Herziene Statenvertaling (HSV)
23

De rechtvaardige Spruit

231Wee de

23:1
Ezech. 34:2
herders die de schapen van Mijn weide ombrengen en overal verspreiden, spreekt de HEERE.

2Daarom, zo zegt de HEERE, de God van Israël, van de herders die Mijn volk weiden: Ú hebt Mijn schapen overal verspreid en verdreven, en u hebt niet naar ze omgezien. Zie, Ik ga u uw slechte daden vergelden, spreekt de HEERE.

3Ik echter, Ik zal het overblijfsel van Mijn schapen bijeenbrengen uit al de landen waarheen Ik hen verdreven heb. Ik zal hen terugbrengen naar hun schaapskooien, en zij zullen vruchtbaar zijn en talrijk worden.

4Ik zal over hen

23:4
Ezech. 34:11,12
herders doen opstaan die hen weiden zullen. Zij zullen niet meer bevreesd zijn, ontsteld zijn of gemist worden, spreekt de HEERE.

5Zie, er komen

23:5
Jes. 4:2
40:11
Jer. 33:14,15
Dan. 9:24
Luk. 1:32,33
dagen, spreekt de HEERE,

dat Ik voor David een rechtvaardige SPRUIT zal doen opstaan.

Hij zal als Koning regeren en verstandig handelen,

Hij zal recht en gerechtigheid doen op de aarde.

6

23:6
Deut. 33:28
In Zijn dagen zal Juda verlost worden

en Israël onbezorgd wonen.

Dit zal Zijn Naam zijn waarmee men Hem noemen zal:

DE HEERE ONZE GERECHTIGHEID.

7Daarom zie, er komen

23:7
Jer. 16:14,15
dagen, spreekt de HEERE, dat men niet meer zal zeggen: Zo waar de HEERE leeft, Die de Israëlieten geleid heeft uit het land Egypte,

8maar: Zo waar de HEERE leeft, Die het nageslacht van het huis van Israël geleid heeft en Die het gebracht heeft uit het land in het noorden en uit al de landen waarheen Ik hen verdreven had: zij zullen wonen in hun eigen land.

Over de profeten

9Over de profeten.

Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken,

al mijn beenderen bewegen zich.

Ik ben geworden als een dronkeman,

als een man wie de wijn naar het hoofd is gestegen,

vanwege de HEERE,

en vanwege Zijn heilige woorden.

10Want het land

is vol

23:10
Jer. 5:7,8
9:2
overspelers,

ja, vanwege de vervloeking treurt het land,

verdorren de weiden van de woestijn.

Wat zij najagen is slecht,

hun kracht gebruiken zij niet juist.

11Want zowel profeet als priester pleegt

23:11
Jer. 6:13
8:10
14:18
heiligschennis,

zelfs in Mijn huis heb Ik hun slechtheid gevonden,

spreekt de HEERE.

12Daarom zal hun weg voor hen worden

als

23:12
Ps. 35:6
73:18
spiegelgladde plaatsen in het
23:12
Jer. 13:16
donker.

Zij zullen voortgeduwd worden

en daarin vallen,

want Ik zal over hen onheil brengen

in het jaar van hun vergelding,

spreekt de HEERE.

13Bij de profeten van Samaria

heb Ik wel ongerijmde dingen gezien:

zij profeteerden namens de Baäl

en misleidden Mijn volk Israël.

14Maar bij de profeten van Jeruzalem

heb Ik iets afschuwelijks gezien:

zij plegen overspel, met leugen gaan zij hun weg

zij bemoedigen de kwaaddoeners,23:14 zij bemoedigen de kwaaddoeners - Letterlijk: zij versterken de handen van de kwaaddoeners.

zodat niemand zich bekeert

van zijn slechtheid.

Zij allen zijn voor Mij als

23:14
Jes. 1:9
Sodom,

en zijn inwoners als Gomorra.

15Daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten over deze profeten:

Zie, Ik ga hun

23:15
Jer. 9:15
alsem te eten geven

en

23:15
Jer. 8:14
9:15
galwater te drinken,

omdat van de profeten van Jeruzalem

heiligschennis is uitgegaan over heel het land.

16Zo zegt de HEERE van de legermachten:

Luister niet naar de woorden van die profeten die tot u profeteren.

Zij geven u ijdele hoop.

Zij spreken een visioen uit hun eigen hart,

niet uit de mond van de HEERE.

17Steeds

23:17
Jer. 6:14
8:11
Ezech. 13:10
Zach. 10:2
zeggen zij tegen hen die Mij verwerpen: De HEERE heeft gesproken:

U zult vrede hebben;

en tegen ieder die in zijn verharde hart23:17 zijn verharde hart - Letterlijk: de verharding van zijn … hart. voortgaat:

Geen onheil zal over u komen.

18Want wie heeft in de raad van de HEERE gestaan, en Zijn woord gezien en gehoord,

wie heeft op Zijn woord acht geslagen en ernaar geluisterd?

19Zie, een

23:19
Jer. 30:23,24
storm van de HEERE, grimmigheid is uitgegaan,

een wervelende storm:

op het hoofd van de goddelozen stort hij neer.

20De toorn van de HEERE zal zich niet afwenden,

tot Hij gedaan en tot Hij tot stand gebracht heeft

de gedachten van Zijn hart.

In later tijd23:20 In later tijd - Letterlijk: Aan het einde van de dagen.

zult u dat duidelijk begrijpen.

21Ik heb die profeten

23:21
Jer. 14:14
niet gezonden,

toch zijn zij zelf gaan lopen.

Ik heb niet tot hen gesproken,

toch zijn zij zelf gaan profeteren.

22Hadden zij in Mijn raad gestaan,

dan hadden zij Mijn volk Mijn woorden doen horen,

en hadden zij hen doen terugkeren van hun slechte weg

en van hun slechte daden.

23Ben Ik een God van nabij,

spreekt de HEERE,

en niet een God van verre?

24Zou iemand zich op

23:24
Ps. 139:7Amos 9:2,3
verborgen plaatsen kunnen verbergen

en zou Ík hem niet zien? spreekt de HEERE.

Vervul Ik niet de hemel en de aarde?

spreekt de HEERE.

25Ik heb gehoord wat de profeten zeggen die in Mijn Naam leugen profeteren door te zeggen: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd!

26Hoelang nog? Is er dan een droom in het hart van de profeten die leugen profeteren? Ja, profeten zijn ze van het bedrog uit hun eigen hart.

27Zij denken Mijn volk Mijn Naam te doen

23:27
Richt. 3:7
8:33,34
vergeten door hun dromen, die zij elkaar vertellen, zoals hun vaderen Mijn Naam vergeten hebben door de Baäl.

28Laat de profeet bij wie een droom is, een droom vertellen. Laat ieder bij wie Mijn woord is, Mijn woord naar waarheid spreken.

Wat heeft het stro gemeenschappelijk met het koren?

spreekt de HEERE.

29Is niet Mijn woord zó, als het vuur, spreekt de HEERE,

of als een hamer die een rots verplettert?

30Daarom zie,

23:30
Deut. 18:20
Jer. 14:14,15
Ik zál die profeten! spreekt de HEERE, die Mijn woorden van elkaar stelen.

31Zie, Ik zál die profeten! spreekt de HEERE, die hun tong gebruiken en spreken: Hij spreekt.

32Zie, Ik zál die profeten van bedrieglijke dromen! spreekt de HEERE. Zij vertellen die, zij misleiden Mijn volk met hun leugens en met hun

23:32
Zef. 3:4
gezwets. Ík heb hen niet gezonden. Ik heb hun geen opdracht gegeven. Zij zijn voor dit volk van geen enkel nut, spreekt de HEERE.

De last van de HEERE

33Wanneer dit volk of een profeet of een priester u zal vragen: Wat is de last23:33 de last - Dat wil zeggen: een woord van God dat de profeet als een last is opgelegd. van de HEERE? dan moet u tegen hen zeggen: Wat last? Ik zal u verlaten, spreekt de HEERE.

34En de profeet of de priester of het volk dat zeggen zal: Een last van de HEERE! Ik zal die man en zijn huis straffen.

35Dit moet u, ieder tegen zijn naaste en ieder tegen zijn broeder zeggen: Wat heeft de HEERE geantwoord? En: Wat heeft de HEERE gesproken?

36Maar aan een last van de HEERE mag u niet meer denken, want voor ieder zal zijn eigen woord een last zijn, want u verdraait de woorden van de levende God, de HEERE van de legermachten, onze God.

37Dit moet u zeggen tegen de profeet: Wat heeft de HEERE u geantwoord? En: Wat heeft de HEERE gesproken?

38Maar als u zegt: De last van de HEERE – daarom, zo zegt de HEERE: Omdat u dit woord zegt: De last van de HEERE, terwijl Ik u de boodschap had gezonden: U mag niet zeggen: De last van de HEERE,

39daarom, zie, Ik zal u helemaal vergeten, en u, en de stad die Ik u en uw vaderen gegeven heb, van voor Mijn aangezicht verlaten.

40Ik zal op u eeuwige smaad leggen,

23:40
Jer. 20:11
eeuwige schande, die niet zal worden vergeten.

24

Twee manden met vijgen

241De HEERE liet mij zien, en zie, twee manden met vijgen waren neergezet voor de tempel van de HEERE, nadat

24:1
2 Kon. 24:15
2 Kron. 36:10
Nebukadrezar, de koning van Babel, Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda en de vorsten van Juda, de ambachtslieden en de smeden uit Jeruzalem in ballingschap gevoerd had, en hen naar Babel gebracht had.

2In de ene mand zaten zeer goede vijgen, zoals de eerste vroege vijgen zijn. In de andere mand zaten zeer slechte vijgen, die vanwege hun slechte kwaliteit niet te eten waren.

3Toen zei de HEERE tegen mij: Wat ziet u, Jeremia? Ik zei: Vijgen. De goede vijgen zijn zeer goed, maar de slechte zeer slecht, die vanwege hun slechte kwaliteit niet te eten zijn.

4Toen kwam het woord van de HEERE tot mij:

5Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zoals die goede vijgen, zo zal Ik de ballingen van Juda, die Ik uit deze plaats heb weggestuurd naar het land van de Chaldeeën, kennen ten goede.

6Ik zal Mijn oog op hen gericht houden ten goede en Ik zal hen naar dit land

24:6
Jer. 16:15
doen terugkeren. Ik zal hen bouwen en niet afbreken. Ik zal hen planten en niet wegrukken.

7

24:7
Deut. 30:6
Jer. 32:39
Ezech. 11:19
36:26,27
Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben,
24:7
Jer. 30:22
31:33
32:38
en zij zullen Mij tot een volk zijn en Ík zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij bekeren met heel hun hart.

8

24:8
Jer. 29:17
Maar zoals de slechte vijgen, die vanwege hun slechte kwaliteit niet te eten zijn – want zo zegt de HEERE – zo zal Ik Zedekia maken, de koning van Juda, zijn vorsten, het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven en die in het land Egypte wonen.

9

24:9
Deut. 28:25,37
1 Kon. 9:7
2 Kron. 7:20
Jer. 15:4
29:18
34:17
42:18
Ik zal hen voor alle koninkrijken van de aarde tot een schrikbeeld stellen hoe slecht het kan aflopen, tot smaad en tot een spreekwoord, tot een voorwerp van spot en tot een vloek in alle plaatsen waarheen Ik hen zal verdrijven.

10Ik zal onder hen zenden het zwaard, de honger en de pest, totdat zij omgekomen zullen zijn uit het land dat Ik hun en hun vaderen heb gegeven.

25

De zeventigjarige ballingschap

251Het woord dat tot Jeremia is gekomen over heel het volk van Juda, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, koning van Juda – dit was het eerste jaar van Nebukadrezar, koning van Babel –

2dat de profeet Jeremia gesproken heeft tot heel het volk van Juda en tot al de inwoners van Jeruzalem:

3Vanaf het dertiende jaar van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda tot op deze dag – dit is het drieëntwintigste jaar – is het woord van de HEERE tot mij gekomen. Ik sprak vroeg en laat25:3 vroeg en laat - Zie noot bij Jeremia 7:13. tot u, maar u hebt niet geluisterd.

4Ook heeft de HEERE tot u al Zijn dienaren, de profeten,

25:4
Jer. 7:13,25
11:7
vroeg en laat25:4 vroeg en laat - Zie noot bij Jeremia 7:25. gezonden, maar u hebt
25:4
Jer. 11:7,8,10
13:10,11
16:12
17:23
18:12
19:15
22:21
niet geluisterd en uw oor niet geneigd om te luisteren.

5Ze zeiden:

25:5
2 Kon. 17:13
Jer. 18:11
35:15
Jona 3:8
Bekeer u toch, ieder van zijn slechte weg en van uw slechte daden. Dan zult u eeuw uit en eeuw in blijven wonen in het land dat de HEERE u en uw vaderen gegeven heeft.

6Ga niet achter andere goden aan om die te dienen en u voor hen neer te buigen. Verwek Mij niet tot toorn door het werk van uw handen, dan zal Ik u geen kwaad doen.

7Maar u hebt naar Mij niet geluisterd, spreekt de HEERE, zodat u Mij tot toorn verwekte met het werk van uw handen, uzelf ten kwade.

8Daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten: Omdat u niet naar Mijn woorden hebt geluisterd,

9zie, Ik ga een boodschap zenden en Ik zal alle geslachten uit het noorden halen, spreekt de HEERE, en ook een boodschap zenden naar Nebukadrezar, de koning van Babel, Mijn dienaar. Ik zal hen over dit land brengen, over zijn inwoners en over al deze volken rondom. Ik zal hen slaan met de ban en hen stellen tot een verschrikking, tot een

25:9
Jer. 19:8
aanfluiting, en tot eeuwige puinhopen.

10Ik zal uit hun midden doen verdwijnen

25:10
Jes. 24:7
Jer. 7:34
16:9
Ezech. 26:13
de stem van de vreugde, de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, het geluid van de molenstenen en het licht van de lamp.

11Dan zal heel dit land worden tot een puinhoop, tot een verschrikking. Deze volken zullen de koning van Babel zeventig jaar dienen.

12Maar het zal gebeuren wanneer de

25:12
2 Kron. 36:22
Ezra 1:1
Jer. 29:10
Dan. 9:2
zeventig jaar voorbij zijn, dat Ik de koning van Babel en dat volk – spreekt de HEERE – hun ongerechtigheid zal vergelden, en ook het land van de Chaldeeën en Ik zal dat maken tot eeuwige woestenijen.

13Ik zal over dat land al de woorden brengen die Ik daarover gesproken heb, al wat in dit boek geschreven is, wat Jeremia geprofeteerd heeft over al deze volken.

14Want vele volken en grote koningen zullen zich

25:14
Jer. 27:7
door hen laten dienen. Zo zal Ik hun naar hun daden en naar het werk van hun handen vergelden.

De beker van Gods toorn

15Want zo heeft de HEERE, de God van Israël, tegen mij gezegd: Neem deze beker van de

25:15
Jer. 13:12
wijn van de grimmigheid uit Mijn hand, en geef die te drinken aan al de volken tot wie Ik u zend,

16zodat zij drinken en waggelen en zich als een waanzinnige gedragen vanwege het zwaard dat Ik onder hen zend.

17Toen nam ik deze beker uit de hand van de HEERE en gaf die te drinken aan al de volken tot wie de HEERE mij gezonden had:

18aan Jeruzalem en de steden van Juda, zijn koningen en zijn vorsten, om die te maken tot een puinhoop, tot een verschrikking, tot een aanfluiting en tot een vloek, zoals het heden ten dage is,

19aan de farao, de koning van

25:19
Jer. 46
Egypte, zijn dienaren, zijn vorsten en heel zijn volk,

20aan alle mensen van allerlei herkomst en al de koningen van het land Uz, aan al de koningen van het land van de

25:20
Jer. 47:4
Filistijnen, aan Askelon, Gaza, Ekron en het overblijfsel van Asdod,

21aan

25:21
Jer. 49:7
Edom,
25:21
Jer. 48
Moab en de
25:21
Jer. 49:1
Ammonieten,

22aan al de koningen van

25:22
Jer. 47:4
Tyrus, al de koningen van Sidon, en de koningen van de kustlanden die liggen aan de overkant van de zee,

23aan

25:23
Jer. 49:8
Dedan, Tema, Buz, en allen die kaalgeschoren zijn aan hun
25:23
Jer. 9:26
slapen,

24aan al de koningen van Arabië en al de koningen van de

25:24
Jer. 49:31
gemengde bevolking die in de woestijn woont,

25aan al de koningen van Zimri, al de koningen van

25:25
Jer. 49:34
Elam en al de koningen van Medië,

26aan al de koningen van het noorden, die dichtbij en veraf zijn, de een na de ander; ja, aan al de koninkrijken van de aarde, die op de aardbodem zijn. Na hen zal de koning van Sesach drinken.

27Dan moet u tegen hen zeggen: Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Drink, word dronken, spuw uit, val neer zodat u niet weer opstaat, vanwege het zwaard dat Ik onder u zend.

28Mocht het gebeuren dat zij weigeren de beker uit uw hand te nemen om te drinken, dan zult u tegen hen zeggen: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Drinken zult u!

29Want zie, in de

25:29
1 Petr. 4:17
stad waarover Mijn Naam is uitgeroepen, begin Ik met onheil aan te richten en zou u dan in enig opzicht voor onschuldig worden gehouden? U zult niet voor onschuldig worden gehouden, want Ik roep het zwaard op tegen alle bewoners van de aarde, spreekt de HEERE van de legermachten.

30En ú moet tegen hen al deze woorden profeteren, en tegen hen zeggen:

De HEERE zal

25:30
Joël 3:16
Amos 1:2
brullen als een leeuw vanuit de hoogte,

vanuit Zijn heilige woning Zijn stem laten klinken.

Hij zal geweldig brullen tegen Zijn woonplaats,

Hij zal een vreugderoep als van druiventreders aanheffen

tegen alle bewoners van de aarde.

31Vreselijk gedruis zal komen tot aan het einde der aarde,

want de HEERE heeft een rechtszaak met de volken;

Híj zal een rechtszaak voeren met alle vlees.

De goddelozen heeft Hij overgegeven aan het zwaard,

spreekt de HEERE.

32Zo zegt de HEERE van de legermachten:

Zie, onheil gaat uit

van volk tot volk.

Een zware storm wordt opgewekt

van de uithoeken van de aarde.

33De door de HEERE dodelijk gewonden zullen op die dag van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde liggen. Er zal over hen geen

25:33
Jer. 16:4
rouw bedreven worden, zij zullen niet verzameld en niet begraven worden: tot mest op de aardbodem zullen zij zijn.

34

25:34
Jer. 4:8
6:26
Weeklaag, herders, en schreeuw het uit!

Wentel u in de as, gebieders van de kudde!

Want uw dagen zijn aangebroken, dat men

25:34
Jes. 65:12
Jer. 12:3
afslachten zal,

en uw

25:34
Jer. 9:16
13:14,24
18:17
verstrooiing, zodat u zult vallen als kostbaar vaatwerk.

35De mogelijkheid tot ontvluchten voor de herders gaat verloren,

de mogelijkheid tot ontkoming voor de gebieders van de kudde.

36Hoor het geschreeuw van de herders,

en het gejammer van de gebieders van de kudde,

omdat de HEERE hun weide verwoest.

37De vredige weiden worden vernield

vanwege de brandende toorn van de HEERE.

38Als een jonge leeuw heeft Hij Zijn schuilplaats verlaten,

want hun land is geworden tot een woestenij

vanwege de brandende toorn van de onderdrukker,

ja, vanwege Zijn brandende toorn.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]