Herziene Statenvertaling (HSV)
28

Jeremia tegenover Hananja

281Het gebeurde in hetzelfde jaar, aan het begin van het koningschap van Zedekia, de koning van Juda, in het vierde jaar, in de vijfde maand, dat de profeet Hananja, de zoon van Azzur, die uit Gibeon kwam, voor de ogen van de priesters en van heel het volk in het huis van de HEERE tegen mij zei:

2Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Ik zal het juk van de koning van Babel breken!

3Binnen

28:3
Jer. 27:16
twee volle jaren breng Ik alle voorwerpen van het huis van de HEERE naar deze plaats terug, die Nebukadnezar, de koning van Babel, uit deze plaats heeft meegenomen en naar Babel heeft gebracht.

4Ook breng Ik Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, en alle ballingen van Juda die in Babel zijn gekomen, naar deze plaats terug, spreekt de HEERE, want Ik breek het juk van de koning van Babel.

5Toen zei de profeet Jeremia tegen de profeet Hananja voor de ogen van de priesters en voor de ogen van heel het volk, die in het huis van de HEERE stonden

6– toen zei de profeet Jeremia: Amen, zo doe de HEERE! Moge de HEERE de woorden die u geprofeteerd hebt, bevestigen door de voorwerpen van het huis van de HEERE en door alle ballingen uit Babel terug te brengen naar deze plaats.

7Maar luister toch naar dit woord, dat ik spreek ten aanhoren van u en ten aanhoren van heel het volk:

8De profeten die vóór mij en vóór u vanouds geweest zijn, die hebben tegen vele landen en tegen grote koninkrijken geprofeteerd van oorlog, van onheil en van pest.

9Maar van de profeet die profeteert van vrede, als het woord van die profeet uitkomt, van die profeet zal erkend worden dat de HEERE hem in waarheid heeft gezonden.

10Toen nam de profeet Hananja het juk van de nek van de profeet Jeremia af en brak het.

11En Hananja zei voor de ogen van heel het volk: Zo zegt de HEERE: Zo zal Ik binnen twee volle jaren het juk van Nebukadnezar, de koning van Babel, van de nek van alle volken breken. En de profeet Jeremia ging zijns weegs.

12Toen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia, nadat de profeet Hananja het juk van de nek van de profeet Jeremia had gebroken:

13Ga tegen Hananja zeggen: Zo zegt de HEERE: Jukken van hout hebt u gebroken, nu zult u in plaats daarvan jukken van ijzer maken.

14Want zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Ik heb een juk van ijzer gelegd op de nek van al deze volken, om Nebukadnezar, de koning van Babel te dienen, en zij zullen hem dienen, ja, Ik heb hem ook de

28:14
Jer. 27:6
dieren van het veld gegeven.

15Toen zei de profeet Jeremia tegen de profeet Hananja: Luister toch, Hananja, de HEERE heeft u niet gezonden. Ú echter hebt dit volk op leugen doen vertrouwen.

16Daarom, zo zegt de HEERE, zie, Ik ga u wegwerpen van de aardbodem. Dit jaar sterft u, omdat u hebt opgeroepen

28:16
Deut. 13:5
Jer. 29:32
afvallig te worden van de HEERE.

17En de profeet Hananja stierf in datzelfde jaar, in de zevende maand.

29

Brief aan de ballingen in Babel

291Dit zijn de woorden van de brief die de profeet Jeremia uit Jeruzalem gestuurd heeft aan de rest van de oudsten van de ballingen, aan de priesters, aan de profeten en aan heel het volk dat Nebukadnezar van Jeruzalem in ballingschap had gevoerd naar Babel

2– nadat koning

29:2
2 Kon. 24:12
Jechonia, de koningin-moeder, de hovelingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem, de ambachtslieden en de smeden uit Jeruzalem vertrokken waren –

3door de hand van Elasa, de zoon van Safan, en Gemarja, de zoon van Hilkia, die Zedekia, de koning van Juda, naar Babel gestuurd heeft, naar Nebukadnezar, de koning van Babel:

4Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël, tegen alle ballingen die Ik uit Jeruzalem naar Babel in ballingschap heb gevoerd:

5Bouw huizen en woon erin, leg tuinen aan en eet de vrucht ervan,

6neem vrouwen en verwek zonen en dochters, neem vrouwen voor uw zonen en geef uw dochters aan mannen, zodat zij zonen en dochters baren. Word daar talrijk en verminder niet in aantal.

7Zoek de vrede voor de stad waarheen Ik u in ballingschap heb gevoerd. Bid ervoor tot de HEERE, want in haar vrede zult u vrede hebben.

8Want zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Laten uw profeten die in uw midden zijn, en uw waarzeggers u niet

29:8
Jer. 14:14
23:31
27:15
bedriegen. Luister niet naar uw dromers die u laat dromen,

9want met leugen profeteren zij tegen u in Mijn Naam. Ik heb hen niet gezonden, spreekt de HEERE.

10Want zo zegt de HEERE: Voorzeker, pas wanneer zeventig jaren in Babel voorbij zijn,29:10 pas wanneer … voorbij zijn - Letterlijk: naar de mond van vervuld te zijn voor Babel zeventig jaar. zal Ik naar u omzien en over u Mijn goede woord gestand doen, door u terug te brengen naar deze plaats.

11Ik immers, Ik ken de gedachten die Ik over u koester, spreekt de HEERE. Het zijn gedachten van vrede en niet van kwaad, namelijk om u toekomst en hoop te geven.

12Dan zult u Mij

29:12
Dan. 9
aanroepen en heengaan, u zult tot Mij bidden en Ik zal naar u luisteren.

13U zult Mij zoeken en vinden, wanneer u naar Mij zult vragen met heel uw hart.

14Ik zal door u gevonden worden, spreekt de HEERE, Ik zal een omkeer brengen in uw gevangenschap en u

29:14
Jer. 23:3
bijeenbrengen uit alle volken en uit alle plaatsen waarheen Ik u verdreven heb, spreekt de HEERE, en Ik zal u terugbrengen naar de plaats vanwaar Ik u in ballingschap heb gevoerd.

15Omdat u gezegd hebt: De HEERE heeft ons profeten in Babel doen opstaan,

16daarom zo zegt de HEERE van de koning die zit op de troon van David, en van heel het volk dat woont in deze stad, uw broeders die niet met u in ballingschap zijn vertrokken,

17zo zegt de HEERE van de legermachten: Zie, Ik ga onder hen

29:17
Jer. 24:8,10
het zwaard, de honger en de pest zenden. Ik wil hen maken als de afschuwelijke vijgen die niet te eten zijn vanwege hun slechte kwaliteit.

18Ik zal hen achtervolgen met het zwaard, met de honger en met de pest. Ik zal hen tot een schrikbeeld

29:18
Deut. 28:25,37
Jer. 15:4
24:9
stellen voor alle koninkrijken van de aarde, tot een vervloeking en tot een verschrikking, tot een aanfluiting en tot smaad onder alle volken waarheen Ik hen verdreven heb,

19omdat ze naar Mijn woorden niet geluisterd hebben, spreekt de HEERE, toen Ik Mijn dienaren, de profeten, vroeg en laat29:19 vroeg en laat - Zie noot bij Jeremia 7:25. tot hen heb gezonden. Maar u hebt niet geluisterd, spreekt de HEERE.

20En u, alle ballingen die Ik uit Jeruzalem heb weggezonden naar Babel, hoor het woord van de HEERE.

21Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël, van Achab, zoon van Kolaja, en van Zedekia, zoon van Maäseja, die in Mijn Naam leugen tegen u profeteren: Zie, Ik ga hen overgeven in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, en hij zal hen voor uw ogen doodslaan.

22Aan hen zal een vloek ontleend worden bij alle ballingen van Juda die in Babel zijn: Moge de HEERE u maken als Zedekia en als Achab,29:22 Achab - Hebreeuws: Echab. die de koning van Babel heeft geroosterd in het vuur! –

23omdat zij een dwaasheid in Israël hebben gedaan: zij hebben overspel gepleegd met de vrouwen van hun naasten en spraken in Mijn Naam een leugenwoord, dat Ik hun niet geboden had. Ik ben het Die dat weet en ben er Getuige van, spreekt de HEERE.

24Tegen Semaja, de Nechelamiet, moet u zeggen:

25Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Omdat ú brieven in uw eigen naam verstuurd hebt naar heel het volk dat in Jeruzalem is, en naar Zefanja, de zoon van Maäseja, de priester, en naar al de priesters:

26De HEERE heeft u tot priester aangesteld in plaats van de priester Jojada om opzichters te zijn in het huis van de HEERE over iedereen die krankzinnig is en zich voor profeet uitgeeft, opdat u die vastzet in een

29:26
Jer. 20:1,2,3
blok en met een ketting aan de hals:

27Nu dan, waarom hebt u Jeremia uit Anathoth, die zich bij u uitgeeft voor profeet, niet bestraft?

28Want daarom heeft hij tot ons naar Babel de boodschap gestuurd: Het gaat lang duren. Bouw huizen en woon erin, leg tuinen aan en eet de vrucht ervan.

29De priester Zefanja las deze brief voor ten aanhoren van de profeet Jeremia.

30Toen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia:

31Stuur aan alle ballingen deze boodschap: Zo zegt de HEERE van Semaja, de Nechelamiet: Omdat Semaja u geprofeteerd heeft, terwijl Ík hem niet heb gezonden, en heeft gemaakt dat u

29:31
Jer. 28:15
op leugen vertrouwt,

32daarom, zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga Semaja, de Nechelamiet, en zijn nageslacht straffen. Hij zal niemand hebben die woont in het midden van dit volk. Hij zal niet het goede zien dat Ik doen zal aan Mijn volk, spreekt de HEERE, want hij heeft opgeroepen

29:32
Jer. 28:16
afvallig te worden van de HEERE.

30

Profetie van de verlossing

301Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia:

2Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Schrijf voor u al de woorden die Ik tot u gesproken heb, in een boek.

3Want zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik een omkeer zal brengen in de gevangenschap van Mijn volk, Israël en Juda, zegt de HEERE, en Ik hen zal terugbrengen naar het land dat Ik hun vaderen gegeven heb, en zij zullen het in bezit nemen.

4Dit zijn de woorden die de HEERE gesproken heeft tot Israël en tot Juda.

5Want zo zegt de HEERE:

Een schrikwekkende stem hebben wij gehoord,

angst is er, geen vrede.

6Vraag toch en zie

of een man baren kan?

Waarom heb Ik dan iedere man gezien

met zijn handen op zijn heupen als een

30:6
Jer. 4:31
6:24
barende vrouw,

en waarom zijn alle gezichten lijkbleek weggetrokken?

7

30:7
Joël 2:11
Zef. 1:15
Wee!

Want die dag is groot,

er is er geen als hij.

Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob,

toch zal hij daaruit verlost worden.

8Want op die dag zal het geschieden, spreekt de HEERE van de legermachten, dat Ik zijn juk van uw nek zal breken en uw banden zal verscheuren. Vreemden zullen zich niet meer door hem laten dienen,

9maar zij zullen de HEERE, hun God, dienen, en hun Koning

30:9
Ezech. 34:23,24
37:24
Hos. 3:5
David, Die Ik hun zal doen opstaan.

10U dan, wees niet bevreesd,

30:10
Jes. 41:13
43:5
44:1
Jer. 46:28
Mijn dienaar Jakob,

spreekt de HEERE, wees niet ontsteld, Israël,

want zie, Ik ga u verlossen uit verre landen,

uw nageslacht uit het land van hun gevangenschap,

zodat Jakob terugkeert, rust heeft en zonder zorgen is,

en niemand hem schrik aanjaagt.

11Want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u te verlossen,

want Ik maak een vernietigend einde aan alle heidenvolken

waarheen Ik u verspreid heb,

30:11
Jer. 4:27
5:10,18
46:28
maar aan u zal Ik geen vernietigend einde maken.

Ik zal u bestraffen met

30:11
Jes. 27:8
Jer. 10:24
mate,

maar u beslist niet voor onschuldig houden.

12Want zo zegt de HEERE:

30:12
Jer. 10:19
15:18
Ongeneeslijk is uw breuk,

pijnlijk uw wond.

13Er is niemand die uw zaak behartigt;

voor een gezwel zijn er medicijnen, maar voor u is er geen herstel.

14Al uw

30:14
Jer. 22:20
minnaars zijn u vergeten,

zij vragen niet naar u,

want Ik heb u getroffen met een wond als door een vijand,

met een bestraffing als door een meedogenloze,

vanwege de grootheid van uw ongerechtigheid,

omdat uw zonden machtig veel zijn.

15Wat

30:15
Jer. 13:17
schreeuwt u het dan uit vanwege uw breuk,

omdat uw leed ongeneeslijk is?

Vanwege de grootheid van uw ongerechtigheid, omdat uw zonden

30:15
Jer. 5:6
machtig veel zijn,

heb Ik u deze dingen aangedaan.

16Evenwel zullen allen die u verslinden, zelf

30:16
Ex. 23:22
Jes. 41:11
Jer. 10:25
verslonden worden,

al uw tegenstanders – zij allen zullen in gevangenschap gaan.

Wie u plunderen, zullen tot buit worden,

allen die u uitplunderen zal Ik als buit geven.

17Ja, Ik zal uw herstel bevorderen,

u van uw wonden genezen,

spreekt de HEERE,

al noemen ze u: Verdrevene,

het is Sion,

niemand vraagt naar haar.

18Zo zegt de HEERE:

Zie, Ik ga een omkeer brengen in de gevangenschap van de tenten van Jakob

en zal Mij ontfermen over zijn woningen.

De stad zal herbouwd worden op haar ruïne

en het paleis zal op zijn rechtmatige plaats gelegen zijn.

19Van hen zal dankzegging uitgaan,

en het geluid

30:19
Jer. 31:4
van vrolijke mensen.

Ik zal hen talrijk maken, ze zullen niet in aantal verminderen.

Ik zal hen tot aanzien brengen, ze zullen niet veracht worden.

20Zijn zonen zullen zijn als vanouds,

en zijn gemeente zal voor Mijn aangezicht bevestigd worden.

Ik zal al zijn onderdrukkers straffen.

21Zijn Machtige zal één van hem zijn,

zijn Heerser zal uit zijn midden voortkomen.

Ik zal Hem naderbij doen komen, en Hij zal tot Mij naderen.

Want wie is hij die met zijn hart borg wordt

om tot Mij te naderen? – spreekt de HEERE.

22En u zult

30:22
Jer. 24:7
31:1,33
32:38
Mij tot een volk zijn

en Ík zal u tot een God zijn.

23Zie, een

30:23
Jer. 23:19
25:32
storm van de HEERE, grimmigheid is uitgegaan,

een aanhoudende storm,

op het hoofd van de goddelozen zal hij blijven.

24De brandende toorn van de HEERE zal zich niet afwenden,

tot Hij gedaan en tot Hij tot stand gebracht heeft

de gedachten van Zijn hart.

In later tijd30:24 In later tijd - Letterlijk: Aan het einde van de dagen.

zult u dat begrijpen.