Herziene Statenvertaling (HSV)
22

Profetie over het koningshuis na de dood van Josia

221Zo zegt de HEERE: Daal af naar het huis van de koning van Juda en spreek daar dit woord

2en zeg: Hoor het woord van de HEERE, koning van Juda, die zit op de troon van David, u, uw dienaren en uw volk, die door deze poorten binnenkomen,

3zo zegt de HEERE:

22:3
Jer. 21:12
Doe recht en gerechtigheid. Red wie beroofd is uit de hand van wie onderdrukt. Buit een
22:3
Jer. 7:6
vreemdeling, een wees en een weduwe niet uit. Doe niemand geweld aan en vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats.

4Want als u dit woord metterdaad zult doen,

22:4
Jer. 17:25
dan zullen door de poorten van dit huis koningen binnengaan die in Davids plaats zitten op zijn troon, rijdend op wagens en op paarden, hij, zijn dienaren en zijn volk.

5Maar als u naar deze woorden niet luistert, heb Ik bij Mijzelf gezworen, spreekt de HEERE, dat dit huis tot een puinhoop zal worden.

6Want zo zegt de HEERE over het huis van de koning van Juda:

Een Gilead bent u voor Mij,

de top van de Libanon –

voorwaar, Ik maak van u een woestijn,

onbewoonbare steden.

7Ik zal

22:7
Jer. 15:6
verdervers inzetten om tegen u te strijden,

ieder met zijn eigen gereedschap.

Zij zullen uw mooiste ceders omhakken

en in het vuur werpen.

8Dan zullen vele heidenvolken langs deze stad voorbijtrekken. Zij zullen tegen elkaar zeggen:

22:8
Deut. 29:24
1 Kon. 9:8
Waarom heeft de HEERE zo gehandeld met deze grote stad?

9En zij zullen zeggen: Omdat zij het verbond van de HEERE, hun God, hebben verlaten, zich voor andere goden hebben neergebogen en die zijn gaan dienen.

10Ween niet over de dode, beklaag hem niet,

ween liever over wie weggegaan is,

want hij zal niet meer terugkeren

en zijn geboorteland zien.

11Want zo zegt de HEERE over Sallum, de zoon van Josia, de koning van Juda, die in de plaats van zijn vader Josia koning is geworden, die uit deze plaats is vertrokken: Hij zal daar niet meer terugkeren.

12Want in de plaats waarheen zij hem in ballingschap hebben gevoerd, daar zal hij sterven, en dit land zal hij niet meer zien.

13Wee

22:13
Lev. 19:13
Deut. 24:14,15
Hab. 2:9
hem die zijn huis bouwt met ongerechtigheid,

en zijn bovenvertrekken met onrecht,

die zijn naaste zonder te betalen laat werken

en hem zijn loon niet geeft.

14Die zegt: Ik zal voor mij een huis van grote afmetingen bouwen,

met ruime bovenvertrekken.

Hij hakt er voor zich vensters uit, overdekt het met cederhout

en beschildert het met rode kleuren.

15Wilt u koning zijn

door te wedijveren in cederhout?

Heeft niet uw vader gegeten en gedronken,

en recht en gerechtigheid gedaan?

Hem ging het toen goed!

16Hij behartigde de rechtszaak van de ellendige en de arme.

Toen ging het goed!

Is dat niet: Mij kennen?

spreekt de HEERE.

17Maar uw ogen en uw hart zijn op niets

dan op uw winstbejag uit,

op het vergieten van onschuldig bloed,

op onderdrukking en op uitbuiting, om dat te doen.

18Daarom, zo zegt de HEERE over Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda:

22:18
Jer. 16:4,5,6
Zij zullen over hem geen rouw bedrijven:

Ach mijn broer, of: Ach zuster!

Zij zullen over hem geen rouw bedrijven:

Ach heer, of: Ach majesteit!

19Met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden:

men zal hem

22:19
Jer. 15:3
wegslepen en
22:19
Jer. 36:30
wegwerpen,

ver weg van de poorten van Jeruzalem.

20Klim op de Libanon, roep om hulp,

laat op de Basan uw stem klinken,

roep om hulp van Abarim af,

want al uw minnaars zijn gebroken!

21Ik sprak in uw zorgeloze rust tot u,

maar u zei: Ik wil

22:21
Jer. 5:23
7:23-28
11:7,8
13:10,11
16:12
17:23
18:12
19:15
niet luisteren.

Dit is uw weg van uw jeugd af,

dat u niet naar Mijn stem geluisterd hebt.

22De wind zal al uw herders weiden,

uw minnaars zullen in gevangenschap gaan.

Ja, dan zult u beschaamd worden en te schande worden

vanwege al uw kwaad.

23U die zetelt op de Libanon,

genesteld in de ceders,

hoe zult u zuchten als weeën u overkomen,

smart als van een barende vrouw.

24Zo waar Ik leef, spreekt de HEERE, zelfs al was Chonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, een zegelring aan Mijn rechterhand, toch zou Ik u daarvan afrukken,

25en u geven in de hand van hen die u naar het leven staan, en in de hand van hen voor wie u met schrik bevangen bent, namelijk in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, en in de hand van de Chaldeeën.

26Ik zal u en uw moeder, die u gebaard heeft, wegwerpen naar een ander land waar u niet geboren bent, en daar zult u sterven.

27Naar het land waarnaar zij smachten22:27 smachten - Letterlijk: hun ziel opheffen. om daar terug te keren, daarheen zullen zij niet terugkeren.

28Is deze man, Chonia, een afgedankte, stukgeslagen kruik?

Of is hij een pot waaraan niemand waarde hecht?

Waarom zijn hij en zijn nageslacht weggeslingerd, ja, weggeworpen

naar een land dat zij niet kenden?

29Land, land, land,

hoor het woord van de HEERE!

30Zo zegt de HEERE:

Schrijf deze man in als kinderloos,

een man die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen.

Niemand van zijn nageslacht zal immers voorspoedig zijn,

zitten op de troon van David en weer heersen in Juda.

23

De rechtvaardige Spruit

231Wee de

23:1
Ezech. 34:2
herders die de schapen van Mijn weide ombrengen en overal verspreiden, spreekt de HEERE.

2Daarom, zo zegt de HEERE, de God van Israël, van de herders die Mijn volk weiden: Ú hebt Mijn schapen overal verspreid en verdreven, en u hebt niet naar ze omgezien. Zie, Ik ga u uw slechte daden vergelden, spreekt de HEERE.

3Ik echter, Ik zal het overblijfsel van Mijn schapen bijeenbrengen uit al de landen waarheen Ik hen verdreven heb. Ik zal hen terugbrengen naar hun schaapskooien, en zij zullen vruchtbaar zijn en talrijk worden.

4Ik zal over hen

23:4
Ezech. 34:11,12
herders doen opstaan die hen weiden zullen. Zij zullen niet meer bevreesd zijn, ontsteld zijn of gemist worden, spreekt de HEERE.

5Zie, er komen

23:5
Jes. 4:2
40:11
Jer. 33:14,15
Dan. 9:24
Luk. 1:32,33
dagen, spreekt de HEERE,

dat Ik voor David een rechtvaardige SPRUIT zal doen opstaan.

Hij zal als Koning regeren en verstandig handelen,

Hij zal recht en gerechtigheid doen op de aarde.

6

23:6
Deut. 33:28
In Zijn dagen zal Juda verlost worden

en Israël onbezorgd wonen.

Dit zal Zijn Naam zijn waarmee men Hem noemen zal:

DE HEERE ONZE GERECHTIGHEID.

7Daarom zie, er komen

23:7
Jer. 16:14,15
dagen, spreekt de HEERE, dat men niet meer zal zeggen: Zo waar de HEERE leeft, Die de Israëlieten geleid heeft uit het land Egypte,

8maar: Zo waar de HEERE leeft, Die het nageslacht van het huis van Israël geleid heeft en Die het gebracht heeft uit het land in het noorden en uit al de landen waarheen Ik hen verdreven had: zij zullen wonen in hun eigen land.

Over de profeten

9Over de profeten.

Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken,

al mijn beenderen bewegen zich.

Ik ben geworden als een dronkeman,

als een man wie de wijn naar het hoofd is gestegen,

vanwege de HEERE,

en vanwege Zijn heilige woorden.

10Want het land

is vol

23:10
Jer. 5:7,8
9:2
overspelers,

ja, vanwege de vervloeking treurt het land,

verdorren de weiden van de woestijn.

Wat zij najagen is slecht,

hun kracht gebruiken zij niet juist.

11Want zowel profeet als priester pleegt

23:11
Jer. 6:13
8:10
14:18
heiligschennis,

zelfs in Mijn huis heb Ik hun slechtheid gevonden,

spreekt de HEERE.

12Daarom zal hun weg voor hen worden

als

23:12
Ps. 35:6
73:18
spiegelgladde plaatsen in het
23:12
Jer. 13:16
donker.

Zij zullen voortgeduwd worden

en daarin vallen,

want Ik zal over hen onheil brengen

in het jaar van hun vergelding,

spreekt de HEERE.

13Bij de profeten van Samaria

heb Ik wel ongerijmde dingen gezien:

zij profeteerden namens de Baäl

en misleidden Mijn volk Israël.

14Maar bij de profeten van Jeruzalem

heb Ik iets afschuwelijks gezien:

zij plegen overspel, met leugen gaan zij hun weg

zij bemoedigen de kwaaddoeners,23:14 zij bemoedigen de kwaaddoeners - Letterlijk: zij versterken de handen van de kwaaddoeners.

zodat niemand zich bekeert

van zijn slechtheid.

Zij allen zijn voor Mij als

23:14
Jes. 1:9
Sodom,

en zijn inwoners als Gomorra.

15Daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten over deze profeten:

Zie, Ik ga hun

23:15
Jer. 9:15
alsem te eten geven

en

23:15
Jer. 8:14
9:15
galwater te drinken,

omdat van de profeten van Jeruzalem

heiligschennis is uitgegaan over heel het land.

16Zo zegt de HEERE van de legermachten:

Luister niet naar de woorden van die profeten die tot u profeteren.

Zij geven u ijdele hoop.

Zij spreken een visioen uit hun eigen hart,

niet uit de mond van de HEERE.

17Steeds

23:17
Jer. 6:14
8:11
Ezech. 13:10
Zach. 10:2
zeggen zij tegen hen die Mij verwerpen: De HEERE heeft gesproken:

U zult vrede hebben;

en tegen ieder die in zijn verharde hart23:17 zijn verharde hart - Letterlijk: de verharding van zijn … hart. voortgaat:

Geen onheil zal over u komen.

18Want wie heeft in de raad van de HEERE gestaan, en Zijn woord gezien en gehoord,

wie heeft op Zijn woord acht geslagen en ernaar geluisterd?

19Zie, een

23:19
Jer. 30:23,24
storm van de HEERE, grimmigheid is uitgegaan,

een wervelende storm:

op het hoofd van de goddelozen stort hij neer.

20De toorn van de HEERE zal zich niet afwenden,

tot Hij gedaan en tot Hij tot stand gebracht heeft

de gedachten van Zijn hart.

In later tijd23:20 In later tijd - Letterlijk: Aan het einde van de dagen.

zult u dat duidelijk begrijpen.

21Ik heb die profeten

23:21
Jer. 14:14
niet gezonden,

toch zijn zij zelf gaan lopen.

Ik heb niet tot hen gesproken,

toch zijn zij zelf gaan profeteren.

22Hadden zij in Mijn raad gestaan,

dan hadden zij Mijn volk Mijn woorden doen horen,

en hadden zij hen doen terugkeren van hun slechte weg

en van hun slechte daden.

23Ben Ik een God van nabij,

spreekt de HEERE,

en niet een God van verre?

24Zou iemand zich op

23:24
Ps. 139:7Amos 9:2,3
verborgen plaatsen kunnen verbergen

en zou Ík hem niet zien? spreekt de HEERE.

Vervul Ik niet de hemel en de aarde?

spreekt de HEERE.

25Ik heb gehoord wat de profeten zeggen die in Mijn Naam leugen profeteren door te zeggen: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd!

26Hoelang nog? Is er dan een droom in het hart van de profeten die leugen profeteren? Ja, profeten zijn ze van het bedrog uit hun eigen hart.

27Zij denken Mijn volk Mijn Naam te doen

23:27
Richt. 3:7
8:33,34
vergeten door hun dromen, die zij elkaar vertellen, zoals hun vaderen Mijn Naam vergeten hebben door de Baäl.

28Laat de profeet bij wie een droom is, een droom vertellen. Laat ieder bij wie Mijn woord is, Mijn woord naar waarheid spreken.

Wat heeft het stro gemeenschappelijk met het koren?

spreekt de HEERE.

29Is niet Mijn woord zó, als het vuur, spreekt de HEERE,

of als een hamer die een rots verplettert?

30Daarom zie,

23:30
Deut. 18:20
Jer. 14:14,15
Ik zál die profeten! spreekt de HEERE, die Mijn woorden van elkaar stelen.

31Zie, Ik zál die profeten! spreekt de HEERE, die hun tong gebruiken en spreken: Hij spreekt.

32Zie, Ik zál die profeten van bedrieglijke dromen! spreekt de HEERE. Zij vertellen die, zij misleiden Mijn volk met hun leugens en met hun

23:32
Zef. 3:4
gezwets. Ík heb hen niet gezonden. Ik heb hun geen opdracht gegeven. Zij zijn voor dit volk van geen enkel nut, spreekt de HEERE.

De last van de HEERE

33Wanneer dit volk of een profeet of een priester u zal vragen: Wat is de last23:33 de last - Dat wil zeggen: een woord van God dat de profeet als een last is opgelegd. van de HEERE? dan moet u tegen hen zeggen: Wat last? Ik zal u verlaten, spreekt de HEERE.

34En de profeet of de priester of het volk dat zeggen zal: Een last van de HEERE! Ik zal die man en zijn huis straffen.

35Dit moet u, ieder tegen zijn naaste en ieder tegen zijn broeder zeggen: Wat heeft de HEERE geantwoord? En: Wat heeft de HEERE gesproken?

36Maar aan een last van de HEERE mag u niet meer denken, want voor ieder zal zijn eigen woord een last zijn, want u verdraait de woorden van de levende God, de HEERE van de legermachten, onze God.

37Dit moet u zeggen tegen de profeet: Wat heeft de HEERE u geantwoord? En: Wat heeft de HEERE gesproken?

38Maar als u zegt: De last van de HEERE – daarom, zo zegt de HEERE: Omdat u dit woord zegt: De last van de HEERE, terwijl Ik u de boodschap had gezonden: U mag niet zeggen: De last van de HEERE,

39daarom, zie, Ik zal u helemaal vergeten, en u, en de stad die Ik u en uw vaderen gegeven heb, van voor Mijn aangezicht verlaten.

40Ik zal op u eeuwige smaad leggen,

23:40
Jer. 20:11
eeuwige schande, die niet zal worden vergeten.

24

Twee manden met vijgen

241De HEERE liet mij zien, en zie, twee manden met vijgen waren neergezet voor de tempel van de HEERE, nadat

24:1
2 Kon. 24:15
2 Kron. 36:10
Nebukadrezar, de koning van Babel, Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda en de vorsten van Juda, de ambachtslieden en de smeden uit Jeruzalem in ballingschap gevoerd had, en hen naar Babel gebracht had.

2In de ene mand zaten zeer goede vijgen, zoals de eerste vroege vijgen zijn. In de andere mand zaten zeer slechte vijgen, die vanwege hun slechte kwaliteit niet te eten waren.

3Toen zei de HEERE tegen mij: Wat ziet u, Jeremia? Ik zei: Vijgen. De goede vijgen zijn zeer goed, maar de slechte zeer slecht, die vanwege hun slechte kwaliteit niet te eten zijn.

4Toen kwam het woord van de HEERE tot mij:

5Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zoals die goede vijgen, zo zal Ik de ballingen van Juda, die Ik uit deze plaats heb weggestuurd naar het land van de Chaldeeën, kennen ten goede.

6Ik zal Mijn oog op hen gericht houden ten goede en Ik zal hen naar dit land

24:6
Jer. 16:15
doen terugkeren. Ik zal hen bouwen en niet afbreken. Ik zal hen planten en niet wegrukken.

7

24:7
Deut. 30:6
Jer. 32:39
Ezech. 11:19
36:26,27
Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben,
24:7
Jer. 30:22
31:33
32:38
en zij zullen Mij tot een volk zijn en Ík zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij bekeren met heel hun hart.

8

24:8
Jer. 29:17
Maar zoals de slechte vijgen, die vanwege hun slechte kwaliteit niet te eten zijn – want zo zegt de HEERE – zo zal Ik Zedekia maken, de koning van Juda, zijn vorsten, het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven en die in het land Egypte wonen.

9

24:9
Deut. 28:25,37
1 Kon. 9:7
2 Kron. 7:20
Jer. 15:4
29:18
34:17
42:18
Ik zal hen voor alle koninkrijken van de aarde tot een schrikbeeld stellen hoe slecht het kan aflopen, tot smaad en tot een spreekwoord, tot een voorwerp van spot en tot een vloek in alle plaatsen waarheen Ik hen zal verdrijven.

10Ik zal onder hen zenden het zwaard, de honger en de pest, totdat zij omgekomen zullen zijn uit het land dat Ik hun en hun vaderen heb gegeven.