Herziene Statenvertaling (HSV)
29

Brief aan de ballingen in Babel

291Dit zijn de woorden van de brief die de profeet Jeremia uit Jeruzalem gestuurd heeft aan de rest van de oudsten van de ballingen, aan de priesters, aan de profeten en aan heel het volk dat Nebukadnezar van Jeruzalem in ballingschap had gevoerd naar Babel

2– nadat koning

29:2
2 Kon. 24:12
Jechonia, de koningin-moeder, de hovelingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem, de ambachtslieden en de smeden uit Jeruzalem vertrokken waren –

3door de hand van Elasa, de zoon van Safan, en Gemarja, de zoon van Hilkia, die Zedekia, de koning van Juda, naar Babel gestuurd heeft, naar Nebukadnezar, de koning van Babel:

4Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël, tegen alle ballingen die Ik uit Jeruzalem naar Babel in ballingschap heb gevoerd:

5Bouw huizen en woon erin, leg tuinen aan en eet de vrucht ervan,

6neem vrouwen en verwek zonen en dochters, neem vrouwen voor uw zonen en geef uw dochters aan mannen, zodat zij zonen en dochters baren. Word daar talrijk en verminder niet in aantal.

7Zoek de vrede voor de stad waarheen Ik u in ballingschap heb gevoerd. Bid ervoor tot de HEERE, want in haar vrede zult u vrede hebben.

8Want zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Laten uw profeten die in uw midden zijn, en uw waarzeggers u niet

29:8
Jer. 14:14
23:31
27:15
bedriegen. Luister niet naar uw dromers die u laat dromen,

9want met leugen profeteren zij tegen u in Mijn Naam. Ik heb hen niet gezonden, spreekt de HEERE.

10Want zo zegt de HEERE: Voorzeker, pas wanneer zeventig jaren in Babel voorbij zijn,29:10 pas wanneer … voorbij zijn - Letterlijk: naar de mond van vervuld te zijn voor Babel zeventig jaar. zal Ik naar u omzien en over u Mijn goede woord gestand doen, door u terug te brengen naar deze plaats.

11Ik immers, Ik ken de gedachten die Ik over u koester, spreekt de HEERE. Het zijn gedachten van vrede en niet van kwaad, namelijk om u toekomst en hoop te geven.

12Dan zult u Mij

29:12
Dan. 9
aanroepen en heengaan, u zult tot Mij bidden en Ik zal naar u luisteren.

13U zult Mij zoeken en vinden, wanneer u naar Mij zult vragen met heel uw hart.

14Ik zal door u gevonden worden, spreekt de HEERE, Ik zal een omkeer brengen in uw gevangenschap en u

29:14
Jer. 23:3
bijeenbrengen uit alle volken en uit alle plaatsen waarheen Ik u verdreven heb, spreekt de HEERE, en Ik zal u terugbrengen naar de plaats vanwaar Ik u in ballingschap heb gevoerd.

15Omdat u gezegd hebt: De HEERE heeft ons profeten in Babel doen opstaan,

16daarom zo zegt de HEERE van de koning die zit op de troon van David, en van heel het volk dat woont in deze stad, uw broeders die niet met u in ballingschap zijn vertrokken,

17zo zegt de HEERE van de legermachten: Zie, Ik ga onder hen

29:17
Jer. 24:8,10
het zwaard, de honger en de pest zenden. Ik wil hen maken als de afschuwelijke vijgen die niet te eten zijn vanwege hun slechte kwaliteit.

18Ik zal hen achtervolgen met het zwaard, met de honger en met de pest. Ik zal hen tot een schrikbeeld

29:18
Deut. 28:25,37
Jer. 15:4
24:9
stellen voor alle koninkrijken van de aarde, tot een vervloeking en tot een verschrikking, tot een aanfluiting en tot smaad onder alle volken waarheen Ik hen verdreven heb,

19omdat ze naar Mijn woorden niet geluisterd hebben, spreekt de HEERE, toen Ik Mijn dienaren, de profeten, vroeg en laat29:19 vroeg en laat - Zie noot bij Jeremia 7:25. tot hen heb gezonden. Maar u hebt niet geluisterd, spreekt de HEERE.

20En u, alle ballingen die Ik uit Jeruzalem heb weggezonden naar Babel, hoor het woord van de HEERE.

21Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël, van Achab, zoon van Kolaja, en van Zedekia, zoon van Maäseja, die in Mijn Naam leugen tegen u profeteren: Zie, Ik ga hen overgeven in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, en hij zal hen voor uw ogen doodslaan.

22Aan hen zal een vloek ontleend worden bij alle ballingen van Juda die in Babel zijn: Moge de HEERE u maken als Zedekia en als Achab,29:22 Achab - Hebreeuws: Echab. die de koning van Babel heeft geroosterd in het vuur! –

23omdat zij een dwaasheid in Israël hebben gedaan: zij hebben overspel gepleegd met de vrouwen van hun naasten en spraken in Mijn Naam een leugenwoord, dat Ik hun niet geboden had. Ik ben het Die dat weet en ben er Getuige van, spreekt de HEERE.

24Tegen Semaja, de Nechelamiet, moet u zeggen:

25Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Omdat ú brieven in uw eigen naam verstuurd hebt naar heel het volk dat in Jeruzalem is, en naar Zefanja, de zoon van Maäseja, de priester, en naar al de priesters:

26De HEERE heeft u tot priester aangesteld in plaats van de priester Jojada om opzichters te zijn in het huis van de HEERE over iedereen die krankzinnig is en zich voor profeet uitgeeft, opdat u die vastzet in een

29:26
Jer. 20:1,2,3
blok en met een ketting aan de hals:

27Nu dan, waarom hebt u Jeremia uit Anathoth, die zich bij u uitgeeft voor profeet, niet bestraft?

28Want daarom heeft hij tot ons naar Babel de boodschap gestuurd: Het gaat lang duren. Bouw huizen en woon erin, leg tuinen aan en eet de vrucht ervan.

29De priester Zefanja las deze brief voor ten aanhoren van de profeet Jeremia.

30Toen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia:

31Stuur aan alle ballingen deze boodschap: Zo zegt de HEERE van Semaja, de Nechelamiet: Omdat Semaja u geprofeteerd heeft, terwijl Ík hem niet heb gezonden, en heeft gemaakt dat u

29:31
Jer. 28:15
op leugen vertrouwt,

32daarom, zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga Semaja, de Nechelamiet, en zijn nageslacht straffen. Hij zal niemand hebben die woont in het midden van dit volk. Hij zal niet het goede zien dat Ik doen zal aan Mijn volk, spreekt de HEERE, want hij heeft opgeroepen

29:32
Jer. 28:16
afvallig te worden van de HEERE.

30

Profetie van de verlossing

301Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia:

2Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Schrijf voor u al de woorden die Ik tot u gesproken heb, in een boek.

3Want zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik een omkeer zal brengen in de gevangenschap van Mijn volk, Israël en Juda, zegt de HEERE, en Ik hen zal terugbrengen naar het land dat Ik hun vaderen gegeven heb, en zij zullen het in bezit nemen.

4Dit zijn de woorden die de HEERE gesproken heeft tot Israël en tot Juda.

5Want zo zegt de HEERE:

Een schrikwekkende stem hebben wij gehoord,

angst is er, geen vrede.

6Vraag toch en zie

of een man baren kan?

Waarom heb Ik dan iedere man gezien

met zijn handen op zijn heupen als een

30:6
Jer. 4:31
6:24
barende vrouw,

en waarom zijn alle gezichten lijkbleek weggetrokken?

7

30:7
Joël 2:11
Zef. 1:15
Wee!

Want die dag is groot,

er is er geen als hij.

Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob,

toch zal hij daaruit verlost worden.

8Want op die dag zal het geschieden, spreekt de HEERE van de legermachten, dat Ik zijn juk van uw nek zal breken en uw banden zal verscheuren. Vreemden zullen zich niet meer door hem laten dienen,

9maar zij zullen de HEERE, hun God, dienen, en hun Koning

30:9
Ezech. 34:23,24
37:24
Hos. 3:5
David, Die Ik hun zal doen opstaan.

10U dan, wees niet bevreesd,

30:10
Jes. 41:13
43:5
44:1
Jer. 46:28
Mijn dienaar Jakob,

spreekt de HEERE, wees niet ontsteld, Israël,

want zie, Ik ga u verlossen uit verre landen,

uw nageslacht uit het land van hun gevangenschap,

zodat Jakob terugkeert, rust heeft en zonder zorgen is,

en niemand hem schrik aanjaagt.

11Want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u te verlossen,

want Ik maak een vernietigend einde aan alle heidenvolken

waarheen Ik u verspreid heb,

30:11
Jer. 4:27
5:10,18
46:28
maar aan u zal Ik geen vernietigend einde maken.

Ik zal u bestraffen met

30:11
Jes. 27:8
Jer. 10:24
mate,

maar u beslist niet voor onschuldig houden.

12Want zo zegt de HEERE:

30:12
Jer. 10:19
15:18
Ongeneeslijk is uw breuk,

pijnlijk uw wond.

13Er is niemand die uw zaak behartigt;

voor een gezwel zijn er medicijnen, maar voor u is er geen herstel.

14Al uw

30:14
Jer. 22:20
minnaars zijn u vergeten,

zij vragen niet naar u,

want Ik heb u getroffen met een wond als door een vijand,

met een bestraffing als door een meedogenloze,

vanwege de grootheid van uw ongerechtigheid,

omdat uw zonden machtig veel zijn.

15Wat

30:15
Jer. 13:17
schreeuwt u het dan uit vanwege uw breuk,

omdat uw leed ongeneeslijk is?

Vanwege de grootheid van uw ongerechtigheid, omdat uw zonden

30:15
Jer. 5:6
machtig veel zijn,

heb Ik u deze dingen aangedaan.

16Evenwel zullen allen die u verslinden, zelf

30:16
Ex. 23:22
Jes. 41:11
Jer. 10:25
verslonden worden,

al uw tegenstanders – zij allen zullen in gevangenschap gaan.

Wie u plunderen, zullen tot buit worden,

allen die u uitplunderen zal Ik als buit geven.

17Ja, Ik zal uw herstel bevorderen,

u van uw wonden genezen,

spreekt de HEERE,

al noemen ze u: Verdrevene,

het is Sion,

niemand vraagt naar haar.

18Zo zegt de HEERE:

Zie, Ik ga een omkeer brengen in de gevangenschap van de tenten van Jakob

en zal Mij ontfermen over zijn woningen.

De stad zal herbouwd worden op haar ruïne

en het paleis zal op zijn rechtmatige plaats gelegen zijn.

19Van hen zal dankzegging uitgaan,

en het geluid

30:19
Jer. 31:4
van vrolijke mensen.

Ik zal hen talrijk maken, ze zullen niet in aantal verminderen.

Ik zal hen tot aanzien brengen, ze zullen niet veracht worden.

20Zijn zonen zullen zijn als vanouds,

en zijn gemeente zal voor Mijn aangezicht bevestigd worden.

Ik zal al zijn onderdrukkers straffen.

21Zijn Machtige zal één van hem zijn,

zijn Heerser zal uit zijn midden voortkomen.

Ik zal Hem naderbij doen komen, en Hij zal tot Mij naderen.

Want wie is hij die met zijn hart borg wordt

om tot Mij te naderen? – spreekt de HEERE.

22En u zult

30:22
Jer. 24:7
31:1,33
32:38
Mij tot een volk zijn

en Ík zal u tot een God zijn.

23Zie, een

30:23
Jer. 23:19
25:32
storm van de HEERE, grimmigheid is uitgegaan,

een aanhoudende storm,

op het hoofd van de goddelozen zal hij blijven.

24De brandende toorn van de HEERE zal zich niet afwenden,

tot Hij gedaan en tot Hij tot stand gebracht heeft

de gedachten van Zijn hart.

In later tijd30:24 In later tijd - Letterlijk: Aan het einde van de dagen.

zult u dat begrijpen.

31

De terugkeer van Israël

311In die tijd, spreekt de HEERE, zal Ik al de geslachten van Israël tot een God zijn, en zíj zullen Mij tot een volk zijn.

2Zo zegt de HEERE:

Het volk dat aan het zwaard ontkomen was,

heeft genade gevonden in de woestijn,

toen Ik op weg ging om hem, Israël, tot rust te brengen.

3Van verre tijden af is de HEERE aan mij verschenen:

Met eeuwige liefde heb Ik u liefgehad,

daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.

4Ik zal u weer bouwen en u zult gebouwd worden,

maagd Israël.

Opnieuw zult u zich tooien met uw tamboerijnen,

opnieuw zult u uittrekken in een reidans

31:4
Jer. 30:19
van vrolijke mensen.

5Opnieuw zult u

31:5
Jes. 65:21
wijngaarden planten

op de bergen van Samaria:

de planters zullen planten en de vruchten genieten.

6Want er zal een dag zijn dat de wachters zullen roepen

op het bergland van Efraïm:

31:6
Jes. 2:2,3
Micha 4:2
Sta op, laten wij opgaan naar Sion,

naar de HEERE, onze God!

7Want zo zegt de HEERE:

Zing vrolijk over Jakob, met blijdschap!

Juich om het hoofd van de heidenvolken!

Laat het horen, prijs Hem en zeg:

Verlos Uw volk, HEERE,

het overblijfsel van Israël.

8Zie, Ik doe hen komen

uit het land van het

31:8
Jer. 3:18
noorden,

Ik zal hen bijeenbrengen van de uithoeken van de aarde;

onder hen zijn blinden en verlamden,

zwangeren en barenden met elkaar:

met een grote menigte zullen zij hierheen terugkomen.

9Onder geween zullen zij komen,

onder smeekbeden zal Ik hen leiden.

Ik zal hen doen gaan naar waterbeken,

op een rechte weg, waarop zij niet zullen struikelen,

want Ik ben Israël tot een Vader,

en Efraïm – Mijn

31:9
Ex. 4:22
eerstgeborene is hij.

10Hoor het woord van de HEERE, heidenvolken,

verkondig het in de kustlanden van ver weg,

en zeg:

Hij Die Israël verstrooid heeft, zal het weer bijeenbrengen

en het hoeden, zoals een herder zijn kudde hoedt.

11Want de HEERE heeft Jakob vrijgekocht,

en hem verlost uit de hand van hem

31:11
Jes. 40:10
49:24,25
die sterker was dan hij.

12Zij zullen komen en juichen op de hoogte van Sion,

zij zullen toestromen naar het goede van de HEERE:

naar het koren, naar de nieuwe wijn en naar de olie,

naar de lammeren en runderen.

Hun ziel zal zijn als een

31:12
Jes. 61:11
bevloeide hof,

zij zullen voortaan niet meer treurig zijn.

13Dan zullen jonge vrouwen zich verblijden in een reidans,

ook de jongemannen en de ouderen met elkaar.

Ik zal hun rouw veranderen in vreugde,

Ik zal hen troosten, Ik zal hen blij maken na hun verdriet.

14Ik zal de ziel van de priesters verzadigen met overvloed,31:14 overvloed - Letterlijk: vet.

Mijn volk zal met het goede van Mij verzadigd worden,

spreekt de HEERE.

15Zo zegt de HEERE:

31:15
Matt. 2:17,18
Er is een stem gehoord in Rama, een rouwklacht,

een zeer bitter geween:

Rachel weent over haar kinderen.

Zij weigert zich te laten troosten

over haar kinderen,

want zij zijn er niet meer.

16Zo zegt de HEERE:

Bedwing uw stem van geween,

en uw ogen van tranen,

want er is loon voor uw werk,

spreekt de HEERE.

Zij zullen uit het land van de vijand terugkomen,

17en er is hoop voor uw nakomelingen, spreekt de HEERE,

uw kinderen zullen terugkomen naar hun gebied.

18Ik heb zeker gehoord

dat Efraïm zichzelf beklaagt:

U hebt mij gestraft, ik ben gestraft

als een ongetemd kalf.

31:18
Klaagl. 5:21
Bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn,

want U bent de HEERE, mijn God.

19Want

31:19
Deut. 30:2
nadat ik bekeerd was,

heb ik berouw gekregen.

Nadat ik met mijzelf bekend ben gemaakt,

heb ik mij op de heup geslagen.

Ik ben beschaamd, ja, ook te schande geworden,

omdat ik de smaad van mijn jeugd meedraag.

20Is Efraïm voor Mij niet een dierbare zoon,

is hij voor Mij niet een lievelingskind?

Want zo dikwijls als Ik tot hem spreek,

denk Ik nog voortdurend aan hem.

Daarom is Mijn binnenste bewogen over hem,

Ik zal Mij zeker over hem ontfermen,

spreekt de HEERE.

21Richt u merktekens op,

zet u wegwijzers neer.

Richt uw hart op de gebaande weg,

de weg die u bent gegaan.

Keer terug, maagd Israël,

keer terug naar deze steden van u.

22Hoelang blijft u draaien,

afvallige dochter?

Voorzeker, de HEERE heeft iets nieuws geschapen op de aarde:

een vrouw zal een man omvatten.

23Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zij zullen in het land Juda en in zijn steden weer dit woord zeggen, wanneer Ik een omkeer zal brengen in hun gevangenschap: Moge de HEERE u zegenen,

31:23
Jer. 50:7
woonplaats van gerechtigheid, heilige berg.

24Daarin zullen Juda en al zijn steden met elkaar wonen, akkerbouwers en wie met de kudde rondtrekken.

25Want Ik heb de vermoeide ziel te drinken gegeven en elke treurig geworden ziel heb Ik met voedsel vervuld.

26Hierop ontwaakte ik en ik keek. Mijn slaap was mij aangenaam geweest.

Belofte van een nieuw verbond

27Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van dieren.

28Dan zal het gebeuren, dat Ik ten aanzien van hen zal waken om te bouwen en te planten, zoals Ik ten aanzien van hen gewaakt heb om weg te rukken en af te breken, om omver te halen en te vernielen, en hun kwaad aan te doen, spreekt de HEERE.

29In die dagen zullen zij niet meer zeggen:

31:29
Ezech. 18:2
De vaders hebben onrijpe druiven gegeten,

en de tanden van de kinderen zijn stomp geworden.

30Maar ieder zal om zijn eigen ongerechtigheid sterven. Ieder mens die onrijpe druiven eet – zijn tanden zullen stomp worden.

31Zie, er komen

31:31
Hebr. 8:8
dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten,

32niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden – Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ík hen getrouwd had, spreekt de HEERE.

33Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun

31:33
Vers
tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.

34Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij

31:34
Jes. 54:13
Joh. 6:45
zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE.
31:34
Jer. 33:8
Micha 7:18
Hand. 10:43
Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken.

35Zo zegt de HEERE,

Die de

31:35
Gen. 1:16
zon tot een licht geeft overdag

en de vaste orde van maan en sterren

tot een licht in de nacht,

Die de

31:35
Jes. 51:15
zee opzweept, zodat haar golven bruisen,

HEERE van de legermachten is Zijn Naam.

36Als deze verordeningen ooit zouden wijken

van voor Mijn aangezicht, spreekt de HEERE,

dan zou ook het nageslacht van Israël ophouden

een volk voor Mijn aangezicht te zijn, alle dagen!

37Zo zegt de HEERE:

Als de hemel hierboven ooit opgemeten zou kunnen worden

en de fundamenten van de aarde beneden onderzocht zouden kunnen worden,

dan zou ook Ik heel het nageslacht van Israël verwerpen,

om alles wat zij gedaan hebben, spreekt de HEERE.

38Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat de stad herbouwd zal worden voor de HEERE, van de Hananeëltoren tot aan de Hoekpoort,

39en dat het meetlint nog verder zal lopen, rechtdoor, tot aan de heuvel Gareb en zal afbuigen naar Goa.

40Heel het dal met de dode lichamen en de as en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan de hoek van de Paardenpoort naar het oosten toe, zal een heiligheid voor de HEERE zijn. Voor eeuwig zal er niets meer worden weggerukt of afgebroken.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]