Herziene Statenvertaling (HSV)
20

Jeremia opgesloten

201Toen Pashur, de zoon van de priester Immer – hij was tevens hoofdopzichter in het huis van de HEERE – Jeremia deze woorden hoorde profeteren,

2liet Pashur de profeet Jeremia slaan en zette hem in het blok dat in de bovenste Benjaminpoort aan het huis van de HEERE was.

3Het gebeurde echter de volgende dag, toen Pashur Jeremia uit het blok liet gaan, dat Jeremia tegen hem zei: De HEERE geeft u niet de naam Pashur, maar Magor-Missabib.20:3 Magor-Missabib betekent: angst van rondom; zie ook vers 10.

4Want zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga u tot een bron van angst voor uzelf maken en voor allen die u liefhebben. Zij zullen vallen door het zwaard van hun vijanden, en uw ogen zullen dat zien. Heel Juda geef Ik in de hand van de koning van Babel, en hij zal hen in ballingschap voeren naar Babel en hen met het zwaard doden.

5Heel de rijkdom van deze stad, al haar arbeid, al haar kostbaarheden zal Ik geven, en alle schatten van de koningen van Juda, Ik zal ze geven in de hand van hun vijanden. Die zullen ze

20:5
Jer. 15:13
17:3
roven, ze meenemen en ze naar Babel brengen.

6En u, Pashur, en alle inwoners van uw huis, u zult in gevangenschap gaan. U zult in Babel komen, en daar zult u sterven en daar begraven worden, u en al uw vrienden, tegen wie u leugen hebt geprofeteerd.

Strijd en aanvechting

7U hebt mij overgehaald, HEERE, en ik heb mij laten overhalen.

U bent mij te sterk geworden en U hebt overwonnen.

Maar ik ben de hele dag belachelijk geworden,

ieder van hen bespot mij.

8Want zo dikwijls als ik spreek, schreeuw ik het uit,

roep ik: Geweld en verwoesting!

Want het woord van de HEERE is mij

20:8
Jes. 57:4
tot smaad en tot schimp, de hele dag.

9Zei ik: Ik zal niet aan Hem denken,

ik zal niet meer spreken in Zijn Naam,

dan werd het in mijn hart als brandend vuur,

opgesloten in mijn beenderen.

Wel deed ik moeite om het in te houden,

maar ik kon het niet.

10Want ik heb het kwaad gerucht van velen gehoord:

Magor-Missabib!

Maak het ons bekend, dan zullen wij het bekendmaken.

Alle stervelingen met wie ik vrede had,

loeren op een struikeling van mij:

Misschien laat hij zich door anderen overhalen, dan kunnen we hem overwinnen,

en kunnen we onze wraak op hem nemen.

11De HEERE

20:11
Jer. 1:8,19
15:20
is echter met mij als een machtige Held,

20:11
Jer. 17:18
daarom zullen mijn vervolgers struikelen, ze zijn tot niets in staat.

Zij zullen zeer beschaamd worden, want zij zullen niet verstandig handelen.

Het zal

20:11
Jer. 23:40
een eeuwige smaad zijn, die niet vergeten zal worden.

12HEERE van de legermachten, Die de rechtvaardige

20:12
Jer. 11:20
12:3
beproeft,

Die de nieren en het hart ziet,

laat mij Uw

20:12
Jer. 11:20
15:15
18:19
wraak op hen zien,

want ik heb mijn rechtszaak aan U bekendgemaakt.

13Zing voor de HEERE,

prijs de HEERE,

want Hij heeft de ziel van de arme gered

uit de hand van de kwaaddoeners.

14

20:14
Jer. 15:10
Vervloekt is de dag

waarop ik geboren ben.

De dag waarop mijn moeder mij gebaard heeft,

laat die niet gezegend zijn.

15

20:15
Job 3:3
Vervloekt is de man

die mijn vader de boodschap bracht:

U hebt een kind gekregen, een jongetje,

en hem zeer blij maakte.

16Ja, laat die man zijn als de steden

die de HEERE

20:16
Gen. 19
ondersteboven heeft gekeerd terwijl het Hem niet berouwde.

Laat hij in de morgen hulpgeroep horen,

geschreeuw in het middaguur,

17omdat Hij mij niet al in de baarmoeder gedood heeft.

Dan was mijn moeder mijn graf geworden

en haar baarmoeder eeuwig zwanger geweest.

18

20:18
Job 3:20
Waarom toch ben ik uit de baarmoeder naar buiten gekomen,

om moeite en verdriet te zien

en opdat mijn dagen zouden eindigen in schande?

21

De verwerping van Zedekia

211Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia, toen koning Zedekia Pashur, de zoon van Malchia, en de priester Zefanja, de zoon van Maäseja, naar hem toe gestuurd had om te zeggen:

2Raadpleeg toch de HEERE voor ons, want Nebukadrezar, de koning van Babel, strijdt tegen ons. Misschien zal de HEERE met ons doen overeenkomstig al Zijn wonderen, zodat hij van ons wegtrekt.

3Toen zei Jeremia tegen hen: Dit moet u tegen Zedekia zeggen:

4Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zie, Ik ga de wapenrusting omdraaien die in uw hand is, waarmee u tegen hen strijdt, tegen de koning van Babel en tegen de Chaldeeën, die u buiten de muur belegeren, en Ik zal hen verzamelen midden in deze stad.

5Ík zal tegen u strijden met een uitgestrekte hand en met een sterke arm, ja, met toorn, met grimmigheid en met grote verbolgenheid.

6Ik zal de inwoners van deze stad treffen, zowel mens als dier: door een grote pestziekte zullen zij sterven.

7Daarna, spreekt de HEERE, zal Ik Zedekia, de koning van Juda, zijn dienaren, het volk, en hen die in deze stad overgebleven zijn van de pest, het zwaard en de honger, in de hand geven van Nebukadrezar, de koning van Babel, in de hand van hun vijanden en in de hand van hen die hen naar het leven staan. Hij zal hen slaan met de scherpte van het zwaard: Hij zal hen niet sparen, geen medelijden hebben, en zich over hen niet ontfermen.

8En tegen dit volk moet u zeggen: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik houd u de weg naar het leven en de weg naar de dood voor.

9Wie in deze stad

21:9
Jer. 38:2
blijft, zal sterven door het zwaard, door de honger of door de pest. Maar wie vertrekt en overloopt naar de Chaldeeën, die u belegeren, die zal in leven blijven en zijn leven zal hem tot buit zijn.

10Want Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad gericht ten kwade en niet ten goede, spreekt de HEERE. Zij zal overgegeven worden in de hand van de koning van Babel, en hij zal haar met vuur verbranden.

11Over het koningshuis van Juda.

Hoor het woord van de HEERE,

12huis van David. Zo zegt de HEERE:

21:12
Jer. 22:3
Verschaf 's morgens recht,

en red wie beroofd is uit de hand van wie onderdrukt,

anders laait Mijn grimmigheid op als een vuur

en brandt die zo, dat niemand blussen kan,

vanwege uw slechte daden.

13Zie, Ik zál u, u die zetelt in het dal,

rots in de vlakte, spreekt de HEERE,

u die zegt: Wie zal naar ons afdalen

of wie zal onze schuilplaatsen binnenkomen?

14Ik zal u overeenkomstig de vrucht van uw daden straffen, spreekt de HEERE,

Ik zal een

21:14
Jer. 17:27
vuur aansteken in zijn woud;

dat alles rondom zich zal verteren.

22

Profetie over het koningshuis na de dood van Josia

221Zo zegt de HEERE: Daal af naar het huis van de koning van Juda en spreek daar dit woord

2en zeg: Hoor het woord van de HEERE, koning van Juda, die zit op de troon van David, u, uw dienaren en uw volk, die door deze poorten binnenkomen,

3zo zegt de HEERE:

22:3
Jer. 21:12
Doe recht en gerechtigheid. Red wie beroofd is uit de hand van wie onderdrukt. Buit een
22:3
Jer. 7:6
vreemdeling, een wees en een weduwe niet uit. Doe niemand geweld aan en vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats.

4Want als u dit woord metterdaad zult doen,

22:4
Jer. 17:25
dan zullen door de poorten van dit huis koningen binnengaan die in Davids plaats zitten op zijn troon, rijdend op wagens en op paarden, hij, zijn dienaren en zijn volk.

5Maar als u naar deze woorden niet luistert, heb Ik bij Mijzelf gezworen, spreekt de HEERE, dat dit huis tot een puinhoop zal worden.

6Want zo zegt de HEERE over het huis van de koning van Juda:

Een Gilead bent u voor Mij,

de top van de Libanon –

voorwaar, Ik maak van u een woestijn,

onbewoonbare steden.

7Ik zal

22:7
Jer. 15:6
verdervers inzetten om tegen u te strijden,

ieder met zijn eigen gereedschap.

Zij zullen uw mooiste ceders omhakken

en in het vuur werpen.

8Dan zullen vele heidenvolken langs deze stad voorbijtrekken. Zij zullen tegen elkaar zeggen:

22:8
Deut. 29:24
1 Kon. 9:8
Waarom heeft de HEERE zo gehandeld met deze grote stad?

9En zij zullen zeggen: Omdat zij het verbond van de HEERE, hun God, hebben verlaten, zich voor andere goden hebben neergebogen en die zijn gaan dienen.

10Ween niet over de dode, beklaag hem niet,

ween liever over wie weggegaan is,

want hij zal niet meer terugkeren

en zijn geboorteland zien.

11Want zo zegt de HEERE over Sallum, de zoon van Josia, de koning van Juda, die in de plaats van zijn vader Josia koning is geworden, die uit deze plaats is vertrokken: Hij zal daar niet meer terugkeren.

12Want in de plaats waarheen zij hem in ballingschap hebben gevoerd, daar zal hij sterven, en dit land zal hij niet meer zien.

13Wee

22:13
Lev. 19:13
Deut. 24:14,15
Hab. 2:9
hem die zijn huis bouwt met ongerechtigheid,

en zijn bovenvertrekken met onrecht,

die zijn naaste zonder te betalen laat werken

en hem zijn loon niet geeft.

14Die zegt: Ik zal voor mij een huis van grote afmetingen bouwen,

met ruime bovenvertrekken.

Hij hakt er voor zich vensters uit, overdekt het met cederhout

en beschildert het met rode kleuren.

15Wilt u koning zijn

door te wedijveren in cederhout?

Heeft niet uw vader gegeten en gedronken,

en recht en gerechtigheid gedaan?

Hem ging het toen goed!

16Hij behartigde de rechtszaak van de ellendige en de arme.

Toen ging het goed!

Is dat niet: Mij kennen?

spreekt de HEERE.

17Maar uw ogen en uw hart zijn op niets

dan op uw winstbejag uit,

op het vergieten van onschuldig bloed,

op onderdrukking en op uitbuiting, om dat te doen.

18Daarom, zo zegt de HEERE over Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda:

22:18
Jer. 16:4,5,6
Zij zullen over hem geen rouw bedrijven:

Ach mijn broer, of: Ach zuster!

Zij zullen over hem geen rouw bedrijven:

Ach heer, of: Ach majesteit!

19Met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden:

men zal hem

22:19
Jer. 15:3
wegslepen en
22:19
Jer. 36:30
wegwerpen,

ver weg van de poorten van Jeruzalem.

20Klim op de Libanon, roep om hulp,

laat op de Basan uw stem klinken,

roep om hulp van Abarim af,

want al uw minnaars zijn gebroken!

21Ik sprak in uw zorgeloze rust tot u,

maar u zei: Ik wil

22:21
Jer. 5:23
7:23-28
11:7,8
13:10,11
16:12
17:23
18:12
19:15
niet luisteren.

Dit is uw weg van uw jeugd af,

dat u niet naar Mijn stem geluisterd hebt.

22De wind zal al uw herders weiden,

uw minnaars zullen in gevangenschap gaan.

Ja, dan zult u beschaamd worden en te schande worden

vanwege al uw kwaad.

23U die zetelt op de Libanon,

genesteld in de ceders,

hoe zult u zuchten als weeën u overkomen,

smart als van een barende vrouw.

24Zo waar Ik leef, spreekt de HEERE, zelfs al was Chonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, een zegelring aan Mijn rechterhand, toch zou Ik u daarvan afrukken,

25en u geven in de hand van hen die u naar het leven staan, en in de hand van hen voor wie u met schrik bevangen bent, namelijk in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, en in de hand van de Chaldeeën.

26Ik zal u en uw moeder, die u gebaard heeft, wegwerpen naar een ander land waar u niet geboren bent, en daar zult u sterven.

27Naar het land waarnaar zij smachten22:27 smachten - Letterlijk: hun ziel opheffen. om daar terug te keren, daarheen zullen zij niet terugkeren.

28Is deze man, Chonia, een afgedankte, stukgeslagen kruik?

Of is hij een pot waaraan niemand waarde hecht?

Waarom zijn hij en zijn nageslacht weggeslingerd, ja, weggeworpen

naar een land dat zij niet kenden?

29Land, land, land,

hoor het woord van de HEERE!

30Zo zegt de HEERE:

Schrijf deze man in als kinderloos,

een man die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen.

Niemand van zijn nageslacht zal immers voorspoedig zijn,

zitten op de troon van David en weer heersen in Juda.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]