Herziene Statenvertaling (HSV)
3

Oproep om terug te keren naar de HEERE

31Men zegt:

Als een man zijn vrouw wegstuurt,

zij bij hem weggaat

en de vrouw van een andere man wordt,

mag hij nog naar haar terugkeren?

Zou dat land

niet ten zeerste ontheiligd worden?

U echter, u hebt hoererij bedreven met veel vrienden,

en dan naar Mij terugkeren? – spreekt de HEERE.

2Sla uw ogen op naar de kale hoogten, en zie,

waar bent u niet beslapen?

U bent voor hen langs de wegen gaan zitten,

als een Arabier in de woestijn.

Zo hebt u het land ontheiligd

met uw hoererijen en uw kwaad.

3Daarom werden de regendruppels ingehouden

en is er geen late regen geweest.

U hebt het voorhoofd van een hoer,

u weigert daarvoor beschaamd te zijn.

4Zult u dan niet van nu af aan tot Mij roepen: Mijn Vader,

U bent de Leidsman van mijn jeugd?

5– Zou Hij soms voor eeuwig Zijn toorn handhaven

of die voor altijd vasthouden? –

Zie, zo spreekt u, maar u doet

alles wat slecht is, en speelt het klaar!

Juda en Israël, de twee ontrouwe zusters

6In de dagen van koning Josia zei de HEERE tegen mij: Hebt u gezien wat het afvallige Israël gedaan heeft? Zij

3:6
Jer. 2:20
ging elke hoge berg op en onder elke bladerrijke boom, en bedreef daar hoererij.

7Ik zei, nadat zij al deze dingen gedaan had: Keer terug naar Mij, maar zij keerde niet terug. Dat zag haar trouweloze zuster Juda.

8Maar Ik zag, toen Ik vanwege alles waarin het afvallige Israël overspel had gepleegd, haar weggestuurd had en haar een echtscheidingsbrief gegeven had, dat Juda, haar trouweloze zuster, niet bevreesd werd. Zij ging zelf ook hoererij bedrijven.

9Zo gebeurde het dat het land door haar lichtzinnige hoererij ontheiligd werd, want zij pleegde overspel met steen en met hout.

10Zelfs in dit alles heeft haar trouweloze zuster Juda zich niet tot Mij bekeerd met heel haar hart, maar slechts in schijn, spreekt de HEERE.

11Daarom zei de HEERE tegen mij: Het afvallige Israël heeft zichzelf nog rechtvaardig doen lijken, vergeleken bij het trouweloze Juda.

12Ga deze woorden prediken tegen het noorden, en zeg:

Keer terug, afvallig Israël, spreekt de HEERE,

Mijn aangezicht is tegenover u niet betrokken,

want Ik ben

3:12
Ps. 86:15
103:8,9
145:17
goedertieren, spreekt de HEERE,

Ik handhaaf Mijn toorn niet voor eeuwig.

13Alleen, erken uw ongerechtigheid,

want u bent tegen de HEERE, uw God, in opstand gekomen,

en u hebt zich in alle richtingen verspreid3:13 en u … verspreid - Letterlijk: u hebt uw wegen uitgestrooid. op zoek naar de vreemden, onder elke bladerrijke boom,

maar u hebt niet geluisterd naar Mijn stem, spreekt de HEERE.

14Keer terug, afkerige kinderen, spreekt de HEERE, want Ík heb u getrouwd. Ik zal u nemen, één uit een stad en twee uit een geslacht, en Ik zal u naar Sion brengen.

15Ik zal u

3:15
Jer. 23:4
Ezech. 34:23
Efez. 4:11
herders geven naar Mijn hart, die u zullen weiden met kennis en verstand.

16En het zal gebeuren in die dagen, wanneer u zich vermeerdert en vruchtbaar wordt in het land, spreekt de HEERE, dan zal men niet meer zeggen: de ark van het verbond van de HEERE. Zij zal niet meer in het hart opkomen. Men zal er niet meer aan denken en niet meer naar haar omzien. Zij zal niet opnieuw gemaakt worden.

17In die tijd zal men Jeruzalem de Troon van de HEERE noemen. Alle heidenvolken zullen er samenstromen, tot de Naam van de HEERE, tot Jeruzalem. Zij zullen niet meer hun verharde, boosaardige hart3:17 hun verharde … hart - Letterlijk: de verharding van hun … hart. achternagaan.

18In die dagen zal het huis van Juda naar het huis van Israël gaan. Tezamen zullen zij komen uit het land in het noorden naar het land dat Ik uw vaderen in erfelijk bezit heb gegeven.

19Ík had wel gezegd:

Hoe kan Ik u tot kinderen maken

en u een begerenswaardig land geven,

het sierlijke erfelijk bezit van de heidenvolken?

Ik zei: U zult tot Mij roepen: Mijn Vader,

en u zult zich van achter Mij niet afkeren.

20Voorwaar, zoals een vrouw haar levensgezel ontrouw wordt,

zo bent u Mij ontrouw geworden, huis van Israël, spreekt de HEERE.

21Er wordt een geluid gehoord op de kale hoogten,

een geween, smeekbeden door de Israëlieten,

want zij hebben hun weg krom gemaakt,

zij hebben de HEERE, hun God,

3:21
Jer. 2:32
vergeten.

22Keer terug, afkerige kinderen,

Ik zal u van uw afdwalingen genezen.

Zie, hier zijn wij. Wij komen tot U,

want U bent de HEERE, onze God.

23Voorwaar, tevergeefs

3:23
Ps. 121:1
verwacht men het van de heuvels,

en de menigte van de bergen.

Voorwaar, in de HEERE, onze God,

is het heil van Israël.

24Die schande heeft

de arbeid van onze vaderen verslonden, van onze jeugd af,

hun schapen en hun runderen,

hun zonen en hun dochters.

25Wij liggen in onze schande

en onze smaad overdekt ons,

want tegen de HEERE, onze God, hebben wij gezondigd,

wij en onze vaderen, van onze jeugd af

tot op deze dag,

wij hebben niet geluisterd naar de stem van de HEERE, onze God.

4

41Als u zich bekeert, Israël, spreekt de HEERE,

bekeer u dan tot Mij,

en als u uw afschuwelijke afgoden wegdoet van voor Mijn aangezicht,

en niet meer rondzwerft,

2en als u zweert: Zo waar de HEERE leeft, in

4:2
Jes. 48:1
waarheid,

in recht en in gerechtigheid,

dan zullen de heidenvolken zich in Hem

4:2
Gen. 22:18
zegenen

en zich in Hem beroemen.

3Want zo zegt de HEERE

tegen de mannen van Juda en tegen Jeruzalem:

Ploeg voor uzelf ongeploegd land om!

Zaai niet tussen de dorens.

4Besnijd u voor de HEERE

en doe de voorhuid van uw

4:4
Deut. 10:16
30:6
hart weg,

mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem;

anders zal Mijn grimmigheid uitslaan als een

4:4
Jes. 65:5
vuur

en branden zonder dat iemand kan blussen,

vanwege uw slechte daden.

5Maak het in Juda bekend,

laat het in Jeruzalem horen en zeg:

Blaas de bazuin in het land,

roep luidkeels4:5 roep luidkeels - Letterlijk: roep, vul en zeg:

Verzamel u, en laten we gaan

naar de versterkte steden.

6Hef de banier omhoog naar Sion,

breng u in veiligheid, sta niet stil,

want Ik ga onheil brengen vanuit het noorden,

een grote ramp!4:6 ramp - Letterlijk: breuk; zie ook vers 20.

7Een

4:7
Jes. 5:29
Jer. 2:15
5:6
leeuw is opgesprongen uit zijn struikgewas,

de verderver van de heidenvolken is uitgetrokken,

is zijn plaats uitgegaan

om van uw land een woestenij te maken,

uw steden zullen

4:7
Jer. 2:15
vernietigd worden,

zodat er geen inwoner meer is.

8Omgord u daarom met een rouwgewaad,

4:8
Jes. 32:12
bedrijf rouw en weeklaag,

want de brandende toorn van de HEERE

keert zich niet van ons af.

9Op die dag zal het gebeuren, spreekt de HEERE:

vergaan zal de moed4:9 de moed - Letterlijk: het hart. van de koning

en de moed van de vorsten,

de priesters zullen ontzet zijn

en de profeten verbijsterd.

10Toen zei ik: Ach, Heere HEERE,

voorwaar, U hebt dit volk en Jeruzalem ten zeerste bedrogen

door te zeggen: U zult vrede hebben.

Het zwaard wordt ons immers op de keel gezet.

11In die tijd zal gezegd worden

tegen dit volk en tegen Jeruzalem:

Een zinderende wind van de kale hoogten

in de woestijn is op weg naar de dochter van Mijn volk,

maar niet om te wannen, en niet om te zuiveren.

12Een wind, sterker dan deze, komt er van Mij aan.

Nu zal Ik ook oordelen

over hen uitspreken.

13Zie, als wolken komt de vijand opzetten,

als een wervelwind komen zijn wagens,

sneller dan arenden zijn zijn paarden.

Wee ons, want wij worden verwoest!

14

4:14
Jes. 1:16
Was het kwaad van uw hart af, Jeruzalem,

opdat u verlost wordt.

Hoelang laat u uw zondige gedachten

in uw binnenste overnachten?

15Want een stem verkondigt het uit Dan

en doet onheil horen uit het bergland van Efraïm.

16Roep het in herinnering bij de volken, zie,

laat Jeruzalem het horen:

Er komen belegeraars uit een ver land,

zij laten hun stem klinken tegen de steden van Juda.

17Zoals wachters van de velden staan zij rondom tegenover haar,

omdat zij Mij ongehoorzaam is geweest, spreekt de HEERE.

18Uw wegen en uw daden

hebben u deze dingen aangedaan.

Dit is uw kwaad, dat het zo bitter is,

dat het u in uw hart treft.

19Mijn

4:19
Jes. 21:4
Jer. 9:1
binnenste, mijn binnenste, ik krimp ineen,

wanden van mijn hart!

Mijn hart is onrustig in mij,

ik kan niet zwijgen,

want u, mijn ziel, hoort bazuingeschal

en krijgsgeschreeuw.

20Ramp op ramp, wordt er geroepen,

want heel het land werd verwoest.

Plotseling zijn mijn tenten verwoest,

in een ogenblik mijn tentkleden.

21Hoelang moet ik de banier nog zien,

het bazuingeschal horen?

22Voorzeker, Mijn volk is dwaas,

men kent Mij niet.

Verstandeloze kinderen zijn het,

inzicht heeft men niet.

Wijs is men in kwaaddoen,

maar van goeddoen weet men niet.

23Ik zag het land, en zie, het was woest en leeg,

en keek naar de hemel – zijn licht was er niet.

24Ik zag de bergen, en zie, zij beefden,

en alle heuvels schudden door elkaar.

25Ik zag, en zie, er was geen mens,

en alle vogels in de lucht waren weggevlogen.

26Ik zag, en zie, het vruchtbare land was woestijn,

en al zijn steden waren afgebroken,

door de HEERE,

door Zijn brandende toorn.

27Want zo zegt de HEERE:

Heel het land zal een woestenij worden –

toch zal Ik er geen

4:27
Jer. 5:10,18
30:11
46:28
vernietigend einde aan maken.

28Hierom zal de aarde treuren

en de hemel daarboven in zwart gehuld worden,

want Ik heb gesproken, Ik heb het Mij voorgenomen,

en Ik zal geen berouw krijgen en er niet op terugkomen.

29Voor het geroep van ruiters en boogschutters

slaat heel de stad op de vlucht.

Ze gaan de struiken in

of klimmen op de rotsen.

Elke stad is verlaten –

niemand die er nog in woont.

30U, verwoeste, wat gaat u nu doen?

Al zou u zich kleden in karmozijn,

al zou u zich tooien met een gouden sieraad,

al zou u uw ogen opmaken met oogschaduw,

tevergeefs zou u zich mooi maken.

Uw minnaars verwerpen u,

staan u naar het leven.

31Want ik hoor een geluid als van een vrouw in barensnood,

benauwdheid als van een die haar eerste kind aan het baren is.

Het is het geluid van de dochter van Sion, zij snakt naar adem,

zij spreidt haar handen uit:

Wee mij toch! Want mijn ziel is uitgeput,

vanwege de moordenaars.

5

Is er een die recht doet?

51Trek rond door de straten van Jeruzalem,

kijk toch en let op,

zoek op zijn pleinen,

of u iemand vindt,

of er een is die recht doet,

een die betrouwbaarheid nastreeft,

dan zal Ik Jeruzalem vergeven.

2Als ze zeggen “Zo waar de HEERE leeft”,

leggen zij toch een valse eed af.

3HEERE, zien Uw ogen

niet uit naar betrouwbaarheid?

U hebt hen

5:3
Jes. 1:5
9:12
Jer. 2:30
geslagen, maar zij voelden geen pijn.

U hebt hen omgebracht, maar zij weigerden

5:3
Jer. 2:30
vermaning te aanvaarden.

Zij hebben hun gezichten harder gemaakt dan een rots,

zij hebben geweigerd zich te bekeren.

4Ík zei echter: Zij zijn maar geringe mensen,

zij gedragen zich als dwazen,

omdat zij de weg van de HEERE niet kennen,

het recht van hun God.

5Laat ik naar de aanzienlijken5:5 de aanzienlijken - Letterlijk: de groten. gaan

en met hen spreken,

want die kennen de weg van de HEERE wel,

het recht van hun God.

Zij echter hebben samen het juk gebroken,

de banden verscheurd.

6Daarom zal een

5:6
Jer. 4:7
leeuw uit het woud hen doden,

een wolf van de vlakten zal hen uiteenrijten,

terwijl een luipaard op de loer ligt bij hun steden,

– al wie daar uitgaat, wordt verscheurd –

want hun overtredingen zijn talrijk geworden,

machtig veel hun afdwalingen.

7Hoe zou Ik u dit vergeven?

Uw kinderen hebben Mij verlaten

en zweren bij wat geen goden zijn.

Als Ik hun overvloed geef,5:7 overvloed geef - Letterlijk: verzadig. plegen zij overspel,

en in het hoerenhuis drommen zij samen.

8Weldoorvoede,

5:8
Ezech. 22:11
hitsige hengsten zijn het,

ieder hinnikt naar de vrouw van zijn naaste.

9

5:9
Vers
Zou Ik deze dingen niet straffen?

spreekt de HEERE,

of op een volk als dit

Mijzelf niet wreken?

10Klim zijn wijnbergen op, richt ze te gronde,

maar maak er geen

5:10
Jer. 4:27
vernietigend einde aan.

Verwijder zijn ranken,

want die zijn niet van de HEERE.

11Zij hebben immers volkomen

5:11
Jer. 3:20
trouweloos tegen Mij gehandeld,

het huis van Israël en het huis van Juda, spreekt de HEERE.

12Zij hebben de HEERE verloochend

en zeggen: Hij is het niet!

Geen onheil

5:12
Jes. 28:15
zal over ons komen,

zwaard of honger zullen wij niet zien!

13Die profeten zullen worden als wind,

het woord is niet bij hen. Zo zal aan hen gedaan worden.

14Daarom, zo zegt de HEERE,

de God van de legermachten:

Omdat u dit woord spreekt,

zie, Ik ga

5:14
Jer. 1:9
Mijn woorden

in uw mond tot vuur maken

en dit volk tot hout,

zodat het hen zal verteren.

15Zie, Ik ga over u

een volk van

5:15
Deut. 28:49
Jer. 1:15
6:22
ver weg brengen,

huis van Israël, spreekt de HEERE.

Een taai volk is het,

een volk, van oude tijden af is het er,

een volk waarvan u de taal niet kent,

en niet verstaat wat het spreekt.

16Zijn pijlkoker is als een open graf,

het zijn allen helden.

17Verslinden zal het uw

5:17
Lev. 26:16
Deut. 28:31,33
oogst en uw brood,

verslinden zullen ze uw zonen en uw dochters,

verslinden zal het uw schapen en uw runderen,

verslinden uw wijnstok en uw vijgenboom,

met het zwaard uw versterkte steden verwoesten,

waarop u vertrouwt.

18Maar ook in die dagen, spreekt de HEERE, zal Ik geen

5:18
Jer. 4:27
vernietigend einde aan u maken.

19En het zal gebeuren, wanneer u zult zeggen:

5:19
Jer. 16:10
Waarom heeft de HEERE, onze God, ons al deze dingen aangedaan? dat u tegen hen zult zeggen: Zoals u Mij hebt verlaten en vreemde goden bent gaan dienen in uw land, zo zult u vreemden dienen in een land dat niet het uwe is.

20Maak dit aan het huis van Jakob bekend,

laat het horen in Juda:

21

5:21
Jes. 6:9
Hoor toch dit,

dwaas volk, zonder verstand,5:21 verstand - letterlijk: hart.

zij hebben ogen, maar zij zien niet,

zij hebben oren, maar zij horen niet.

22Zou u voor Mij niet bevreesd zijn, spreekt de HEERE,

of zou u voor Mijn aangezicht niet beven?

Ik, Die het zand gemaakt heb tot een

5:22
Job 38:10,11
Ps. 33:7
104:9
grens voor de zee,

een eeuwige verordening, die zij niet zal overschrijden.

Al kolken haar golven, zij zullen niets kunnen uitrichten,

al bruisen zij, zij zullen hem niet overschrijden.

23Maar dit volk heeft

een opstandig, ongehoorzaam hart,

zij zijn afgeweken, zij gingen hun eigen weg.

24Ze zeggen niet in hun hart:

Laten wij toch de HEERE, onze God, vrezen,

Die de regen geeft,

5:24
Deut. 11:14
zowel vroege regen als late regen, op zijn tijd,

Die de vastgestelde weken van de oogst voor ons bewaakt.

25Uw ongerechtigheden wenden die dingen af,

uw zonden onthouden u het goede.

26Want onder Mijn volk

worden goddelozen gevonden.

Men ligt op de loer,

ineengedoken als vogelvangers.

Zij zetten een vernielende strik,

mensen vangen zij.

27Hun huizen zijn zo vol bedrog

als een kooi vol vogels.

Daarom zijn zij groot en rijk geworden,

28

5:28
Deut. 32:15
vet en vadsig.

Zelfs overtreffen zij de slechtste dingen:

geen

5:28
Jes. 1:23
Zach. 7:10
rechtszaak behartigen zij,

zelfs niet de rechtszaak van een wees, en toch hebben ze voorspoed,

het recht van de armen laten zij niet gelden.

29

5:29
Vers
Zou Ik vanwege deze dingen niet straffen?

spreekt de HEERE,

of op een volk als dit

Mijzelf niet wreken?

30Iets verschrikkelijks, iets afschuwelijks

gebeurt er in het land:

31de profeten profeteren

5:31
Jer. 14:18
23:25,26
Ezech. 13:6
leugens,

de priesters heersen door hun handen,

en Mijn volk heeft het graag zo.

Maar wat zult u doen aan het einde hiervan?

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]