Herziene Statenvertaling (HSV)
16

De ballingschap van Israël

161Het woord van de HEERE kwam tot mij:

2U mag u geen vrouw nemen en in deze plaats geen zonen en dochters hebben,

3want zo zegt de HEERE over de zonen en over de dochters die in deze plaats geboren worden, en over hun moeders die hen baren, en over hun vaders die hen verwekken in dit land:

4Zij zullen sterven aan

16:4
Jer. 15:2
dodelijke ziekten, er zal over hen geen
16:4
Jer. 25:33
rouw bedreven worden en zij zullen niet
16:4
Jer. 14:16
begraven worden, maar tot
16:4
Jer. 9:22
25:33
mest op de aardbodem zijn. Zij zullen door het zwaard en door de honger omkomen, en hun
16:4
Jer. 7:33
15:3
34:20
dode lichamen zullen tot voedsel zijn voor de vogels in de lucht en voor de dieren op de aarde.

5Want zo zegt de HEERE: U mag het huis van hem die een rouwmaaltijd houdt, niet binnengaan. U mag er niet heen gaan om rouw te bedrijven en u mag hun geen medeleven betuigen, want Ik heb van dit volk – spreekt de HEERE – Mijn vrede, de goedertierenheid en de barmhartigheid weggenomen.

6Groten en kleinen zullen sterven in dit land. Zij zullen niet begraven worden. Er zal over hen geen rouw bedreven worden, men zal het lichaam niet

16:6
Lev. 19:28
Deut. 14:1
kerven of zich voor hen kaal maken.

7Ook zal men geen brood voor hen breken vanwege de rouw, om iemand te troosten over een gestorvene, en men zal hun niet te drinken geven uit de troostbeker vanwege iemands vader of vanwege iemands moeder.

8Een huis waar een feestmaal gehouden wordt, mag u niet binnengaan om bij hen aan te zitten, om te eten en te drinken.

9Want zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zie, uit deze plaats doe

16:9
Jes. 24:7,8
Jer. 7:34
25:10
Ezech. 26:13
Ik voor uw ogen en in uw dagen ophouden de stem van de vreugde en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid.

10Maar het zal gebeuren

16:10
Jer. 5:19
wanneer u dit volk al deze woorden aanzegt, dat zij tegen u zullen zeggen: Waarom heeft de HEERE heel dit grote onheil over ons uitgesproken, wat is onze ongerechtigheid en wat is onze zonde waarmee wij tegen de HEERE, onze God, gezondigd hebben?

11Dan zult u tegen hen zeggen: Omdat uw vaderen Mij hebben verlaten, spreekt de HEERE, en andere goden achterna zijn gegaan en die hebben gediend en zich voor hen hebben gebogen. Mij echter hebben zij verlaten en zij hebben Mijn wet niet in acht genomen.

12Wat u betreft, u hebt

16:12
Jer. 7:26
meer kwaad gedaan dan uw vaderen, want zie, ieder van u gaat zijn eigen
16:12
Jer. 3:17
9:14
13:10
verharde, boosaardige hart16:12 zijn eigen verharde … hart - Letterlijk: de verharding van zijn … hart. achterna door niet naar Mij te
16:12
Jer. 11:10
13:10
17:23
luisteren.

13Daarom zal Ik u

16:13
Deut. 4:27
28:64,65
uit dit land wegwerpen naar een land dat u niet gekend hebt, u evenmin als uw vaderen. Daar zult u dan dag en nacht andere goden dienen, omdat Ik u geen genade zal bewijzen.

Verlossing uit de ballingschap

14Daarom,

16:14
Jer. 23:7,8
zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat er niet meer gezegd zal worden: Zo waar de HEERE leeft, Die de Israëlieten uit het land Egypte geleid heeft,

15maar: Zo waar de HEERE leeft, Die de Israëlieten uit het land in het noorden en uit al de landen waarheen Hij hen verdreven had, geleid heeft. Ik zal hen terugbrengen in hun land, dat Ik hun vaderen gegeven heb.

16Zie, Ik ga boden tot vele vissers zenden, spreekt de HEERE, dat zij hen moeten opvissen. En daarna zend Ik boden tot vele jagers, dat die hen moeten opjagen van elke berg en van elke heuvel, en uit de kloven van de rotsen.

17Want Mijn

16:17
Job 34:21
Spr. 5:21
Jer. 32:19
ogen zijn gevestigd op al hun wegen. Ze zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen en hun ongerechtigheid kan zich niet voor Mijn ogen verhullen.

18Ik zal eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij Mijn land

16:18
Jer. 3:2
ontheiligd hebben: zij hebben Mijn eigendom met de
16:18
Ezech. 43:7
dode lichamen van hun afschuwelijke afgoden en hun gruweldaden vervuld.

19HEERE, mijn kracht en mijn burcht,

mijn toevlucht op de dag van de benauwdheid,

tot U zullen de heidenvolken komen

van de einden der aarde, en zeggen:

Onze vaderen hebben enkel leugen in erfelijk bezit gekregen,

en nietige dingen, niets ervan is van nut.

20Zou een mens zich goden maken?

Dat zijn toch geen goden!

21Daarom, zie, Ik doe hen erkennen,

deze keer doe Ik hen

Mijn hand en Mijn macht erkennen.

Dan zullen zij weten dat

16:21
Jer. 33:2
Mijn Naam HEERE is.

17

Zonde en straf van Juda

171De zonde van Juda is opgeschreven

met een stift van ijzer,

met een punt van diamant

ingegrift op de schrijftafel van hun hart

en op de hoorns van uw

17:1
Jer. 11:13
altaren.

2Zoals zij aan hun kinderen denken,

denken zij aan hun altaren en hun gewijde palen,

bij bladerrijke

17:2
Jer. 2:20
bomen, op de hoge heuvels.

3Mijn berg in het veld,

17:3
Jer. 15:13
uw vermogen, al uw schatten,

zal Ik als buit geven –

uw hoogten vanwege de zonde

in heel uw gebied.

4Dan zult u – en dat om uzelf – uw erfelijk bezit, dat Ik u gegeven heb,

met rust moeten laten,

want Ik zal u uw vijanden doen

17:4
Deut. 28:68
dienen

in een land dat u niet

17:4
Jer. 16:13
kent.

U hebt immers in Mijn toorn een

17:4
Jer. 15:14
vuur aangestoken,

dat tot in eeuwigheid zal branden.

5Zo zegt de HEERE:

Vervloekt is de man die vertrouwt op een mens,

en die een schepsel tot zijn arm stelt,

terwijl zijn hart van de HEERE afwijkt.

6Hij zal zijn als een kale struik in de vlakte,

die het niet ziet wanneer het goede komt:

hij verblijft op de droogste plekken in de woestijn,

in zilt en onbewoond land.

7

17:7
Ps. 2:12
34:9
Spr. 16:20
Jes. 30:18
Gezegend is de man die op de HEERE vertrouwt,

wiens vertrouwen de HEERE is.

8Hij zal zijn als een

17:8
Ps. 1:3
boom, die bij water geplant is,

en die zijn wortels laat uitlopen bij een waterloop.

Hij merkt het niet als er hitte komt,

zijn blad blijft groen.

Een jaar van droogte deert hem niet,

en hij houdt niet op vrucht te dragen.

9Arglistig is het hart, boven alles,

ja, ongeneeslijk is het, wie zal het kennen?

10Ik, de HEERE,

17:10
1 Sam. 16:7
Ps. 7:10
doorgrond het hart,

beproef de nieren,

en dat om ieder te geven overeenkomstig zijn wegen,

overeenkomstig de vrucht van zijn daden.

11Wie rijkdom verwerft, maar niet op rechtmatige wijze,

is als een patrijs die eieren uitbroedt, maar ze niet heeft gelegd.17:11 een patrijs … gelegd. - Of: een patrijs die eieren bebroedt, maar niet uitbroedt. Ook mogelijk is de vertaling: een patrijs die kuikens koestert, maar ze niet heeft uitgebroed.

Op de helft van zijn dagen moet hij die achterlaten,

in zijn einde blijkt hij een dwaas te zijn.

12Een eretroon, een hoge plaats vanaf het begin,

is de plaats van ons heiligdom.

13HEERE, Hoop van Israël,

17:13
Ps. 73:27
Jes. 1:28
allen die U verlaten, zullen beschaamd worden.

Wie zich van mij afkeren, zullen in de aarde worden geschreven,

want zij hebben de

17:13
Jer. 2:13
bron van het levende water, de HEERE, verlaten.

14Genees mij, HEERE, en ik zal genezen worden,

verlos mij, en ik zal verlost worden,

want U bent mijn lofzang.

15Zie, zij zeggen tegen mij:

17:15
Jes. 5:19
2 Petr. 3:4
Waar is het woord van de HEERE? Laat het toch uitkomen!

16Wat mij betreft, ik heb niet meer aangedrongen dan een herder achter U betaamde,

naar een onheilsdag heb ik niet verlangd.

U weet Zelf wat over mijn lippen kwam,

het was voor Uw aangezicht.

17Wees mij niet tot een verschrikking,

U bent mijn

17:17
Jer. 16:19
toevlucht op een dag van onheil.

18

17:18
Ps. 35:4
40:15
Jer. 15:15
Laten mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden.

Laten zij ontsteld zijn, maar laat mij niet ontsteld zijn.

Breng over hen een dag van onheil,

breek ze met een dubbele verbreking.

Heiliging van de sabbat

19Zo heeft de HEERE tegen mij gezegd: Ga in de Volkspoort staan, waardoor de koningen van Juda binnenkomen en waardoor zij naar buiten gaan, ja, in alle poorten van Jeruzalem,

20en zeg tegen hen: Hoor het woord van de HEERE, koningen van Juda, heel Juda en alle inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten binnenkomen.

21Zo zegt de HEERE:

17:21
Neh. 13:19
Wacht u er omwille van uw leven voor om op de sabbatdag een last te dragen en die door de poorten van Jeruzalem binnen te brengen.

22Ook mag u op de sabbatdag geen last uit uw huizen naar buiten brengen en geen enkel werk mag u doen. U moet de sabbatdag heiligen, zoals Ik uw

17:22
Ex. 20:8
23:12
31:13
Ezech. 20:12
vaderen geboden heb.

23Zij hebben echter niet

17:23
Jer. 11:10
13:10
16:12
geluisterd en hun oor niet geneigd, maar zij waren halsstarrig17:23 zij waren halsstarrig - Letterlijk: zij verhardden hun nek. door niet te luisteren en geen vermaning te aanvaarden.

24Het zal echter gebeuren, als u daadwerkelijk naar Mij zult luisteren, spreekt de HEERE, door op de sabbatdag geen last door de poorten van deze stad naar binnen te brengen, en door de sabbatdag te heiligen en daarop geen enkel werk te doen,

25

17:25
Jer. 22:4
dat dan koningen en vorsten, die op de troon van David zitten, door de poorten van deze stad naar binnen zullen komen, rijdend op wagens en op paarden, zij en hun vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem. Dan zal deze stad voor eeuwig bewoond blijven.

26Zij zullen uit de steden van Juda komen, en uit de omstreken van Jeruzalem, uit het land van Benjamin, uit het Laagland, uit het Bergland en uit het Zuiderland, terwijl zij brandoffers, slachtoffers, graanoffers en wierook brengen, en terwijl zij lofoffers zullen brengen in het huis van de HEERE.

27Maar als u niet naar Mij luistert door de sabbatdag te heiligen en door daarop geen last te dragen als u op de sabbatdag door de poorten van Jeruzalem binnenkomt, dan zal Ik een vuur aansteken in zijn poorten; dat zal de paleizen van Jeruzalem verteren, en het zal niet geblust worden.

18

Het werk van de pottenbakker

181Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia:

2Sta op en daal af naar het huis van de pottenbakker. Daar zal Ik u Mijn woorden doen horen.

3Zo daalde ik af naar het huis van de pottenbakker. En zie, hij was op de draaischijven een werkstuk aan het maken.

4Mislukte de pot die hij aan het maken was met de klei in de hand van de pottenbakker, dan maakte hij daarvan weer een andere pot, zoals het in de ogen van de pottenbakker goed was om te maken.

5Toen kwam het woord van de HEERE tot mij:

6

18:6
Jes. 45:9
Rom. 9:20
Zou Ik met u niet kunnen doen zoals deze pottenbakker, huis van Israël? spreekt de HEERE. Zie,
18:6
Jes. 64:8
zoals de klei in de hand van de pottenbakker, zo bent u in Mijn hand, huis van Israël.

7Het ene ogenblik doe Ik de uitspraak over een volk en over een koninkrijk dat Ik het

18:7
Jer. 1:10
weg zal rukken, af zal breken en zal doen ondergaan.

8Bekeert zich dat volk waarover Ik die uitspraak heb gedaan echter van zijn kwaad, dan zal Ik berouw hebben over het kwade dat Ik het dacht aan te doen.

9Het andere ogenblik doe Ik de uitspraak over een volk en over een koninkrijk dat Ik het zal bouwen en planten.

10Doet het echter wat kwaad is in Mijn ogen door niet te luisteren naar Mijn stem, dan zal Ik berouw hebben over het goede waarmee Ik zei het goed te doen.

11Nu dan, zeg toch tegen de mannen van Juda en tegen de inwoners van Jeruzalem: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik bereid onheil tegen u, bedenk een plan tegen u.

18:11
2 Kon. 17:13
Jer. 7:3
25:5
26:13
35:15
Bekeer u toch, ieder van zijn slechte weg. Maak uw wegen en uw daden goed.

12Zij zeggen echter:

18:12
Jer. 2:25
Daar is geen hoop op, wij volgen immers onze eigen plannen. We doen ieder overeenkomstig zijn verharde, boosaardige hart.18:12 zijn verharde … hart - Letterlijk: de verharding van zijn … hart.

13Daarom, zo zegt de HEERE:

18:13
Jer. 2:10
Vraag toch onder de heidenvolken:

Wie heeft zoiets gehoord?

Iets zeer afschuwelijks heeft zij gedaan,

de maagd Israël.

14Verdwijnt de sneeuw van Libanon

ooit van een rots in het veld?

Droogt het vreemde, koele, stromende

water ooit uit?

15Toch heeft Mijn volk Mij

18:15
Jer. 2:32
3:21
13:25
vergeten.

Zij brengen reukoffers aan nutteloze afgoden.

Die hebben hen laten struikelen op hun wegen,

op de

18:15
Jer. 6:16
aloude paden,

door op de paden te gaan

van een ongebaande weg,

16zodat zij hun land

18:16
Jer. 12:11
19:8
49:13
50:13
tot een verschrikking maken,

tot een eeuwige aanfluiting.

Ieder die er voorbijtrekt, zal zich ontzetten

en met zijn hoofd schudden.

17Als een

18:17
Jes. 27:8
29:6
Jer. 4:11,12,13
oostenwind zal Ik hen
18:17
Jer. 13:24
verspreiden

vóór de vijand uit.

De nek, niet het gezicht, zal Ik hun laten zien

op de dag van hun ondergang.

18Toen zeiden zij: Kom, laten we plannen tegen Jeremia bedenken. Want

18:18
Mal. 2:7
het onderwijs in de wet verdwijnt niet met de priester, evenmin het geven van raad met de wijze of het woord met de profeet. Kom, laten we hem treffen met de
18:18
Jer. 9:8
tong en laten we geen acht slaan op welke van zijn woorden dan ook.

19Sla acht op mij, HEERE,

luister naar de stem van wie mij aanklagen.

20Zou dan kwaad met goed vergolden worden?

Zij hebben immers een kuil gegraven voor mijn ziel!

Bedenk dat ik in Uw dienst18:20 in Uw dienst - Letterlijk: voor Uw aangezicht. sta,

om het goede voor hen te spreken,

om Uw grimmigheid van hen af te wenden.

21Geef daarom hun kinderen over aan de

18:21
Ps. 109:10
honger,

doe hen neerstorten door de macht van het zwaard.

Laten hun vrouwen

van kinderen beroofd en weduwen worden.

Laten hun mannen gesneuvelden18:21 gesneuvelden - Letterlijk: gedoden van de dood. worden.

Laten hun jongemannen in de strijd met het zwaard verslagen worden.

22Laat uit hun huizen geschreeuw gehoord worden,

wanneer U plotseling een roversbende over hen brengt,

omdat zij een kuil hebben gegraven om mij gevangen te nemen,

en strikken hebben verborgen voor mijn voeten.

23Maar U, HEERE, U kent

heel hun plan tegen mij om mij te doden.

Doe geen verzoening over hun ongerechtigheid,

delg hun zonde van voor Uw aangezicht niet uit.

Doe hen struikelen voor Uw aangezicht.

Doe zo met hen in de tijd van Uw toorn.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]