Herziene Statenvertaling (HSV)
25

De zeventigjarige ballingschap

251Het woord dat tot Jeremia is gekomen over heel het volk van Juda, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, koning van Juda – dit was het eerste jaar van Nebukadrezar, koning van Babel –

2dat de profeet Jeremia gesproken heeft tot heel het volk van Juda en tot al de inwoners van Jeruzalem:

3Vanaf het dertiende jaar van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda tot op deze dag – dit is het drieëntwintigste jaar – is het woord van de HEERE tot mij gekomen. Ik sprak vroeg en laat25:3 vroeg en laat - Zie noot bij Jeremia 7:13. tot u, maar u hebt niet geluisterd.

4Ook heeft de HEERE tot u al Zijn dienaren, de profeten,

25:4
Jer. 7:13,25
11:7
vroeg en laat25:4 vroeg en laat - Zie noot bij Jeremia 7:25. gezonden, maar u hebt
25:4
Jer. 11:7,8,10
13:10,11
16:12
17:23
18:12
19:15
22:21
niet geluisterd en uw oor niet geneigd om te luisteren.

5Ze zeiden:

25:5
2 Kon. 17:13
Jer. 18:11
35:15
Jona 3:8
Bekeer u toch, ieder van zijn slechte weg en van uw slechte daden. Dan zult u eeuw uit en eeuw in blijven wonen in het land dat de HEERE u en uw vaderen gegeven heeft.

6Ga niet achter andere goden aan om die te dienen en u voor hen neer te buigen. Verwek Mij niet tot toorn door het werk van uw handen, dan zal Ik u geen kwaad doen.

7Maar u hebt naar Mij niet geluisterd, spreekt de HEERE, zodat u Mij tot toorn verwekte met het werk van uw handen, uzelf ten kwade.

8Daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten: Omdat u niet naar Mijn woorden hebt geluisterd,

9zie, Ik ga een boodschap zenden en Ik zal alle geslachten uit het noorden halen, spreekt de HEERE, en ook een boodschap zenden naar Nebukadrezar, de koning van Babel, Mijn dienaar. Ik zal hen over dit land brengen, over zijn inwoners en over al deze volken rondom. Ik zal hen slaan met de ban en hen stellen tot een verschrikking, tot een

25:9
Jer. 19:8
aanfluiting, en tot eeuwige puinhopen.

10Ik zal uit hun midden doen verdwijnen

25:10
Jes. 24:7
Jer. 7:34
16:9
Ezech. 26:13
de stem van de vreugde, de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, het geluid van de molenstenen en het licht van de lamp.

11Dan zal heel dit land worden tot een puinhoop, tot een verschrikking. Deze volken zullen de koning van Babel zeventig jaar dienen.

12Maar het zal gebeuren wanneer de

25:12
2 Kron. 36:22
Ezra 1:1
Jer. 29:10
Dan. 9:2
zeventig jaar voorbij zijn, dat Ik de koning van Babel en dat volk – spreekt de HEERE – hun ongerechtigheid zal vergelden, en ook het land van de Chaldeeën en Ik zal dat maken tot eeuwige woestenijen.

13Ik zal over dat land al de woorden brengen die Ik daarover gesproken heb, al wat in dit boek geschreven is, wat Jeremia geprofeteerd heeft over al deze volken.

14Want vele volken en grote koningen zullen zich

25:14
Jer. 27:7
door hen laten dienen. Zo zal Ik hun naar hun daden en naar het werk van hun handen vergelden.

De beker van Gods toorn

15Want zo heeft de HEERE, de God van Israël, tegen mij gezegd: Neem deze beker van de

25:15
Jer. 13:12
wijn van de grimmigheid uit Mijn hand, en geef die te drinken aan al de volken tot wie Ik u zend,

16zodat zij drinken en waggelen en zich als een waanzinnige gedragen vanwege het zwaard dat Ik onder hen zend.

17Toen nam ik deze beker uit de hand van de HEERE en gaf die te drinken aan al de volken tot wie de HEERE mij gezonden had:

18aan Jeruzalem en de steden van Juda, zijn koningen en zijn vorsten, om die te maken tot een puinhoop, tot een verschrikking, tot een aanfluiting en tot een vloek, zoals het heden ten dage is,

19aan de farao, de koning van

25:19
Jer. 46
Egypte, zijn dienaren, zijn vorsten en heel zijn volk,

20aan alle mensen van allerlei herkomst en al de koningen van het land Uz, aan al de koningen van het land van de

25:20
Jer. 47:4
Filistijnen, aan Askelon, Gaza, Ekron en het overblijfsel van Asdod,

21aan

25:21
Jer. 49:7
Edom,
25:21
Jer. 48
Moab en de
25:21
Jer. 49:1
Ammonieten,

22aan al de koningen van

25:22
Jer. 47:4
Tyrus, al de koningen van Sidon, en de koningen van de kustlanden die liggen aan de overkant van de zee,

23aan

25:23
Jer. 49:8
Dedan, Tema, Buz, en allen die kaalgeschoren zijn aan hun
25:23
Jer. 9:26
slapen,

24aan al de koningen van Arabië en al de koningen van de

25:24
Jer. 49:31
gemengde bevolking die in de woestijn woont,

25aan al de koningen van Zimri, al de koningen van

25:25
Jer. 49:34
Elam en al de koningen van Medië,

26aan al de koningen van het noorden, die dichtbij en veraf zijn, de een na de ander; ja, aan al de koninkrijken van de aarde, die op de aardbodem zijn. Na hen zal de koning van Sesach drinken.

27Dan moet u tegen hen zeggen: Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Drink, word dronken, spuw uit, val neer zodat u niet weer opstaat, vanwege het zwaard dat Ik onder u zend.

28Mocht het gebeuren dat zij weigeren de beker uit uw hand te nemen om te drinken, dan zult u tegen hen zeggen: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Drinken zult u!

29Want zie, in de

25:29
1 Petr. 4:17
stad waarover Mijn Naam is uitgeroepen, begin Ik met onheil aan te richten en zou u dan in enig opzicht voor onschuldig worden gehouden? U zult niet voor onschuldig worden gehouden, want Ik roep het zwaard op tegen alle bewoners van de aarde, spreekt de HEERE van de legermachten.

30En ú moet tegen hen al deze woorden profeteren, en tegen hen zeggen:

De HEERE zal

25:30
Joël 3:16
Amos 1:2
brullen als een leeuw vanuit de hoogte,

vanuit Zijn heilige woning Zijn stem laten klinken.

Hij zal geweldig brullen tegen Zijn woonplaats,

Hij zal een vreugderoep als van druiventreders aanheffen

tegen alle bewoners van de aarde.

31Vreselijk gedruis zal komen tot aan het einde der aarde,

want de HEERE heeft een rechtszaak met de volken;

Híj zal een rechtszaak voeren met alle vlees.

De goddelozen heeft Hij overgegeven aan het zwaard,

spreekt de HEERE.

32Zo zegt de HEERE van de legermachten:

Zie, onheil gaat uit

van volk tot volk.

Een zware storm wordt opgewekt

van de uithoeken van de aarde.

33De door de HEERE dodelijk gewonden zullen op die dag van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde liggen. Er zal over hen geen

25:33
Jer. 16:4
rouw bedreven worden, zij zullen niet verzameld en niet begraven worden: tot mest op de aardbodem zullen zij zijn.

34

25:34
Jer. 4:8
6:26
Weeklaag, herders, en schreeuw het uit!

Wentel u in de as, gebieders van de kudde!

Want uw dagen zijn aangebroken, dat men

25:34
Jes. 65:12
Jer. 12:3
afslachten zal,

en uw

25:34
Jer. 9:16
13:14,24
18:17
verstrooiing, zodat u zult vallen als kostbaar vaatwerk.

35De mogelijkheid tot ontvluchten voor de herders gaat verloren,

de mogelijkheid tot ontkoming voor de gebieders van de kudde.

36Hoor het geschreeuw van de herders,

en het gejammer van de gebieders van de kudde,

omdat de HEERE hun weide verwoest.

37De vredige weiden worden vernield

vanwege de brandende toorn van de HEERE.

38Als een jonge leeuw heeft Hij Zijn schuilplaats verlaten,

want hun land is geworden tot een woestenij

vanwege de brandende toorn van de onderdrukker,

ja, vanwege Zijn brandende toorn.

26

De tempelprediking van Jeremia

261In het begin van het koningschap van Jojakim, de zoon van Josia, koning van Juda, kwam dit woord van de HEERE:

2Zo zegt de HEERE: Ga in de voorhof van het huis van de HEERE staan en spreek tot alle steden van Juda die komen om zich neer te buigen in het huis van de HEERE, alle woorden die Ik u geboden heb tot hen te spreken. Doe er geen woord van af.

3Misschien zullen zij luisteren en zich bekeren, zij allen van hun slechte weg. Dan zal Ik

26:3
Jer. 18:8
berouw hebben over het kwade dat Ik hun denk aan te doen vanwege hun slechte daden.

4Zeg dan tegen hen: Zo zegt de HEERE: Als u niet naar Mij wilt luisteren door te wandelen volgens Mijn wet, die Ik u heb voorgehouden,

5door te luisteren naar de woorden van Mijn dienaren, de profeten, die Ik

26:5
Jer. 7:13,25
11:7
25:3
vroeg en laat26:5 vroeg en laat - Zie noot bij Jeremia 7:25. tot u zend, en u niet hebt willen luisteren,

6dan zal Ik dit huis maken als

26:6
1 Sam. 4:12
Ps. 78:60
Jer. 7:12,14
Silo, en deze stad zal Ik maken tot een vloek voor alle volken van de aarde.

7De priesters, de profeten en heel het volk hoorden Jeremia deze woorden spreken in het huis van de HEERE.

8Het gebeurde zodra Jeremia geëindigd had uit te spreken alles wat de HEERE geboden had tot heel het volk te spreken, dat de priesters, de profeten en heel het volk hem grepen en zeiden: U zult zeker sterven!

9Waarom hebt u in de Naam van de HEERE geprofeteerd: Dit huis zal worden als Silo en deze stad zal verwoest worden, zodat er geen inwoner meer is? En heel het volk liep te hoop tegen Jeremia in het huis van de HEERE.

10Toen nu de vorsten van Juda deze woorden hoorden, kwamen zij uit het huis van de koning naar het huis van de HEERE, en gingen bij de ingang van de nieuwe poort van het huis van de HEERE, zitten.

11Toen zeiden de priesters en de profeten tegen de vorsten en tegen heel het volk: Deze man heeft de doodstraf verdiend, want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, zoals u met eigen oren gehoord hebt.

12Maar Jeremia zei tegen al de vorsten en tegen heel het volk: De HEERE heeft mij gezonden om tegen dit huis en tegen deze stad te profeteren alle woorden die u gehoord hebt.

13Nu dan,

26:13
Jer. 7:3
maak uw wegen en uw daden goed en luister naar de stem van de HEERE, uw God. Dan zal het de HEERE berouwen over het kwaad dat Hij over u uitgesproken heeft.

14Ik echter, zie, ik ben in uw hand. Doe met mij zoals goed en recht is in uw ogen.

15Alleen moet u goed weten: als u mij doodt, brengt u onschuldig bloed over uzelf, over deze stad en over de inwoners ervan, want in waarheid, de HEERE heeft mij naar u toe gezonden om al deze woorden ten aanhoren van u uit te spreken.

16Toen zeiden de vorsten en heel het volk tegen de priesters en tegen de profeten: Deze man heeft niet de doodstraf verdiend, want hij heeft in de Naam van de HEERE, onze God, tot ons gesproken.

17Ook stonden er mannen op uit de oudsten van het land. Zij zeiden tegen heel het verzamelde volk:

18

26:18
Micha 1:1
Micha uit Moreset heeft in de dagen van Hizkia, koning van Juda, geprofeteerd. Hij zei tegen heel het volk van Juda: Zo zegt de HEERE van de legermachten:

26:18
Micha 3:12
Sion zal als een akker omgeploegd worden,

Jeruzalem zal tot puinhopen worden

en de berg van dit huis tot hoogten in het woud.

19Hebben Hizkia, de koning van Juda, en heel Juda hem ooit ter dood laten brengen? Vreesde hij niet de HEERE? Trachtte hij niet het aangezicht van de HEERE gunstig te stemmen, zodat het de HEERE berouwde over het kwaad dat Hij over hen uitgesproken had? Wij zijn bezig onszelf26:19 onszelf - Letterlijk: onze zielen. een groot kwaad aan te doen!

20Er was nog een man die in de Naam van de HEERE profeteerde: Uria, de zoon van Semaja, uit Kirjath-Jearim. Hij profeteerde tegen deze stad en tegen dit land overeenkomstig al de woorden van Jeremia.

21Toen koning Jojakim met al zijn dappere helden en al de vorsten zijn woorden hoorden, wilde de koning hem ter dood brengen. Toen Uria dat hoorde, werd hij bevreesd. Hij vluchtte en kwam in Egypte,

22maar koning Jojakim stuurde mannen naar Egypte: Elnathan, de zoon van Achbor, en andere mannen met hem, naar Egypte.

23Die haalden Uria uit Egypte en brachten hem naar koning Jojakim. Toen sloeg hij hem met het zwaard en wierp zijn dode lichaam op de begraafplaats van het gewone volk.26:23 het gewone volk - Letterlijk: de zonen van het volk.

24Maar de hand van Ahikam, de zoon van Safan, was met Jeremia, zodat men hem niet overgaf in de hand van het volk om hem ter dood te brengen.

27

Het juk van Babel

271In het begin van het koningschap van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, kwam dit woord van de HEERE tot Jeremia:

2Zo heeft de HEERE tegen mij gezegd: Maak u banden en jukken en

27:2
Jer. 28:10
leg die op uw nek,

3en stuur ze naar de koning van Edom, naar de koning van Moab, naar de koning van de Ammonieten, naar de koning van Tyrus en naar de koning van Sidon, door de hand van de gezanten die naar Jeruzalem komen naar Zedekia, de koning van Juda.

4U moet hun gebieden tegen hun heren te zeggen: Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zo moet u zeggen tegen uw heren:

5Ík heb de aarde gemaakt, de mens en het vee die op het aardoppervlak zijn, door Mijn grote kracht en door Mijn uitgestrekte arm, en Ik

27:5
Dan. 4:17,25
geef haar aan wie het in Mijn ogen goed is.

6Welnu, Ík heb al deze landen gegeven in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel,

27:6
Jer. 25:9
Mijn dienaar. Zelfs ook de dieren van het veld heb Ik hem gegeven om hem te dienen.

7Alle volken zullen hem, zijn zoon, en zijn kleinzoon dienen, totdat ook voor zijn land de tijd komt dat machtige volken en grote koningen zich door hem laten dienen.

8En het zal gebeuren dat het volk of het koninkrijk dat hem, Nebukadnezar, de koning van Babel, niet wil dienen, en dat niet zijn nek wil geven onder het juk van de koning van Babel, dat volk – spreekt de HEERE – zal Ik straffen met het zwaard, met de honger en met de pest, totdat Ik hen omgebracht zal hebben door zijn hand.

9U dan, luister niet naar uw profeten, naar uw waarzeggers, naar uw dromers, naar uw wolkenduiders en naar uw tovenaars, die tegen u zeggen: U mag de koning van Babel niet dienen.

10Want zij profeteren u leugen, om u ver uit uw land te brengen, zodat Ik u verdrijf en u omkomt.

11Maar het volk dat zijn nek zal voegen onder het juk van de koning van Babel en hem zal dienen, dat zal Ik in zijn eigen land laten, spreekt de HEERE, en het zal dat bewerken en daarin wonen.

12Daarop sprak ik tot Zedekia, de koning van Juda, overeenkomstig al deze woorden: Breng uw nekken onder het juk van de koning van Babel, dien hem en zijn volk, en u zult leven.

13Waarom zouden u en uw volk sterven door het zwaard, door de honger en door de pest, zoals de HEERE gesproken heeft van het volk dat niet de koning van Babel wil dienen?

14

27:14
Jer. 14:14
23:21
29:8
Luister dan niet naar de woorden van de profeten die tegen u zeggen: U mag de koning van Babel niet dienen, want zij profeteren u leugen.

15Want Ik heb hen niet gezonden, spreekt de HEERE, zij profeteren in Mijn Naam leugen, zodat Ik u zal verdrijven en u zult omkomen, u en de profeten die tegen u profeteren.

16Ook tot de priesters en heel dit volk sprak ik: Zo zegt de HEERE: Luister niet naar de woorden van uw profeten, die tegen u profeteren: Zie, de voorwerpen van het huis van de HEERE worden nu

27:16
Jer. 28:3
snel uit Babel teruggebracht, want zij profeteren u leugen.

17Luister niet naar hen. Dien de koning van Babel, en u zult leven. Waarom zou deze stad tot een puinhoop worden?

18Maar als zij profeten zijn en als het woord van de HEERE bij hen is, laten zij toch bij de HEERE van de legermachten erop aandringen dat de voorwerpen die in het huis van de HEERE, in het huis van de koning van Juda en in Jeruzalem zijn overgebleven, niet in Babel terechtkomen.

19Want zo zegt de HEERE van de legermachten over de pilaren, over de zee, en over de onderstellen en over de rest van de voorwerpen die in deze stad zijn overgebleven,

20die Nebukadnezar, de koning van Babel, niet heeft meegenomen, toen hij Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, van Jeruzalem naar Babel

27:20
2 Kon. 24:14,15
in ballingschap voerde, met al de edelen van Juda en Jeruzalem –

21ja, zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël, over de voorwerpen die in het huis van de HEERE, het huis van de koning van Juda en in Jeruzalem zijn overgebleven:

22Naar Babel zullen zij

27:22
2 Kon. 25:13
2 Kron. 36:18
gebracht worden en daar zullen ze zijn tot de dag dat Ik ernaar zal omzien, spreekt de HEERE. Dan zal Ik ze weghalen en naar deze plaats
27:22
2 Kron. 36:22
Jer. 29:10
terugbrengen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]