Herziene Statenvertaling (HSV)
18

Het werk van de pottenbakker

181Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia:

2Sta op en daal af naar het huis van de pottenbakker. Daar zal Ik u Mijn woorden doen horen.

3Zo daalde ik af naar het huis van de pottenbakker. En zie, hij was op de draaischijven een werkstuk aan het maken.

4Mislukte de pot die hij aan het maken was met de klei in de hand van de pottenbakker, dan maakte hij daarvan weer een andere pot, zoals het in de ogen van de pottenbakker goed was om te maken.

5Toen kwam het woord van de HEERE tot mij:

6

18:6
Jes. 45:9
Rom. 9:20
Zou Ik met u niet kunnen doen zoals deze pottenbakker, huis van Israël? spreekt de HEERE. Zie,
18:6
Jes. 64:8
zoals de klei in de hand van de pottenbakker, zo bent u in Mijn hand, huis van Israël.

7Het ene ogenblik doe Ik de uitspraak over een volk en over een koninkrijk dat Ik het

18:7
Jer. 1:10
weg zal rukken, af zal breken en zal doen ondergaan.

8Bekeert zich dat volk waarover Ik die uitspraak heb gedaan echter van zijn kwaad, dan zal Ik berouw hebben over het kwade dat Ik het dacht aan te doen.

9Het andere ogenblik doe Ik de uitspraak over een volk en over een koninkrijk dat Ik het zal bouwen en planten.

10Doet het echter wat kwaad is in Mijn ogen door niet te luisteren naar Mijn stem, dan zal Ik berouw hebben over het goede waarmee Ik zei het goed te doen.

11Nu dan, zeg toch tegen de mannen van Juda en tegen de inwoners van Jeruzalem: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik bereid onheil tegen u, bedenk een plan tegen u.

18:11
2 Kon. 17:13
Jer. 7:3
25:5
26:13
35:15
Bekeer u toch, ieder van zijn slechte weg. Maak uw wegen en uw daden goed.

12Zij zeggen echter:

18:12
Jer. 2:25
Daar is geen hoop op, wij volgen immers onze eigen plannen. We doen ieder overeenkomstig zijn verharde, boosaardige hart.18:12 zijn verharde … hart - Letterlijk: de verharding van zijn … hart.

13Daarom, zo zegt de HEERE:

18:13
Jer. 2:10
Vraag toch onder de heidenvolken:

Wie heeft zoiets gehoord?

Iets zeer afschuwelijks heeft zij gedaan,

de maagd Israël.

14Verdwijnt de sneeuw van Libanon

ooit van een rots in het veld?

Droogt het vreemde, koele, stromende

water ooit uit?

15Toch heeft Mijn volk Mij

18:15
Jer. 2:32
3:21
13:25
vergeten.

Zij brengen reukoffers aan nutteloze afgoden.

Die hebben hen laten struikelen op hun wegen,

op de

18:15
Jer. 6:16
aloude paden,

door op de paden te gaan

van een ongebaande weg,

16zodat zij hun land

18:16
Jer. 12:11
19:8
49:13
50:13
tot een verschrikking maken,

tot een eeuwige aanfluiting.

Ieder die er voorbijtrekt, zal zich ontzetten

en met zijn hoofd schudden.

17Als een

18:17
Jes. 27:8
29:6
Jer. 4:11,12,13
oostenwind zal Ik hen
18:17
Jer. 13:24
verspreiden

vóór de vijand uit.

De nek, niet het gezicht, zal Ik hun laten zien

op de dag van hun ondergang.

18Toen zeiden zij: Kom, laten we plannen tegen Jeremia bedenken. Want

18:18
Mal. 2:7
het onderwijs in de wet verdwijnt niet met de priester, evenmin het geven van raad met de wijze of het woord met de profeet. Kom, laten we hem treffen met de
18:18
Jer. 9:8
tong en laten we geen acht slaan op welke van zijn woorden dan ook.

19Sla acht op mij, HEERE,

luister naar de stem van wie mij aanklagen.

20Zou dan kwaad met goed vergolden worden?

Zij hebben immers een kuil gegraven voor mijn ziel!

Bedenk dat ik in Uw dienst18:20 in Uw dienst - Letterlijk: voor Uw aangezicht. sta,

om het goede voor hen te spreken,

om Uw grimmigheid van hen af te wenden.

21Geef daarom hun kinderen over aan de

18:21
Ps. 109:10
honger,

doe hen neerstorten door de macht van het zwaard.

Laten hun vrouwen

van kinderen beroofd en weduwen worden.

Laten hun mannen gesneuvelden18:21 gesneuvelden - Letterlijk: gedoden van de dood. worden.

Laten hun jongemannen in de strijd met het zwaard verslagen worden.

22Laat uit hun huizen geschreeuw gehoord worden,

wanneer U plotseling een roversbende over hen brengt,

omdat zij een kuil hebben gegraven om mij gevangen te nemen,

en strikken hebben verborgen voor mijn voeten.

23Maar U, HEERE, U kent

heel hun plan tegen mij om mij te doden.

Doe geen verzoening over hun ongerechtigheid,

delg hun zonde van voor Uw aangezicht niet uit.

Doe hen struikelen voor Uw aangezicht.

Doe zo met hen in de tijd van Uw toorn.

19

De kruik gebroken

191Zo zegt de HEERE: Ga een aarden pottenbakkerskruik kopen, en neem enkelen van de oudsten van het volk en van de oudsten van de priesters mee.

2Ga uit naar het dal Ben-Hinnom, dat bij de ingang van de Schervenpoort ligt, en predik daar de woorden die Ik tot u spreek,

3en zeg: Hoor het woord van de HEERE, koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem. Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik ga onheil brengen over deze plaats, zodat bij ieder die het hoort, zijn oren zullen

19:3
1 Sam. 3:11
2 Kon. 21:12
tuiten,

4omdat zij Mij

19:4
Jes. 65:11
Jer. 2:13,17,19
5:7,19
15:6
17:13
verlaten hebben, deze plaats van Mij vervreemd hebben, en reukoffers gebracht hebben aan andere goden, die zij niet gekend hebben, zij, hun vaderen en de koningen van Juda. Zij hebben deze plaats gevuld met
19:4
Jer. 7:6
bloed van onschuldigen.

5Zij hebben de hoogten van de Baäl gebouwd om hun kinderen met vuur te verbranden als brandoffers voor de Baäl, wat Ik niet geboden en niet gesproken heb, en in Mijn hart niet is opgekomen.

6Daarom, zie, er komen

19:6
Jer. 7:32
dagen, spreekt de HEERE, dat deze plaats niet meer genoemd zal worden Tofet en het dal Ben-Hinnom, maar Moorddal.

7Ik zal de plannen van Juda en Jeruzalem in deze plaats verijdelen. Ik zal hen doen vallen door het zwaard vóór hun vijanden en door de hand van hen die hen naar het leven staan. Ik zal hun dode lichamen als voedsel geven aan

19:7
Jer. 15:3
16:4
de vogels in de lucht en aan de dieren op de aarde.

8Ik zal deze stad maken tot een verschrikking en tot een aanfluiting. Ieder die er voorbijtrekt, zal zich ontzetten en van afschuw sissen over al haar wonden.

9

19:9
Lev. 26:29
Deut. 28:53
Klaagl. 4:10
Ik zal hun het vlees van hun zonen en het vlees van hun dochters te eten geven. Zij zullen ieder het vlees eten van zijn naaste tijdens de belegering en in de nood waarin hun vijanden en zij die hen naar het leven staan, hen doen verkeren.

10Dan moet u de kruik stukbreken voor de ogen van de mannen die met u waren meegegaan,

11en tegen hen zeggen: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Zo zal Ik dit volk en deze stad stukbreken, zoals men een pot van een pottenbakker stukbreekt, zodat die niet meer hersteld kan worden. Men zal hen in Tofet

19:11
Jer. 7:32
begraven, omdat er geen andere plaats om te begraven is.

12Zo zal Ik doen met deze plaats, spreekt de HEERE, en met zijn inwoners, om deze stad te maken als een Tofet.

13De huizen van Jeruzalem en de huizen van de koningen van Juda zullen even onrein worden als de plaats van Tofet, met alle huizen waar zij op de daken ervan reukoffers hebben gebracht aan heel het leger aan de hemel en

19:13
Jer. 7:18
plengoffers hebben uitgegoten voor andere goden.

14Toen Jeremia van Tofet kwam, waarheen de HEERE hem had gezonden om te profeteren, ging hij in de voorhof van het huis van de HEERE staan en zei tegen heel het volk:

15Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik ga over deze stad, en over al haar steden, al het onheil brengen dat Ik tegen haar uitgesproken heb, omdat zij

19:15
Jer. 7:26
17:23
halsstarrig waren19:15 zij halsstarrig waren - Letterlijk: zij hun nek verhard hebben. door niet te luisteren naar Mijn woorden.

20

Jeremia opgesloten

201Toen Pashur, de zoon van de priester Immer – hij was tevens hoofdopzichter in het huis van de HEERE – Jeremia deze woorden hoorde profeteren,

2liet Pashur de profeet Jeremia slaan en zette hem in het blok dat in de bovenste Benjaminpoort aan het huis van de HEERE was.

3Het gebeurde echter de volgende dag, toen Pashur Jeremia uit het blok liet gaan, dat Jeremia tegen hem zei: De HEERE geeft u niet de naam Pashur, maar Magor-Missabib.20:3 Magor-Missabib betekent: angst van rondom; zie ook vers 10.

4Want zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga u tot een bron van angst voor uzelf maken en voor allen die u liefhebben. Zij zullen vallen door het zwaard van hun vijanden, en uw ogen zullen dat zien. Heel Juda geef Ik in de hand van de koning van Babel, en hij zal hen in ballingschap voeren naar Babel en hen met het zwaard doden.

5Heel de rijkdom van deze stad, al haar arbeid, al haar kostbaarheden zal Ik geven, en alle schatten van de koningen van Juda, Ik zal ze geven in de hand van hun vijanden. Die zullen ze

20:5
Jer. 15:13
17:3
roven, ze meenemen en ze naar Babel brengen.

6En u, Pashur, en alle inwoners van uw huis, u zult in gevangenschap gaan. U zult in Babel komen, en daar zult u sterven en daar begraven worden, u en al uw vrienden, tegen wie u leugen hebt geprofeteerd.

Strijd en aanvechting

7U hebt mij overgehaald, HEERE, en ik heb mij laten overhalen.

U bent mij te sterk geworden en U hebt overwonnen.

Maar ik ben de hele dag belachelijk geworden,

ieder van hen bespot mij.

8Want zo dikwijls als ik spreek, schreeuw ik het uit,

roep ik: Geweld en verwoesting!

Want het woord van de HEERE is mij

20:8
Jes. 57:4
tot smaad en tot schimp, de hele dag.

9Zei ik: Ik zal niet aan Hem denken,

ik zal niet meer spreken in Zijn Naam,

dan werd het in mijn hart als brandend vuur,

opgesloten in mijn beenderen.

Wel deed ik moeite om het in te houden,

maar ik kon het niet.

10Want ik heb het kwaad gerucht van velen gehoord:

Magor-Missabib!

Maak het ons bekend, dan zullen wij het bekendmaken.

Alle stervelingen met wie ik vrede had,

loeren op een struikeling van mij:

Misschien laat hij zich door anderen overhalen, dan kunnen we hem overwinnen,

en kunnen we onze wraak op hem nemen.

11De HEERE

20:11
Jer. 1:8,19
15:20
is echter met mij als een machtige Held,

20:11
Jer. 17:18
daarom zullen mijn vervolgers struikelen, ze zijn tot niets in staat.

Zij zullen zeer beschaamd worden, want zij zullen niet verstandig handelen.

Het zal

20:11
Jer. 23:40
een eeuwige smaad zijn, die niet vergeten zal worden.

12HEERE van de legermachten, Die de rechtvaardige

20:12
Jer. 11:20
12:3
beproeft,

Die de nieren en het hart ziet,

laat mij Uw

20:12
Jer. 11:20
15:15
18:19
wraak op hen zien,

want ik heb mijn rechtszaak aan U bekendgemaakt.

13Zing voor de HEERE,

prijs de HEERE,

want Hij heeft de ziel van de arme gered

uit de hand van de kwaaddoeners.

14

20:14
Jer. 15:10
Vervloekt is de dag

waarop ik geboren ben.

De dag waarop mijn moeder mij gebaard heeft,

laat die niet gezegend zijn.

15

20:15
Job 3:3
Vervloekt is de man

die mijn vader de boodschap bracht:

U hebt een kind gekregen, een jongetje,

en hem zeer blij maakte.

16Ja, laat die man zijn als de steden

die de HEERE

20:16
Gen. 19
ondersteboven heeft gekeerd terwijl het Hem niet berouwde.

Laat hij in de morgen hulpgeroep horen,

geschreeuw in het middaguur,

17omdat Hij mij niet al in de baarmoeder gedood heeft.

Dan was mijn moeder mijn graf geworden

en haar baarmoeder eeuwig zwanger geweest.

18

20:18
Job 3:20
Waarom toch ben ik uit de baarmoeder naar buiten gekomen,

om moeite en verdriet te zien

en opdat mijn dagen zouden eindigen in schande?