijn schatten, zodat zij geplunderd worden!

38De droogte over zijn wateren, zodat zij droogvallen!

Want het is een land van beelden.

Zij gedragen zich als een waanzinnige door verschrikkelijke afgoden!

39Daarom zullen er wilde woestijndieren met hyena's wonen,

struisvogels zullen er wonen.

Er zal voor altijd niet meer in worden gewoond,

van generatie op generatie zal het niet worden bewoond.

40

50:40
Gen. 19:25
Jer. 49:18
Zoals God Sodom

en Gomorra en de naburige plaatsen ervan ondersteboven heeft gekeerd,

spreekt de HEERE,

zo zal niemand daar wonen

en geen mensenkind erin verblijven.

41Zie,

50:41
Jer. 6:22
er komt een volk uit het noorden,

een grote natie,

en talrijke koningen worden opgewekt

van de uithoeken van de aarde.

42Boog en werpspies hanteren zij,

meedogenloos zijn zij, zij zullen geen medelijden hebben.

Hun stem bruist als de zee,

op paarden rijden zij,

als mannen voor de strijd opgesteld,

tegen u, dochter van Babel.

43Toen de koning van Babel het bericht over hen hoorde,

verloor hij de moed.50:43 verloor hij de moed - Letterlijk: werden zijn handen slap.

50:43
Jer. 49:24
Benauwdheid greep hem aan,

smart als van een barende vrouw.

44

50:44
Jer. 49:19
Zie, zoals een leeuw zal hij opkomen

uit de glorie van de Jordaan tegen de sterke woonplaats,

want in een ogenblik zal Ik hem eruit doen wegsnellen.

En wie daarvoor uitgekozen is, zal Ik erover aanstellen.

Want

50:44
Job 41:1
Jer. 49:19
wie is Mij gelijk en wie zou Mij dagvaarden?

En wie is die herder die voor Mijn aangezicht standhouden zou?

45Daarom, hoor het

50:45
Jer. 49:20
raadsbesluit van de HEERE

dat Hij over Babel genomen heeft,

en Zijn plannen die Hij bedacht heeft

tegen het land van de Chaldeeën:

Voorwaar, de geringsten van de kudde zullen hen wegslepen!

Voorwaar, men zal de woonplaats boven hen verwoesten!

46Van het gerucht dat Babel ingenomen is,

beeft de

50:46
Jer. 49:21
aarde

en geschreeuw wordt gehoord onder de volken.