Herziene Statenvertaling (HSV)
31

De terugkeer van Israël

311In die tijd, spreekt de HEERE, zal Ik al de geslachten van Israël tot een God zijn, en zíj zullen Mij tot een volk zijn.

2Zo zegt de HEERE:

Het volk dat aan het zwaard ontkomen was,

heeft genade gevonden in de woestijn,

toen Ik op weg ging om hem, Israël, tot rust te brengen.

3Van verre tijden af is de HEERE aan mij verschenen:

Met eeuwige liefde heb Ik u liefgehad,

daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.

4Ik zal u weer bouwen en u zult gebouwd worden,

maagd Israël.

Opnieuw zult u zich tooien met uw tamboerijnen,

opnieuw zult u uittrekken in een reidans

31:4
Jer. 30:19
van vrolijke mensen.

5Opnieuw zult u

31:5
Jes. 65:21
wijngaarden planten

op de bergen van Samaria:

de planters zullen planten en de vruchten genieten.

6Want er zal een dag zijn dat de wachters zullen roepen

op het bergland van Efraïm:

31:6
Jes. 2:2,3
Micha 4:2
Sta op, laten wij opgaan naar Sion,

naar de HEERE, onze God!

7Want zo zegt de HEERE:

Zing vrolijk over Jakob, met blijdschap!

Juich om het hoofd van de heidenvolken!

Laat het horen, prijs Hem en zeg:

Verlos Uw volk, HEERE,

het overblijfsel van Israël.

8Zie, Ik doe hen komen

uit het land van het

31:8
Jer. 3:18
noorden,

Ik zal hen bijeenbrengen van de uithoeken van de aarde;

onder hen zijn blinden en verlamden,

zwangeren en barenden met elkaar:

met een grote menigte zullen zij hierheen terugkomen.

9Onder geween zullen zij komen,

onder smeekbeden zal Ik hen leiden.

Ik zal hen doen gaan naar waterbeken,

op een rechte weg, waarop zij niet zullen struikelen,

want Ik ben Israël tot een Vader,

en Efraïm – Mijn

31:9
Ex. 4:22
eerstgeborene is hij.

10Hoor het woord van de HEERE, heidenvolken,

verkondig het in de kustlanden van ver weg,

en zeg:

Hij Die Israël verstrooid heeft, zal het weer bijeenbrengen

en het hoeden, zoals een herder zijn kudde hoedt.

11Want de HEERE heeft Jakob vrijgekocht,

en hem verlost uit de hand van hem

31:11
Jes. 40:10
49:24,25
die sterker was dan hij.

12Zij zullen komen en juichen op de hoogte van Sion,

zij zullen toestromen naar het goede van de HEERE:

naar het koren, naar de nieuwe wijn en naar de olie,

naar de lammeren en runderen.

Hun ziel zal zijn als een

31:12
Jes. 61:11
bevloeide hof,

zij zullen voortaan niet meer treurig zijn.

13Dan zullen jonge vrouwen zich verblijden in een reidans,

ook de jongemannen en de ouderen met elkaar.

Ik zal hun rouw veranderen in vreugde,

Ik zal hen troosten, Ik zal hen blij maken na hun verdriet.

14Ik zal de ziel van de priesters verzadigen met overvloed,31:14 overvloed - Letterlijk: vet.

Mijn volk zal met het goede van Mij verzadigd worden,

spreekt de HEERE.

15Zo zegt de HEERE:

31:15
Matt. 2:17,18
Er is een stem gehoord in Rama, een rouwklacht,

een zeer bitter geween:

Rachel weent over haar kinderen.

Zij weigert zich te laten troosten

over haar kinderen,

want zij zijn er niet meer.

16Zo zegt de HEERE:

Bedwing uw stem van geween,

en uw ogen van tranen,

want er is loon voor uw werk,

spreekt de HEERE.

Zij zullen uit het land van de vijand terugkomen,

17en er is hoop voor uw nakomelingen, spreekt de HEERE,

uw kinderen zullen terugkomen naar hun gebied.

18Ik heb zeker gehoord

dat Efraïm zichzelf beklaagt:

U hebt mij gestraft, ik ben gestraft

als een ongetemd kalf.

31:18
Klaagl. 5:21
Bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn,

want U bent de HEERE, mijn God.

19Want

31:19
Deut. 30:2
nadat ik bekeerd was,

heb ik berouw gekregen.

Nadat ik met mijzelf bekend ben gemaakt,

heb ik mij op de heup geslagen.

Ik ben beschaamd, ja, ook te schande geworden,

omdat ik de smaad van mijn jeugd meedraag.

20Is Efraïm voor Mij niet een dierbare zoon,

is hij voor Mij niet een lievelingskind?

Want zo dikwijls als Ik tot hem spreek,

denk Ik nog voortdurend aan hem.

Daarom is Mijn binnenste bewogen over hem,

Ik zal Mij zeker over hem ontfermen,

spreekt de HEERE.

21Richt u merktekens op,

zet u wegwijzers neer.

Richt uw hart op de gebaande weg,

de weg die u bent gegaan.

Keer terug, maagd Israël,

keer terug naar deze steden van u.

22Hoelang blijft u draaien,

afvallige dochter?

Voorzeker, de HEERE heeft iets nieuws geschapen op de aarde:

een vrouw zal een man omvatten.

23Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zij zullen in het land Juda en in zijn steden weer dit woord zeggen, wanneer Ik een omkeer zal brengen in hun gevangenschap: Moge de HEERE u zegenen,

31:23
Jer. 50:7
woonplaats van gerechtigheid, heilige berg.

24Daarin zullen Juda en al zijn steden met elkaar wonen, akkerbouwers en wie met de kudde rondtrekken.

25Want Ik heb de vermoeide ziel te drinken gegeven en elke treurig geworden ziel heb Ik met voedsel vervuld.

26Hierop ontwaakte ik en ik keek. Mijn slaap was mij aangenaam geweest.

Belofte van een nieuw verbond

27Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van dieren.

28Dan zal het gebeuren, dat Ik ten aanzien van hen zal waken om te bouwen en te planten, zoals Ik ten aanzien van hen gewaakt heb om weg te rukken en af te breken, om omver te halen en te vernielen, en hun kwaad aan te doen, spreekt de HEERE.

29In die dagen zullen zij niet meer zeggen:

31:29
Ezech. 18:2
De vaders hebben onrijpe druiven gegeten,

en de tanden van de kinderen zijn stomp geworden.

30Maar ieder zal om zijn eigen ongerechtigheid sterven. Ieder mens die onrijpe druiven eet – zijn tanden zullen stomp worden.

31Zie, er komen

31:31
Hebr. 8:8
dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten,

32niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden – Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ík hen getrouwd had, spreekt de HEERE.

33Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun

31:33
Vers
tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.

34Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij

31:34
Jes. 54:13
Joh. 6:45
zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE.
31:34
Jer. 33:8
Micha 7:18
Hand. 10:43
Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken.

35Zo zegt de HEERE,

Die de

31:35
Gen. 1:16
zon tot een licht geeft overdag

en de vaste orde van maan en sterren

tot een licht in de nacht,

Die de

31:35
Jes. 51:15
zee opzweept, zodat haar golven bruisen,

HEERE van de legermachten is Zijn Naam.

36Als deze verordeningen ooit zouden wijken

van voor Mijn aangezicht, spreekt de HEERE,

dan zou ook het nageslacht van Israël ophouden

een volk voor Mijn aangezicht te zijn, alle dagen!

37Zo zegt de HEERE:

Als de hemel hierboven ooit opgemeten zou kunnen worden

en de fundamenten van de aarde beneden onderzocht zouden kunnen worden,

dan zou ook Ik heel het nageslacht van Israël verwerpen,

om alles wat zij gedaan hebben, spreekt de HEERE.

38Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat de stad herbouwd zal worden voor de HEERE, van de Hananeëltoren tot aan de Hoekpoort,

39en dat het meetlint nog verder zal lopen, rechtdoor, tot aan de heuvel Gareb en zal afbuigen naar Goa.

40Heel het dal met de dode lichamen en de as en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan de hoek van de Paardenpoort naar het oosten toe, zal een heiligheid voor de HEERE zijn. Voor eeuwig zal er niets meer worden weggerukt of afgebroken.

32

Jeremia koopt een akker

321Het woord dat van de HEERE tot Jeremia gekomen is in het tiende regeringsjaar van Zedekia, de koning van Juda. Dit jaar was het achttiende jaar van Nebukadrezar.

2Het leger van de koning van Babel hield toen Jeruzalem belegerd, en de profeet Jeremia zat opgesloten op het binnenplein van de wacht dat bij het huis van de koning van Juda ligt,

3waar Zedekia, de koning van Juda, hem had opgesloten en had gezegd: Waarom profeteert u: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga deze stad in de hand van de koning van Babel geven en hij zal haar innemen,

4en Zedekia, de koning van Juda, zal aan de hand van de Chaldeeën niet ontkomen, want

32:4
Jer. 34:3
hij zal zeker in de hand van de koning van Babel gegeven worden. Hij zal van mond tot mond met hem spreken32:4 Hij … spreken - Letterlijk: Zijn mond zal met zijn mond spreken. en oog in oog met hem staan.32:4 en … staan - Letterlijk: en zijn ogen zullen zijn ogen zien.

5Hij zal Zedekia naar Babel doen gaan. Daar zal hij blijven, totdat Ik naar hem zal omzien, spreekt de HEERE. Wanneer u tegen de Chaldeeën strijdt, zult u niet voorspoedig zijn.

6Jeremia zei: Het woord van de HEERE kwam tot mij:

7Zie, Hanameël, de zoon van uw oom Sallum zal naar u toe komen en zeggen: Koop voor uzelf mijn akker die in Anathoth is, want u hebt het recht van lossing om hem te kopen.

8Hanameël, de zoon van mijn oom, kwam, overeenkomstig het woord van de HEERE, naar mij toe op het binnenplein van de wacht. Hij zei tegen mij: Koop toch mijn akker die in Anathoth is, dat in het land van Benjamin is, want u hebt het recht van bezit en u hebt het recht van lossing. Koop hem voor uzelf! Toen wist ik dat dit het woord van de HEERE was.

9Dus kocht ik van Hanameël, de zoon van mijn oom, de akker die in Anathoth is. Ik woog voor hem het geld af, zeventien sikkel32:9 Een sikkel is 10 tot 13 gram. zilver.

10Ik ondertekende de koopbrief en verzegelde die, en liet door getuigen bevestigen dat ik het geld op een weegschaal had afgewogen.

11Ik nam de koopbrief, die volgens het gebod en de verordeningen verzegeld was, en de opengelaten brief,

12en gaf de koopbrief aan Baruch, de zoon van Neria, de zoon van Machseja, voor de ogen van Hanameël, de zoon van mijn oom, voor de ogen van de getuigen die de koopbrief hadden ondertekend, en voor de ogen van alle Judeeërs die op het binnenplein van de wacht zaten.

13Ik gaf Baruch voor hun ogen deze opdracht en zei:

14Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Neem deze brieven, deze koopbrief – de verzegelde en deze opengelaten brief – en doe ze in een aarden pot, zodat ze vele dagen in goede staat blijven.

15Want zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Er zullen weer huizen en akkers en wijngaarden gekocht worden in dit land.

Gebed van Jeremia

16Ik bad tot de HEERE, nadat ik de koopbrief aan Baruch, de zoon van Neria, had gegeven:

17Ach, Heere HEERE! Zie, Ú hebt de hemel en de aarde gemaakt door Uw grote kracht en door Uw uitgestrekte arm. Niets is voor U te wonderlijk.

18

32:18
Ex. 34:7
U, Die goedertierenheid bewijst aan duizenden, Die de ongerechtigheid van de vaderen vergeldt in de schoot van hun kinderen na hen, U, grote, machtige God – HEERE van de legermachten is Zijn Naam –

19groot van

32:19
Jes. 28:29
raad en machtig van daad (want Uw
32:19
Job 34:21
Spr. 5:21
Jer. 16:17
ogen zijn open over alle wegen van de mensenkinderen, om eenieder te
32:19
Jer. 17:10
geven overeenkomstig zijn wegen en overeenkomstig de vrucht van zijn daden),

20U, Die tekenen en wonderen verricht hebt in het land Egypte tot op deze dag, in Israël en onder de andere mensen, en U hebt Uzelf een Naam gemaakt, zoals het heden ten dage is.

21U leidde Uw volk Israël

32:21
Ex. 6:6
2 Sam. 7:23
1 Kron. 17:21
uit het land Egypte, met tekenen en met wonderen, met sterke hand, met uitgestrekte arm en grote ontzagwekkende daden.

22U gaf hun dit land, dat U hun vaderen gezworen had hun te zullen geven, een land dat overvloeit van melk en honing.

23Zij kwamen en namen het in bezit, maar zij hebben niet geluisterd naar Uw stem en hebben niet volgens Uw wet gewandeld. Alles wat U hun geboden had om te doen, hebben zij niet gedaan. Daarom hebt U al dit onheil over hen doen afroepen.

24Zie de belegeringsdammen! Zij zijn bij de stad gekomen om haar in te nemen, en de stad is, vanwege het zwaard, de honger en de pest, in de hand van de Chaldeeën gegeven, die tegen haar strijden. Wat U gesproken hebt, is gebeurd. En zie, U ziet het.

25Toch hebt U Zelf tegen mij gezegd, Heere HEERE: Koop voor uzelf die akker voor geld en laat het door getuigen bevestigen. De stad is echter in de hand van de Chaldeeën gegeven.

Het antwoord van de HEERE

26Toen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia:

27Zie, Ik ben de HEERE, de

32:27
Num. 16:22
God van alle vlees. Zou ook maar iets voor Mij te wonderlijk zijn?

28Daarom, zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga deze stad in de hand van de Chaldeeën en in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, geven en hij zal haar innemen.

29En de Chaldeeën, die tegen deze stad strijden, zullen komen en deze stad met vuur aansteken en haar

32:29
Jer. 21:10
verbranden, mét de huizen waarvan men op de daken reukoffers heeft gebracht aan de Baäl en plengoffers heeft uitgegoten voor andere goden, zodat zij Mij tot toorn verwekten.

30Want de Israëlieten en de Judeeërs hebben vanaf hun jeugd alleen gedaan wat kwaad was in Mijn ogen. Ja, de Israëlieten hebben Mij alleen maar tot toorn verwekt door het werk van hun handen, spreekt de HEERE.

31Want deze stad is Mij tot Mijn toorn en tot Mijn grimmigheid geweest, vanaf de dag dat zij haar gebouwd hebben tot op deze dag, zodat Ik haar moet wegdoen van voor Mijn aangezicht,

32vanwege al het kwaad van de Israëlieten en de Judeeërs, dat zij gedaan hebben om Mij tot toorn te verwekken, zij, hun koningen, hun vorsten, hun priesters en hun profeten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem.

33Zij keerden Mij de

32:33
Jer. 2:27
7:24
nek toe en niet het gezicht, hoewel Ik hen
32:33
Jer. 7:13,25
25:3
26:5
29:19
vroeg en laat32:33 vroeg en laat - Letterlijk: die vroeg op is en onderwijst. onderwees. Zij luisterden echter niet en aanvaardden de vermaningen niet.

34Zij zetten hun afschuwelijke afgoden in het huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, om dat te verontreinigen.

35Zij bouwden de offerhoogten

32:35
Jer. 19:5
van de Baäl, die in het dal Ben-Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochters voor de Molech door het vuur te laten gaan, wat Ik hun niet geboden had. En in Mijn hart was het niet opgekomen dat zij deze gruweldaad zouden doen, zodat ze Juda zouden doen zondigen.

36Welnu, daarom, zo zegt de HEERE, de God van Israël, van deze stad, waar u van zegt: Zij is door het zwaard, door de honger en door de pest in de hand van de koning van Babel gegeven:

37Zie, Ik ga hen

32:37
Jer. 23:3
29:14
31:10
bijeenbrengen uit al de landen waarheen Ik hen in Mijn toorn, in Mijn grimmigheid en in grote verbolgenheid verdreven zal hebben, en Ik zal hen terugbrengen naar deze plaats en hen onbezorgd doen wonen.

38

32:38
Jer. 24:7
30:22
31:1,33
Zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ík zal hun tot een God zijn.

39Ik zal hun één hart en één weg geven om Mij te vrezen, alle dagen, hun ten goede, en hun kinderen na hen.

40Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, dat Ik Mij van achter hen niet zal afwenden, opdat Ik hun goeddoe. En Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, zodat zij niet van Mij afwijken.

41Ik zal Mij over hen verblijden en hun goeddoen. En Ik zal hen in getrouwheid in dit land

32:41
Jer. 24:6
Amos 9:15
planten, met heel Mijn hart en met heel Mijn ziel.

42Want zo zegt de HEERE: Zoals Ik al dit grote onheil over dit volk gebracht heb, zo zal Ik ook al het goede over hen brengen dat Ik over hen uitspreek.

43Er zullen akkers gekocht worden in dit land, waarvan u zegt: Het is een woestenij, zodat er geen mens en geen dier meer is; het is in de hand van de Chaldeeën gegeven.

44Men zal akkers kopen voor geld, de koopbrieven ondertekenen en verzegelen, en die door getuigen laten bevestigen in het land van Benjamin, in de omstreken van Jeruzalem, in de steden van Juda, in de steden van het Bergland, in de steden van het Laagland, en in de steden van het Zuiderland. Ik zal namelijk een omkeer brengen in hun gevangenschap, spreekt de HEERE.

33

Verlossing uit Babel

331Het woord van de HEERE kwam voor de tweede keer tot Jeremia, toen hij nog opgesloten zat op het binnenplein van de wacht:

2Zo zegt de HEERE, Die het doet, de HEERE, Die het vormt om het te bevestigen – HEERE is Zijn Naam:

3Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden, Ik zal u grote en onbegrijpelijke dingen bekendmaken, die u niet weet.

4Want zo zegt de HEERE, de God van Israël, van de huizen van deze stad en van de huizen van de koningen van Juda die zijn afgebroken voor de belegeringsdammen en voor het zwaard,

5waar ze zijn gekomen om te strijden tegen de Chaldeeën: Het is om ze te vullen met de dode lichamen van mensen die Ik verslagen heb in Mijn toorn en in Mijn grimmigheid, en omdat Ik Mijn aangezicht voor deze stad verborgen heb om al hun kwaad.

6Zie, Ik ga haar herstel en genezing bevorderen, Ik zal hen genezen: een overvloed van duurzame vrede33:6 duurzame vrede - Letterlijk: vrede en trouw. zal Ik hun bekendmaken.

7Ik zal een omkeer brengen in de

33:7
Jer. 32:44
gevangenschap van Juda en in de gevangenschap van Israël, en hen
33:7
Jer. 24:6
31:4
opbouwen als vroeger.

8Ik zal hen reinigen van al hun ongerechtigheid, waarmee zij tegen Mij gezondigd hebben. Ik zal al hun ongerechtigheden

33:8
Jer. 31:34
vergeven, waarmee zij tegen Mij gezondigd hebben, en waarmee zij tegen Mij in opstand zijn gekomen.

9Het zal voor Mij worden tot een vreugdevolle naam, tot roem en tot luister bij alle heidenvolken van de aarde, die al het goede zullen horen dat Ik hun doe. Zij zullen beangst zijn en sidderen vanwege al het goede en vanwege al de vrede die Ik het verschaf.

10Zo zegt de HEERE: In deze plaats, waarvan u zegt: Zij ligt verwoest, zodat er geen mens en geen dier meer is – in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem, die zo verwoest zijn, dat er geen mens, geen inwoner en geen dier meer in te vinden is, zal weer gehoord worden

11

33:11
Jer. 7:34
de stem van de vreugde, de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, de stem van hen die zeggen: Loof de HEERE van de legermachten, want de HEERE is goed, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig, en de stem van hen die in het huis van de HEERE een lofoffer brengen. Ik zal namelijk een omkeer brengen in de gevangenschap van het land, zodat het weer wordt als vroeger, zegt de HEERE.

12Zo zegt de HEERE van de legermachten: In deze plaats – hij ligt verwoest, zodat er geen mens en geen dier meer in te vinden is – en in al zijn steden zal weer een weideplaats voor herders zijn die de kudde doen neerliggen.

13In de steden van het Bergland, in de steden van het Laagland, in de steden van het Zuiderland, in het land van Benjamin, in de omstreken van Jeruzalem en in de steden van Juda zullen de kudden weer onder de handen van de teller doorgaan, zegt de HEERE.

14Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik het goede

33:14
Jer. 29:10
woord gestand zal doen dat Ik gesproken heb tot het huis van Israël en over het huis van Juda.

15In die dagen en in die tijd zal Ik voor David een

33:15
Jer. 23:5
SPRUIT van gerechtigheid doen opkomen. Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde.

16In die dagen zal Juda verlost worden en zal Jeruzalem onbezorgd wonen. Dit is hoe men de stad noemen zal: DE HEERE ONZE GERECHTIGHEID.

17Want zo zegt de HEERE: Aan David zal het niet aan een man ontbreken33:17 Aan David … ontbreken - Letterlijk: Van David zal een man niet worden afgesneden; zie ook vers 18. die op de troon van het huis van Israël zit,

18en aan de Levitische priesters zal geen man voor Mijn aangezicht ontbreken die het brandoffer brengt, het graanoffer in rook laat opgaan en het slachtoffer bereidt, alle dagen.

19En het woord van de HEERE kwam tot Jeremia:

20Zo zegt de HEERE: Als u Mijn verbond met de dag en Mijn verbond met de nacht kunt verbreken, zodat dag en nacht er niet meer op hun tijd zullen zijn,

21dan zal ook Mijn verbond met Mijn dienaar David verbroken kunnen worden, zodat hij geen zoon zal hebben die koning is op zijn troon, en ook het verbond met de Levieten, de priesters, Mijn dienaren.

22Zoals het leger aan de hemel niet geteld en het zand van de zee niet gemeten kan worden, zo talrijk zal Ik het nageslacht van Mijn dienaar David maken, en de Levieten, die Mij dienen.

23Het woord van de HEERE kwam tot Jeremia:

24Hebt u niet gemerkt33:24 gemerkt - Letterlijk: gezien. wat dit volk spreekt: De twee geslachten die de HEERE verkozen had, die heeft Hij nu verworpen? Ja, zij verwerpen Mijn volk, zodat het voor hen geen volk meer is.

25Zo zegt de HEERE: Als Mijn verbond met de dag en de nacht er niet is, als Ik de vaste orde van de hemel en de aarde niet geregeld heb,

26dan zal Ik ook het nageslacht van Jakob en van Mijn dienaar David verwerpen, zodat Ik uit zijn nageslacht geen heersers over het nageslacht van Abraham, Izak en Jakob zal nemen. Want Ik zal een omkeer brengen in hun gevangenschap en Mij over hen

33:26
Jer. 31:20
ontfermen.