Herziene Statenvertaling (HSV)
46

Profetie over Egypte

461Het woord van de HEERE dat tot de profeet Jeremia kwam tegen de heidenvolken.

2Over Egypte. Tegen het leger van farao Necho, de koning van Egypte, dat zich aan de rivier de Eufraat bij Karchemis bevond, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, in het vierde regeringsjaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, verslagen heeft.

3Maak het kleine en het grote schild gereed,

bind de strijd aan,

4span de paarden in,

bestijg ze, ruiters,

stel u op, met de helmen op,

46:4
Jer. 51:11
scherp de speren,

trek de pantsers aan.

5Waarom zie Ik

hen verschrikt terugwijken?

Hun helden zijn te gronde gericht, zij slaan ijlings op de vlucht,46:5 zij … vlucht - Letterlijk: en zij vluchten de toevlucht.

zij keren zich niet om, angst van rondom! – spreekt de HEERE.

6Laat de snelle niet op de vlucht slaan,

laat de held niet ontkomen:

in het noorden, aan de oever van de rivier de Eufraat,

struikelen zij en vallen.

7Wie is dat?

Als de Nijl komt hij opzetten,

als rivieren kolkt zijn water.

8Egypte – als de Nijl komt het opzetten,

als rivieren kolkt zijn water.

Het zegt: Ik kom opzetten, ik zal de aarde bedekken,

ik zal de stad verdelgen en wie daarin wonen.

9Kom op, paarden,

raas, strijdwagens,

laten de helden uittrekken,

de Cusjieten, de Puteeërs, die het schild hanteren,

de Lydiërs, die de

46:9
Jes. 66:19
boog hanteren en spannen.

10Deze dag is van de Heere, de HEERE van de legermachten,

een dag van wraak om Zich te wreken op Zijn tegenstanders.

Het zwaard zal verslinden en verzadigd worden,

en dronken worden van hun bloed.

Want het is een slachting voor de Heere, de HEERE van de legermachten,

in het land in het noorden, aan de rivier de Eufraat.

11Ruk op naar

46:11
Jer. 8:22
Gilead en haal balsem,

maagd, dochter van Egypte.

Tevergeefs verhoogt u de medicijnen,

herstel is er niet voor u.

12De volken hebben van uw schande gehoord,

het land is vol van uw gejammer,

want de ene held is over de andere held gestruikeld,

samen zijn zij gevallen – zij beiden.

De inval van Nebukadrezar in Egypte

13Het woord dat de HEERE sprak tot de profeet Jeremia over de komst van Nebukadrezar, de koning van Babel, om het land Egypte te treffen:

14Verkondig in Egypte, laat het horen in Migdol,

laat het horen in Nof en in Tachpanhes.

Zeg: Stel u op, maak u gereed,

want het zwaard heeft verslonden wat rondom u is.

15Waarom zijn uw machtigen weggevaagd?

Zij hebben geen stand gehouden, omdat de HEERE hen heeft verjaagd.

16Hij maakte het aantal

van hen die struikelden groot, ja, de een viel over de ander.

Toen zeiden zij:

Sta op, laten wij terugkeren naar ons volk

en naar ons geboorteland,

vanwege het zwaard van de onderdrukker.

17Daar riepen zij: De farao,

de koning van Egypte, is een grootspreker: hij heeft het juiste moment voorbij laten gaan!

18Zo waar Ik leef, spreekt de Koning

HEERE van de legermachten is Zijn Naam –

voorzeker, als de Tabor onder de bergen

en als de Karmel bij de zee zal hij komen!

19Pak uw boedel bij elkaar voor de ballingschap,

inwoonster, dochter van Egypte.

Want Nof zal tot een verwoesting worden

en het zal vernietigd worden, zodat er geen inwoner meer is.

20Egypte is een bijzonder mooi kalf,

maar de horzel uit het noorden komt eraan – hij komt eraan!

21Zelfs zijn huursoldaten zijn in zijn midden

als gemeste kalveren,

maar ook zij keren zich om.

Zij slaan tezamen op de vlucht, zij houden geen stand,

want de dag van hun ondergang is over hen gekomen,

de tijd van de vergelding aan hen.

22Het geluid van Egypte is als dat van een slang die wegschuifelt,

want met een legermacht zullen zij erheen gaan;

met bijlen zullen zij bij hem komen,

als houthakkers.

23Zij zullen zijn woud omhakken, spreekt de HEERE,

al is het ondoordringbaar.46:23 al is het ondoordringbaar - Letterlijk: al is het niet te onderzoeken.

Want zij zijn talrijker dan sprinkhanen,

zodat zij niet te tellen zijn.

24De dochter van Egypte staat beschaamd,

zij is in de hand van het volk van het noorden gegeven.

25De HEERE van de legermachten, de God van Israël, zegt: Zie, Ik ga Amon, de god van No, de farao, Egypte, zijn goden, en zijn koningen straffen, ja, Ik straf de farao en wie op hem vertrouwen.

26Ik zal hen geven in de hand van hen die hen naar het leven staan, zowel in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, als in de hand van zijn dienaren. Maar daarna zal zij bewoond worden als in de dagen van weleer, spreekt de HEERE.

27

46:27
Jes. 41:13
43:5
44:1
Jer. 30:10
U dan, wees niet bevreesd, Mijn dienaar Jakob,

wees niet ontsteld, Israël!

Want zie, Ik ga u verlossen uit verre landen,

uw nageslacht uit het land van hun gevangenschap.

Jakob zal terugkeren, rust hebben en zonder zorgen zijn,

en niemand zal hem schrik aanjagen.

28U dan, wees niet bevreesd, Mijn dienaar Jakob, spreekt de HEERE,

want Ik ben met u.

Ik ga immers een vernietigend einde maken aan alle heidenvolken

waarheen Ik u verdreven heb.

Aan u echter zal Ik geen vernietigend einde maken.

Ik zal

46:28
Jer. 10:24
30:11
u bestraffen met mate,

maar u beslist niet voor onschuldig houden.

47

Profetie over de Filistijnen

471Het woord van de HEERE dat tot de profeet Jeremia kwam, tegen de Filistijnen, voordat de farao Gaza versloeg.

2Zo zegt de HEERE:

Zie, water komt opzetten uit het noorden,

het wordt tot een overstromende beek.

Ze zullen het land en al wat het bevat overstromen,

de stad en wie erin wonen.

De mensen zullen het uitschreeuwen,

alle inwoners van het land zullen weeklagen,

3vanwege het geluid van het stampen van de hoeven van zijn

47:3
Jer. 4:13
6:23
machtige paarden,

vanwege het gedreun van zijn strijdwagens, het ratelen van zijn

47:3
Jes. 5:28
wielen.

Vaders zien niet om naar hun kinderen,

vanwege het verslappen van hun handen,

4vanwege de dag die komt

om alle Filistijnen te verdelgen,

om elke overgebleven helper

van

47:4
Jer. 25:22
Tyrus en Sidon uit te roeien.

Want de HEERE zal de Filistijnen verdelgen,

het overblijfsel van het kustland van Kaftor.

5Kaalheid is over Gaza gekomen,

47:5
Jer. 25:20
Askelon is uitgeroeid,

samen met het overblijfsel van hun dal.

Hoelang zult u uw lichaam

47:5
Deut. 14:1
Jer. 16:6
kerven?

6Wee, zwaard van de HEERE,

hoelang hebt u geen rust?

Keer terug in uw schede,

kom tot rust, wees stil.

7Hoe zou u rust kunnen hebben?

De HEERE heeft immers het zwaard opdracht gegeven.

Tegen Askelon en tegen de zeekust,

daartegen heeft Hij het bestemd.

48

Profetie over Moab

481Over

48:1
Jer. 25:21
27:3
Moab. Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël:

Wee over Nebo, want het is verwoest!

Kirjathaïm staat beschaamd, het is ingenomen.

De veilige vesting staat beschaamd en is ontsteld.

2Moabs roem is er niet meer,

in Hesbon hebben zij kwaad tegen hem bedacht:

Kom, laten we het uitroeien, zodat het geen volk meer is.

Ook u, Madmen, zult verdelgd worden,

het zwaard zal u achtervolgen.

3Hoor, geschreeuw uit Horonaïm:

Verwoesting, een grote ramp!48:3 ramp - Letterlijk: breuk.

4Moab is gebroken,

zijn kleine kinderen hebben geschreeuw laten horen.

5Ja, de weg omhoog naar Luhith

gaat men met

48:5
Jes. 15:5
voortdurend geween op.

Ja, op de weg omlaag naar Horonaïm

hebben tegenstanders noodgeschrei gehoord.

6Vlucht, red uw leven!

Word als een

48:6
Jer. 17:6
kale struik48:6 een kale struik - Hebreeuws: Aroër. in de woestijn.

7Want vanwege uw vertrouwen

op uw vestingwerken en op uw schatten

zult ook u ingenomen worden.

Kamos zal in ballingschap weggaan,

zijn

48:7
Jer. 49:3
priesters en zijn vorsten samen.

8Want de verwoester zal komen naar elke stad,

geen stad zal ontkomen.

Het dal zal vergaan,

de vlakte zal weggevaagd worden,

zoals de HEERE het heeft gezegd.

9Geef Moab vleugels,

want vliegend zal het weggaan.

Zijn steden zullen tot een verwoesting worden,

zodat er geen inwoner meer is.

10Vervloekt wie het werk van de HEERE traag48:10 traag - Letterlijk: bedrieglijk. uitvoert,

ja, vervloekt wie zijn zwaard bloed onthoudt.

11Moab is vanaf zijn jeugd zonder zorgen geweest,

en heeft als wijn op zijn

48:11
Zef. 1:12
droesem stilgelegen.

Het is niet van het ene vat in het andere overgegoten:

het is niet in ballingschap gegaan.

Daarom heeft het zijn smaak behouden

en is zijn geur niet veranderd.

12Daarom, zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik aftappers naar hem toe zal sturen om hem af te tappen. Zij zullen hun vaten leegmaken en hun kruiken stukslaan.

13Moab zal beschaamd worden vanwege Kamos, zoals het huis van Israël beschaamd is vanwege Bethel,

48:13
1 Kon. 12:29
hun vertrouwen.

14Hoe kunt u zeggen:

Wij zijn helden,

dappere mannen, gereed voor de strijd?

15Moab is verwoest en uit zijn steden opgetrokken,

en de keur van hun jongemannen is afgevoerd ter slachting,

spreekt de Koning

HEERE van de legermachten is Zijn Naam.

16De ondergang van Moab is nabij, die is in aantocht,

zijn onheil haast zich zeer.

17Beklaag hem, allen rondom hem,

allen die zijn naam kennen.

Zeg: Hoe is de machtige scepter gebroken,

die sierlijke staf!

18Daal af uit uw luister, verblijf in dorst,

u die hier woont, dochter van Dibon,

want de verdelger van Moab is tegen u opgetrokken,

hij heeft uw vestingen verwoest.

19Ga aan de weg staan, en zie uit,

inwoonster van Aroër.

Vraag hem die vlucht en haar die ontkomt,

zeg: Wat is er gebeurd?

20Moab staat beschaamd, want het is ontsteld.

48:20
Jes. 16:7
Weeklaag, schreeuw het uit,

maak in Arnon bekend

dat Moab verwoest is.

21Ja, het oordeel is gekomen over het land van de vlakte, over Holon, over Jahza en over Mefaäth,

22over Dibon, over Nebo en over Beth-Diblathaïm,

23over Kirjathaïm, over Beth-Gamul en over Beth-Meon,

24over Kerioth en over Bozra, ja, over alle steden van het land Moab, die ver en dichtbij zijn.

25De hoorn van Moab is afgehakt

en zijn arm is gebroken,

spreekt de HEERE.

26Maak hem dronken, want hij heeft zich groot gemaakt tegen de HEERE. Moab zal met de handen klappen in zijn braaksel, zodat het zelf ook belachelijk wordt.

27Of is Israël voor u niet geweest om te belachen? Is hij aangetroffen onder dieven, dat u zo dikwijls als u over hem sprak, schudde van het lachen?

28Verlaat de steden, woon in rotsen,

inwoners van Moab.

Word als een duif die nestelt

in de openingen van een rotsspleet.48:28 in de openingen … rotsspleet - Letterlijk: in de zijden van de opening van een spleet.

29Wij hebben gehoord van de

48:29
Jes. 16:6
trots van Moab,

dat zeer hoogmoedig is,

van zijn hoogheid, zijn trots, zijn hoogmoed,

en zijn hooghartigheid.

30Ík ken zijn overmoed, spreekt de HEERE,

zijn holle praat is niet gepast,

zij doen wat niet gepast is!

31Daarom zal ik over Moab weeklagen,

ja, het over heel Moab uitschreeuwen,

om de mannen van Kir-Heres zal men zuchten.

32Meer dan het bewenen van Jaëzer zal ik om u wenen,

wijnstok van Sibma.

Uw ranken zijn de zee overgestoken,

zij hebben tot aan de zee van Jaëzer gereikt.

Op uw zomervruchten en op uw wijnoogst

heeft een verwoester zich geworpen.

33Zo zijn de

48:33
Jes. 16:10
blijdschap en de vreugde weggenomen

van het vruchtbare veld, namelijk het land Moab.

De wijn uit de perskuipen heb Ik doen ophouden,

men zal geen druiven treden onder vreugderoep,

de vreugderoep zal geen vreugderoep zijn.

34Vanwege het geschreeuw van Hesbon, te horen tot aan Eleale, tot aan Jahaz, laten zij hun stem klinken, van

48:34
Jes. 15:5,6
Zoar tot aan Horonaïm, Eglath Selisia.48:34 Eglath Selisia - Of: Driejarige Koe. Want zelfs de wateren van Nimrim worden tot woestenijen.

35Ik zal in Moab doen ophouden, spreekt de HEERE,

wie offert op de hoogte

en wie reukoffers brengt aan zijn goden.

36Daarom klaagt mijn hart om Moab als de fluiten,

ja, klaagt mijn hart om de mannen van Kir-Heres als de fluiten,

omdat de overvloed die het verwierf, verloren is.

37Want elk

48:37
Jes. 15:2,3
hoofd is kaalgeschoren,

elke baard is afgesneden,

op alle handen zijn

48:37
Jer. 47:5
insnijdingen,

om de heupen is een rouwgewaad.

38Op alle daken van Moab, op alle pleinen,

overal is rouwklacht,

want Ik heb Moab stukgebroken

als een pot waaraan niemand waarde hecht,

spreekt de HEERE.

39Hoe is het ontsteld! Zij weeklagen:

Hoe heeft Moab zich48:39 zich - Letterlijk: de nek. met schaamte afgewend!

Moab is belachelijk geworden en tot een verschrikking

voor allen die er omheen wonen.

40Want zo zegt de HEERE:

Zie, hij zal als een

48:40
Jer. 4:13
arend aan komen zweven

en zijn vleugels over Moab uitspreiden.

41Kerioth wordt ingenomen,

de bergvestingen veroverd,

het hart van Moabs helden zal op die dag zijn

als het hart van een vrouw in barensnood.

42Zo zal Moab weggevaagd worden, zodat het geen volk meer is,

omdat het zich groot gemaakt heeft tegen de HEERE.

43Angst, valkuil en strik

over u, inwoner van Moab, spreekt de HEERE.

44Wie uit angst vlucht,

zal in de kuil vallen,

wie uit de kuil opklautert,

wordt in de strik gevangen.

Ja, Ik zal daarover, over Moab, brengen

het jaar van hun vergelding,

spreekt de HEERE.

45Zij gingen in de schaduw van Hesbon staan,

zij die vluchtten voor de macht van de vijand.

Want

48:45
Num. 21:28
vuur is uitgegaan van Hesbon,

een vlam van binnen Sihon.

Het heeft de slapen verteerd van Moab,

en de schedel van die druktemakers.

46Wee u, Moab,

het volk van Kamos is ten onder gegaan,

want uw zonen zijn meegenomen in gevangenschap,

evenals uw dochters in gevangenschap.

47In later tijd48:47 In later tijd - Letterlijk: Aan het einde van de dagen. echter, spreekt de HEERE,

zal ik een omkeer brengen in de gevangenschap van Moab.

Tot zover het oordeel over Moab.