Herziene Statenvertaling (HSV)
1

Opschrift

11De woorden van Jeremia, de zoon van Hilkia, uit de priesters die in Anathoth waren, in het land van Benjamin.

2Tot hem kwam het woord van de HEERE in de dagen van

1:2
2 Kon. 21:26
22:12 Kron. 34:1
Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda, in het dertiende jaar van zijn regering.

3Ook kwam het tot hem in de dagen van

1:3
2 Kon. 23:34
2 Kron. 36:4
Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, totdat het elfde jaar van
1:3
2 Kon. 24:17
2 Kron. 36:10Jer. 52:1
Zedekia, de zoon van Josia, de koning van Juda, voorbij was en totdat Jeruzalem in de
1:3
2 Kon. 25:8
vijfde maand in ballingschap ging.

De roeping van Jeremia

4Het woord van de HEERE kwam tot mij:

5Voordat Ik u in de moederschoot vormde, heb Ik u gekend;

voordat u uit de baarmoeder naar buiten kwam,

1:5
Gal. 1:15
heb Ik u geheiligd.

Ik heb u aangesteld tot een profeet voor de volken.

6Toen zei ik:

1:6
Ex. 3
4
6:11,29
Ach Heere HEERE, zie, ik kan niet spreken, want ik ben nog maar een jongen.

7Maar de HEERE zei tegen mij:

Zeg niet: Ik ben nog maar een jongen,

want overal waarheen Ik u zenden zal, zult u gaan,

en alles wat Ik u gebieden zal, zult u spreken.

8

1:8
Ezech. 3:9
Wees niet bevreesd voor hen,

want

1:8
Deut. 31:6,8
Joz. 1:5
Ik ben met u om u te redden,

spreekt de HEERE.

9Toen stak de HEERE Zijn hand uit en

1:9
Jes. 6:6,7
raakte mijn mond aan. En de HEERE zei tegen mij:

Zie,

1:9
Jer. 5:14
Ik geef Mijn woorden in uw mond.

10Zie, Ik stel u op deze dag aan

over de volken en over de koninkrijken,

om

1:10
Jer. 18:7
2 Kor. 10:4,5
weg te rukken en af te breken,

om te vernielen en omver te halen,

maar ook om te bouwen en te planten.

11Het woord van de HEERE kwam tot mij: Wat ziet u, Jeremia? Ik zei: Ik zie een amandeltak.1:11 amandeltak - Het Hebreeuwse woord voor amandeltak klinkt als het Hebreeuwse woord voor ‘waken’ in vers 12.

12Toen zei de HEERE tegen mij: Dat hebt u goed gezien, want Ik waak over Mijn woord om dat te doen.

13Het woord van de HEERE kwam voor de tweede keer tot mij: Wat ziet u daar? Ik zei: Ik zie een kokende pot en zijn open kant verschijnt vanuit het noorden.

14Toen zei de HEERE tegen mij:

1:14
Jer. 4:6
Vanuit het noorden zal het onheil losbreken

over al de inwoners van het land.

15Want zie,

1:15
Jer. 5:15
6:22
10:22
Ik ga

alle geslachten van de koninkrijken uit het noorden roepen,

spreekt de HEERE.

Zij zullen komen en eenieder zal zijn troon

1:15
Jer. 52:4,5
neerzetten

bij de ingang van de poorten van Jeruzalem,

tegen al zijn muren rondom,

en tegen alle steden van Juda.

16Ik zal Mijn oordelen over hen uitspreken

vanwege al hun kwaad: dat zij Mij verlaten hebben

en reukoffers gebracht hebben aan andere goden,

en zich hebben neergebogen voor de werken van hun handen.

17U dan, omgord uw middel,

sta op en spreek tot hen

alles wat Ík u gebieden zal.

Wees niet ontsteld vanwege hen, anders zal Ík u ontsteld doen zijn voor hen.

18Want zie, Ík stel u

heden aan

1:18
Jer. 6:27
15:20
tot een versterkte stad,

tot een ijzeren pilaar en tot bronzen muren,

tegen heel het land,

tegen de koningen van Juda, tegen zijn vorsten,

tegen zijn priesters en tegen de bevolking van het land.

19Zij zullen tegen u strijden, maar zij zullen niet tegen u op kunnen,

want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u te redden.

2

De ontrouw van Israël

21Het woord van de HEERE kwam tot mij:

2Ga ten aanhoren van Jeruzalem prediken: Zo zegt de HEERE:

Ik denk aan u, aan de genegenheid van uw jeugd,

aan de liefde van uw bruidsdagen,

toen u achter Mij aan ging in de woestijn,

in een land waarin niet wordt gezaaid.

3Israël was heilig voor de HEERE,

de eersteling van Zijn opbrengst.

Allen die deze opaten, werden schuldig,

onheil kwam over hen,

spreekt de HEERE.

4Hoor het woord van de HEERE, huis van Jakob

en alle geslachten van het huis van Israël:

5Zo zegt de HEERE:

2:5
Micha 6:3,4
Wat voor onrecht hebben uw vaderen in Mij gevonden,

dat zij zich ver van Mij hebben gehouden,

dat zij achter nietige dingen zijn aan gegaan

– en zelf nietig zijn geworden –

6dat zij niet zeiden: Waar is de HEERE,

Die ons uit het land Egypte geleid heeft,

Die ons in de woestijn deed gaan,

in een land van wildernis en kuilen,

in een land van dorheid en schaduw van de dood,

in een land waar niemand doorheen trok

en waar geen mens woonde?

7Ik bracht u in een vruchtbaar land,

om de vrucht daarvan en het goede ervan te eten.

Maar toen u daarin kwam, verontreinigde u Mijn land

en hebt u Mijn eigendom tot een gruwel gemaakt.

8De priesters zeiden niet: Waar is de HEERE?

2:8
Rom. 2:20
en zij die de wet hanteerden, kenden Mij niet;

de herders kwamen in opstand tegen Mij,

en de profeten profeteerden namens de Baäl.

Ze gingen achter dingen aan die niet van nut zijn.

9Daarom zal Ik u nog ter verantwoording roepen,

spreekt de HEERE, ja, uw kleinkinderen zal Ik ter verantwoording roepen.

10Voorzeker, steek over naar de eilanden van de Kittiërs, en zie,

stuur boden naar Kedar en let aandachtig op,

en kijk of iets dergelijks gebeurd is.

11Heeft een volk ooit goden ingeruild?

– en het zijn niet eens goden! –

Toch heeft Mijn volk

2:11
Ps. 106:20
zijn Eer ingeruild

voor wat niet van nut is.

12Ontzet u hierover,

2:12
Deut. 32:1
Jes. 1:2
hemel,

huiver, wees zeer ontsteld,

spreekt de HEERE.

13Want Mijn volk heeft een dubbel kwaad gedaan:

Mij, de

2:13
Hoogl. 4:15
Jer. 17:13
bron van levend water,

hebben zij verlaten,

om zich bakken uit te hakken,

lekkende bakken,

die geen water houden.

14Is Israël dan een slaaf? Of is hij een in huis geboren slaaf?

Waarom is hij dan een prooi geworden?

15

2:15
Jes. 5:29
Jer. 4:7
Jonge leeuwen brullen tegen hem,

zij hebben hun stem laten klinken.

Zij hebben van zijn land een

2:15
Jer. 4:7
woestenij gemaakt.

Zijn steden zijn vernietigd, zodat niemand er meer woont.

16Ook de mensen van Nof en Tachpanhes

graasden u de schedel af.

17Doet u dit niet uzelf aan

doordat u de HEERE, uw God, verlaat

op het moment dat Hij u op de weg leidt?

18Welnu, wat hebt u met de weg naar

2:18
Jes. 31:1
Egypte

om het water van Sichor te drinken?

En wat hebt u met de weg naar Assyrië

om het water van de rivier de Eufraat te drinken?

19Uw eigen

2:19
Jes. 3:9
Hos. 5:5
kwaad straft u

en uw eigen afdwalingen bestraffen u.

Erken en zie in, dat het kwaad en bitter is

de HEERE, uw God, te verlaten,

en dat er geen vreze voor Mij bij u is,

spreekt de Heere, de HEERE van de legermachten.

20Want van oude tijden af heb Ik uw juk gebroken,

en uw banden verscheurd.

U zei: Ik wil niet dienen!

Maar op elke hoge heuvel

en onder elke bladerrijke boom

legt u zich als een hoer neer.

21Ík had u evenwel

2:21
Ex. 15:17
Ps. 44:3
80:9
geplant, een edele wijnstok,

een volkomen betrouwbare stek.2:21 stek - Letterlijk: zaad.

Hoe bent u tegenover Mij dan veranderd in wilde ranken

van een uitheemse wijnstok?

22Want al zou u zich met loog

2:22
Job 9:30
wassen

en zou u zeep in overvloed gebruiken,

uw ongerechtigheid blijft een vlek voor Mijn aangezicht,

spreekt de Heere HEERE.

23Hoe kunt u dan zeggen: Ik heb mij niet verontreinigd,

ik ben niet achter de Baäls aan gegaan?

Zie uw weg in het dal,

erken wat u gedaan hebt,

snelle, op al haar wegen heen en weer rennende, jonge vrouwtjeskameel,

24een wilde ezelin, gewend aan de woestijn,

de wind opsnuivend in haar hitsigheid,2:24 in haar hitsigheid - Letterlijk: naar het verlangen van haar ziel.

haar bronst – wie kan haar keren?

Allen die haar zoeken, hoeven zich niet af te matten,

in haar maand zullen zij haar wel vinden.

25Verhinder uw voet barrevoets te gaan

en verhinder uw keel de dorst!

Maar u zegt: Daar is geen hoop op, nee,

want ik heb vreemden lief,

en ik zal achter hen aan gaan.

26Zoals een dief beschaamd staat als hij wordt ontdekt,

zo staat het huis van Israël beschaamd,

zij, hun koningen, hun vorsten,

hun priesters en hun profeten.

27Tegen een stuk hout zeggen ze: U bent mijn vader,

en tegen een steen: U hebt mij gebaard,

want Mij keren zij de nek toe

en niet het gezicht,

op het moment echter dat onheil hen treft, zeggen ze:

Sta op en verlos ons.

28Maar waar zijn dan uw goden, die u zich gemaakt hebt?

Laten die opstaan, als zij u kunnen verlossen op het moment dat onheil u treft,

want het aantal van uw goden is

even groot als uw

2:28
Jes. 2:8
Jer. 11:13
steden,2:28 het aantal … steden - Letterlijk: het aantal van uw steden is uw goden. Juda.

29Waarom roept u Mij ter verantwoording?

U bent allen tegen Mij in opstand gekomen,

spreekt de HEERE.

30Tevergeefs heb Ik uw kinderen

2:30
Jes. 1:5
Jer. 5:3
geslagen,

zij wilden geen

2:30
Jer. 5:3
vermaning aanvaarden.

Uw zwaard heeft uw profeten verslonden,

als een leeuw die verderf aanricht.

31

2:31
Matt. 23:26
U, van deze generatie, let op het woord van de HEERE:

Ben Ik voor Israël een woestijn geweest

of een land van diepe duisternis?

Waarom zegt dan Mijn volk: Wij zijn ongebonden,

wij komen niet meer naar U toe?

32Zou een jonge vrouw haar sieraad vergeten,

een bruid haar gordels?

Toch heeft Mijn volk Mij

2:32
Jer. 3:21
vergeten,

dagen, niet te tellen.

33Wat weet u goed uw weg

om wellust2:33 wellust - Letterlijk: liefde. te zoeken.

Daarom hebt u ook de slechtste hoeren

uw wegen geleerd.

34Ja, in de zomen van uw kleren is gevonden

het bloed van arme, onschuldige zielen,

die u niet hebt betrapt op inbraak,

ja, dat slaat alles.

35En dan zegt u nog: Voorzeker, ik ben onschuldig,

ja, Zijn toorn is van mij afgewend.

Zie, Ik ga met u een rechtszaak voeren,

omdat u zegt: Ik heb niet gezondigd.

36Wat trekt u er veel op uit

en verandert u telkens uw weg?

U zult ook door

2:36
Jes. 31:1
Egypte beschaamd worden,

zoals u door Assyrië beschaamd bent.

37Ook vandaar zult u uitgaan

met uw handen op uw hoofd,

want de HEERE verwerpt hen op wie u vertrouwt.

Met hen zult u niet voorspoedig zijn.

3

Oproep om terug te keren naar de HEERE

31Men zegt:

Als een man zijn vrouw wegstuurt,

zij bij hem weggaat

en de vrouw van een andere man wordt,

mag hij nog naar haar terugkeren?

Zou dat land

niet ten zeerste ontheiligd worden?

U echter, u hebt hoererij bedreven met veel vrienden,

en dan naar Mij terugkeren? – spreekt de HEERE.

2Sla uw ogen op naar de kale hoogten, en zie,

waar bent u niet beslapen?

U bent voor hen langs de wegen gaan zitten,

als een Arabier in de woestijn.

Zo hebt u het land ontheiligd

met uw hoererijen en uw kwaad.

3Daarom werden de regendruppels ingehouden

en is er geen late regen geweest.

U hebt het voorhoofd van een hoer,

u weigert daarvoor beschaamd te zijn.

4Zult u dan niet van nu af aan tot Mij roepen: Mijn Vader,

U bent de Leidsman van mijn jeugd?

5– Zou Hij soms voor eeuwig Zijn toorn handhaven

of die voor altijd vasthouden? –

Zie, zo spreekt u, maar u doet

alles wat slecht is, en speelt het klaar!

Juda en Israël, de twee ontrouwe zusters

6In de dagen van koning Josia zei de HEERE tegen mij: Hebt u gezien wat het afvallige Israël gedaan heeft? Zij

3:6
Jer. 2:20
ging elke hoge berg op en onder elke bladerrijke boom, en bedreef daar hoererij.

7Ik zei, nadat zij al deze dingen gedaan had: Keer terug naar Mij, maar zij keerde niet terug. Dat zag haar trouweloze zuster Juda.

8Maar Ik zag, toen Ik vanwege alles waarin het afvallige Israël overspel had gepleegd, haar weggestuurd had en haar een echtscheidingsbrief gegeven had, dat Juda, haar trouweloze zuster, niet bevreesd werd. Zij ging zelf ook hoererij bedrijven.

9Zo gebeurde het dat het land door haar lichtzinnige hoererij ontheiligd werd, want zij pleegde overspel met steen en met hout.

10Zelfs in dit alles heeft haar trouweloze zuster Juda zich niet tot Mij bekeerd met heel haar hart, maar slechts in schijn, spreekt de HEERE.

11Daarom zei de HEERE tegen mij: Het afvallige Israël heeft zichzelf nog rechtvaardig doen lijken, vergeleken bij het trouweloze Juda.

12Ga deze woorden prediken tegen het noorden, en zeg:

Keer terug, afvallig Israël, spreekt de HEERE,

Mijn aangezicht is tegenover u niet betrokken,

want Ik ben

3:12
Ps. 86:15
103:8,9
145:17
goedertieren, spreekt de HEERE,

Ik handhaaf Mijn toorn niet voor eeuwig.

13Alleen, erken uw ongerechtigheid,

want u bent tegen de HEERE, uw God, in opstand gekomen,

en u hebt zich in alle richtingen verspreid3:13 en u … verspreid - Letterlijk: u hebt uw wegen uitgestrooid. op zoek naar de vreemden, onder elke bladerrijke boom,

maar u hebt niet geluisterd naar Mijn stem, spreekt de HEERE.

14Keer terug, afkerige kinderen, spreekt de HEERE, want Ík heb u getrouwd. Ik zal u nemen, één uit een stad en twee uit een geslacht, en Ik zal u naar Sion brengen.

15Ik zal u

3:15
Jer. 23:4
Ezech. 34:23
Efez. 4:11
herders geven naar Mijn hart, die u zullen weiden met kennis en verstand.

16En het zal gebeuren in die dagen, wanneer u zich vermeerdert en vruchtbaar wordt in het land, spreekt de HEERE, dan zal men niet meer zeggen: de ark van het verbond van de HEERE. Zij zal niet meer in het hart opkomen. Men zal er niet meer aan denken en niet meer naar haar omzien. Zij zal niet opnieuw gemaakt worden.

17In die tijd zal men Jeruzalem de Troon van de HEERE noemen. Alle heidenvolken zullen er samenstromen, tot de Naam van de HEERE, tot Jeruzalem. Zij zullen niet meer hun verharde, boosaardige hart3:17 hun verharde … hart - Letterlijk: de verharding van hun … hart. achternagaan.

18In die dagen zal het huis van Juda naar het huis van Israël gaan. Tezamen zullen zij komen uit het land in het noorden naar het land dat Ik uw vaderen in erfelijk bezit heb gegeven.

19Ík had wel gezegd:

Hoe kan Ik u tot kinderen maken

en u een begerenswaardig land geven,

het sierlijke erfelijk bezit van de heidenvolken?

Ik zei: U zult tot Mij roepen: Mijn Vader,

en u zult zich van achter Mij niet afkeren.

20Voorwaar, zoals een vrouw haar levensgezel ontrouw wordt,

zo bent u Mij ontrouw geworden, huis van Israël, spreekt de HEERE.

21Er wordt een geluid gehoord op de kale hoogten,

een geween, smeekbeden door de Israëlieten,

want zij hebben hun weg krom gemaakt,

zij hebben de HEERE, hun God,

3:21
Jer. 2:32
vergeten.

22Keer terug, afkerige kinderen,

Ik zal u van uw afdwalingen genezen.

Zie, hier zijn wij. Wij komen tot U,

want U bent de HEERE, onze God.

23Voorwaar, tevergeefs

3:23
Ps. 121:1
verwacht men het van de heuvels,

en de menigte van de bergen.

Voorwaar, in de HEERE, onze God,

is het heil van Israël.

24Die schande heeft

de arbeid van onze vaderen verslonden, van onze jeugd af,

hun schapen en hun runderen,

hun zonen en hun dochters.

25Wij liggen in onze schande

en onze smaad overdekt ons,

want tegen de HEERE, onze God, hebben wij gezondigd,

wij en onze vaderen, van onze jeugd af

tot op deze dag,

wij hebben niet geluisterd naar de stem van de HEERE, onze God.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]