Herziene Statenvertaling (HSV)
17

Zonde en straf van Juda

171De zonde van Juda is opgeschreven

met een stift van ijzer,

met een punt van diamant

ingegrift op de schrijftafel van hun hart

en op de hoorns van uw

17:1
Jer. 11:13
altaren.

2Zoals zij aan hun kinderen denken,

denken zij aan hun altaren en hun gewijde palen,

bij bladerrijke

17:2
Jer. 2:20
bomen, op de hoge heuvels.

3Mijn berg in het veld,

17:3
Jer. 15:13
uw vermogen, al uw schatten,

zal Ik als buit geven –

uw hoogten vanwege de zonde

in heel uw gebied.

4Dan zult u – en dat om uzelf – uw erfelijk bezit, dat Ik u gegeven heb,

met rust moeten laten,

want Ik zal u uw vijanden doen

17:4
Deut. 28:68
dienen

in een land dat u niet

17:4
Jer. 16:13
kent.

U hebt immers in Mijn toorn een

17:4
Jer. 15:14
vuur aangestoken,

dat tot in eeuwigheid zal branden.

5Zo zegt de HEERE:

Vervloekt is de man die vertrouwt op een mens,

en die een schepsel tot zijn arm stelt,

terwijl zijn hart van de HEERE afwijkt.

6Hij zal zijn als een kale struik in de vlakte,

die het niet ziet wanneer het goede komt:

hij verblijft op de droogste plekken in de woestijn,

in zilt en onbewoond land.

7

17:7
Ps. 2:12
34:9
Spr. 16:20
Jes. 30:18
Gezegend is de man die op de HEERE vertrouwt,

wiens vertrouwen de HEERE is.

8Hij zal zijn als een

17:8
Ps. 1:3
boom, die bij water geplant is,

en die zijn wortels laat uitlopen bij een waterloop.

Hij merkt het niet als er hitte komt,

zijn blad blijft groen.

Een jaar van droogte deert hem niet,

en hij houdt niet op vrucht te dragen.

9Arglistig is het hart, boven alles,

ja, ongeneeslijk is het, wie zal het kennen?

10Ik, de HEERE,

17:10
1 Sam. 16:7
Ps. 7:10
doorgrond het hart,

beproef de nieren,

en dat om ieder te geven overeenkomstig zijn wegen,

overeenkomstig de vrucht van zijn daden.

11Wie rijkdom verwerft, maar niet op rechtmatige wijze,

is als een patrijs die eieren uitbroedt, maar ze niet heeft gelegd.17:11 een patrijs … gelegd. - Of: een patrijs die eieren bebroedt, maar niet uitbroedt. Ook mogelijk is de vertaling: een patrijs die kuikens koestert, maar ze niet heeft uitgebroed.

Op de helft van zijn dagen moet hij die achterlaten,

in zijn einde blijkt hij een dwaas te zijn.

12Een eretroon, een hoge plaats vanaf het begin,

is de plaats van ons heiligdom.

13HEERE, Hoop van Israël,

17:13
Ps. 73:27
Jes. 1:28
allen die U verlaten, zullen beschaamd worden.

Wie zich van mij afkeren, zullen in de aarde worden geschreven,

want zij hebben de

17:13
Jer. 2:13
bron van het levende water, de HEERE, verlaten.

14Genees mij, HEERE, en ik zal genezen worden,

verlos mij, en ik zal verlost worden,

want U bent mijn lofzang.

15Zie, zij zeggen tegen mij:

17:15
Jes. 5:19
2 Petr. 3:4
Waar is het woord van de HEERE? Laat het toch uitkomen!

16Wat mij betreft, ik heb niet meer aangedrongen dan een herder achter U betaamde,

naar een onheilsdag heb ik niet verlangd.

U weet Zelf wat over mijn lippen kwam,

het was voor Uw aangezicht.

17Wees mij niet tot een verschrikking,

U bent mijn

17:17
Jer. 16:19
toevlucht op een dag van onheil.

18

17:18
Ps. 35:4
40:15
Jer. 15:15
Laten mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden.

Laten zij ontsteld zijn, maar laat mij niet ontsteld zijn.

Breng over hen een dag van onheil,

breek ze met een dubbele verbreking.

Heiliging van de sabbat

19Zo heeft de HEERE tegen mij gezegd: Ga in de Volkspoort staan, waardoor de koningen van Juda binnenkomen en waardoor zij naar buiten gaan, ja, in alle poorten van Jeruzalem,

20en zeg tegen hen: Hoor het woord van de HEERE, koningen van Juda, heel Juda en alle inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten binnenkomen.

21Zo zegt de HEERE:

17:21
Neh. 13:19
Wacht u er omwille van uw leven voor om op de sabbatdag een last te dragen en die door de poorten van Jeruzalem binnen te brengen.

22Ook mag u op de sabbatdag geen last uit uw huizen naar buiten brengen en geen enkel werk mag u doen. U moet de sabbatdag heiligen, zoals Ik uw

17:22
Ex. 20:8
23:12
31:13
Ezech. 20:12
vaderen geboden heb.

23Zij hebben echter niet

17:23
Jer. 11:10
13:10
16:12
geluisterd en hun oor niet geneigd, maar zij waren halsstarrig17:23 zij waren halsstarrig - Letterlijk: zij verhardden hun nek. door niet te luisteren en geen vermaning te aanvaarden.

24Het zal echter gebeuren, als u daadwerkelijk naar Mij zult luisteren, spreekt de HEERE, door op de sabbatdag geen last door de poorten van deze stad naar binnen te brengen, en door de sabbatdag te heiligen en daarop geen enkel werk te doen,

25

17:25
Jer. 22:4
dat dan koningen en vorsten, die op de troon van David zitten, door de poorten van deze stad naar binnen zullen komen, rijdend op wagens en op paarden, zij en hun vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem. Dan zal deze stad voor eeuwig bewoond blijven.

26Zij zullen uit de steden van Juda komen, en uit de omstreken van Jeruzalem, uit het land van Benjamin, uit het Laagland, uit het Bergland en uit het Zuiderland, terwijl zij brandoffers, slachtoffers, graanoffers en wierook brengen, en terwijl zij lofoffers zullen brengen in het huis van de HEERE.

27Maar als u niet naar Mij luistert door de sabbatdag te heiligen en door daarop geen last te dragen als u op de sabbatdag door de poorten van Jeruzalem binnenkomt, dan zal Ik een vuur aansteken in zijn poorten; dat zal de paleizen van Jeruzalem verteren, en het zal niet geblust worden.

18

Het werk van de pottenbakker

181Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia:

2Sta op en daal af naar het huis van de pottenbakker. Daar zal Ik u Mijn woorden doen horen.

3Zo daalde ik af naar het huis van de pottenbakker. En zie, hij was op de draaischijven een werkstuk aan het maken.

4Mislukte de pot die hij aan het maken was met de klei in de hand van de pottenbakker, dan maakte hij daarvan weer een andere pot, zoals het in de ogen van de pottenbakker goed was om te maken.

5Toen kwam het woord van de HEERE tot mij:

6

18:6
Jes. 45:9
Rom. 9:20
Zou Ik met u niet kunnen doen zoals deze pottenbakker, huis van Israël? spreekt de HEERE. Zie,
18:6
Jes. 64:8
zoals de klei in de hand van de pottenbakker, zo bent u in Mijn hand, huis van Israël.

7Het ene ogenblik doe Ik de uitspraak over een volk en over een koninkrijk dat Ik het

18:7
Jer. 1:10
weg zal rukken, af zal breken en zal doen ondergaan.

8Bekeert zich dat volk waarover Ik die uitspraak heb gedaan echter van zijn kwaad, dan zal Ik berouw hebben over het kwade dat Ik het dacht aan te doen.

9Het andere ogenblik doe Ik de uitspraak over een volk en over een koninkrijk dat Ik het zal bouwen en planten.

10Doet het echter wat kwaad is in Mijn ogen door niet te luisteren naar Mijn stem, dan zal Ik berouw hebben over het goede waarmee Ik zei het goed te doen.

11Nu dan, zeg toch tegen de mannen van Juda en tegen de inwoners van Jeruzalem: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik bereid onheil tegen u, bedenk een plan tegen u.

18:11
2 Kon. 17:13
Jer. 7:3
25:5
26:13
35:15
Bekeer u toch, ieder van zijn slechte weg. Maak uw wegen en uw daden goed.

12Zij zeggen echter:

18:12
Jer. 2:25
Daar is geen hoop op, wij volgen immers onze eigen plannen. We doen ieder overeenkomstig zijn verharde, boosaardige hart.18:12 zijn verharde … hart - Letterlijk: de verharding van zijn … hart.

13Daarom, zo zegt de HEERE:

18:13
Jer. 2:10
Vraag toch onder de heidenvolken:

Wie heeft zoiets gehoord?

Iets zeer afschuwelijks heeft zij gedaan,

de maagd Israël.

14Verdwijnt de sneeuw van Libanon

ooit van een rots in het veld?

Droogt het vreemde, koele, stromende

water ooit uit?

15Toch heeft Mijn volk Mij

18:15
Jer. 2:32
3:21
13:25
vergeten.

Zij brengen reukoffers aan nutteloze afgoden.

Die hebben hen laten struikelen op hun wegen,

op de

18:15
Jer. 6:16
aloude paden,

door op de paden te gaan

van een ongebaande weg,

16zodat zij hun land

18:16
Jer. 12:11
19:8
49:13
50:13
tot een verschrikking maken,

tot een eeuwige aanfluiting.

Ieder die er voorbijtrekt, zal zich ontzetten

en met zijn hoofd schudden.

17Als een

18:17
Jes. 27:8
29:6
Jer. 4:11,12,13
oostenwind zal Ik hen
18:17
Jer. 13:24
verspreiden

vóór de vijand uit.

De nek, niet het gezicht, zal Ik hun laten zien

op de dag van hun ondergang.

18Toen zeiden zij: Kom, laten we plannen tegen Jeremia bedenken. Want

18:18
Mal. 2:7
het onderwijs in de wet verdwijnt niet met de priester, evenmin het geven van raad met de wijze of het woord met de profeet. Kom, laten we hem treffen met de
18:18
Jer. 9:8
tong en laten we geen acht slaan op welke van zijn woorden dan ook.

19Sla acht op mij, HEERE,

luister naar de stem van wie mij aanklagen.

20Zou dan kwaad met goed vergolden worden?

Zij hebben immers een kuil gegraven voor mijn ziel!

Bedenk dat ik in Uw dienst18:20 in Uw dienst - Letterlijk: voor Uw aangezicht. sta,

om het goede voor hen te spreken,

om Uw grimmigheid van hen af te wenden.

21Geef daarom hun kinderen over aan de

18:21
Ps. 109:10
honger,

doe hen neerstorten door de macht van het zwaard.

Laten hun vrouwen

van kinderen beroofd en weduwen worden.

Laten hun mannen gesneuvelden18:21 gesneuvelden - Letterlijk: gedoden van de dood. worden.

Laten hun jongemannen in de strijd met het zwaard verslagen worden.

22Laat uit hun huizen geschreeuw gehoord worden,

wanneer U plotseling een roversbende over hen brengt,

omdat zij een kuil hebben gegraven om mij gevangen te nemen,

en strikken hebben verborgen voor mijn voeten.

23Maar U, HEERE, U kent

heel hun plan tegen mij om mij te doden.

Doe geen verzoening over hun ongerechtigheid,

delg hun zonde van voor Uw aangezicht niet uit.

Doe hen struikelen voor Uw aangezicht.

Doe zo met hen in de tijd van Uw toorn.

19

De kruik gebroken

191Zo zegt de HEERE: Ga een aarden pottenbakkerskruik kopen, en neem enkelen van de oudsten van het volk en van de oudsten van de priesters mee.

2Ga uit naar het dal Ben-Hinnom, dat bij de ingang van de Schervenpoort ligt, en predik daar de woorden die Ik tot u spreek,

3en zeg: Hoor het woord van de HEERE, koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem. Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik ga onheil brengen over deze plaats, zodat bij ieder die het hoort, zijn oren zullen

19:3
1 Sam. 3:11
2 Kon. 21:12
tuiten,

4omdat zij Mij

19:4
Jes. 65:11
Jer. 2:13,17,19
5:7,19
15:6
17:13
verlaten hebben, deze plaats van Mij vervreemd hebben, en reukoffers gebracht hebben aan andere goden, die zij niet gekend hebben, zij, hun vaderen en de koningen van Juda. Zij hebben deze plaats gevuld met
19:4
Jer. 7:6
bloed van onschuldigen.

5Zij hebben de hoogten van de Baäl gebouwd om hun kinderen met vuur te verbranden als brandoffers voor de Baäl, wat Ik niet geboden en niet gesproken heb, en in Mijn hart niet is opgekomen.

6Daarom, zie, er komen

19:6
Jer. 7:32
dagen, spreekt de HEERE, dat deze plaats niet meer genoemd zal worden Tofet en het dal Ben-Hinnom, maar Moorddal.

7Ik zal de plannen van Juda en Jeruzalem in deze plaats verijdelen. Ik zal hen doen vallen door het zwaard vóór hun vijanden en door de hand van hen die hen naar het leven staan. Ik zal hun dode lichamen als voedsel geven aan

19:7
Jer. 15:3
16:4
de vogels in de lucht en aan de dieren op de aarde.

8Ik zal deze stad maken tot een verschrikking en tot een aanfluiting. Ieder die er voorbijtrekt, zal zich ontzetten en van afschuw sissen over al haar wonden.

9

19:9
Lev. 26:29
Deut. 28:53
Klaagl. 4:10
Ik zal hun het vlees van hun zonen en het vlees van hun dochters te eten geven. Zij zullen ieder het vlees eten van zijn naaste tijdens de belegering en in de nood waarin hun vijanden en zij die hen naar het leven staan, hen doen verkeren.

10Dan moet u de kruik stukbreken voor de ogen van de mannen die met u waren meegegaan,

11en tegen hen zeggen: Zo zegt de HEERE van de legermachten: Zo zal Ik dit volk en deze stad stukbreken, zoals men een pot van een pottenbakker stukbreekt, zodat die niet meer hersteld kan worden. Men zal hen in Tofet

19:11
Jer. 7:32
begraven, omdat er geen andere plaats om te begraven is.

12Zo zal Ik doen met deze plaats, spreekt de HEERE, en met zijn inwoners, om deze stad te maken als een Tofet.

13De huizen van Jeruzalem en de huizen van de koningen van Juda zullen even onrein worden als de plaats van Tofet, met alle huizen waar zij op de daken ervan reukoffers hebben gebracht aan heel het leger aan de hemel en

19:13
Jer. 7:18
plengoffers hebben uitgegoten voor andere goden.

14Toen Jeremia van Tofet kwam, waarheen de HEERE hem had gezonden om te profeteren, ging hij in de voorhof van het huis van de HEERE staan en zei tegen heel het volk:

15Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik ga over deze stad, en over al haar steden, al het onheil brengen dat Ik tegen haar uitgesproken heb, omdat zij

19:15
Jer. 7:26
17:23
halsstarrig waren19:15 zij halsstarrig waren - Letterlijk: zij hun nek verhard hebben. door niet te luisteren naar Mijn woorden.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]