Herziene Statenvertaling (HSV)

De HEERE spaart het volk niet meer

151De HEERE zei tegen mij:

15:1
Ezech. 14:14
Al stond
15:1
Ex. 32:14
Mozes of
15:1
1 Sam. 7:9
Samuel voor Mijn aangezicht, dan nog zou Mijn ziel niet met dit volk van doen willen hebben. Stuur hen van voor Mijn aangezicht weg, laten zij weggaan!

2En het zal gebeuren, wanneer zij tegen u zeggen: Waar moeten wij naartoe gaan? dat u tegen hen moet zeggen: Zo zegt de HEERE:

15:2
Zach. 11:9
Wie bestemd is voor de dood, naar de dood;

wie bestemd is voor het zwaard, naar het zwaard;

wie bestemd is voor de honger, naar de honger;

en wie bestemd is voor de gevangenis, naar de gevangenis.

3Ik zal hen op vier

15:3
Lev. 26:16
manieren straffen, spreekt de HEERE: door het zwaard om hen te doden, door de honden om hen weg te slepen, door
15:3
Jer. 7:33
de vogels in de lucht en de dieren op de aarde om hen te verslinden en te gronde te richten.

4Ik zal hen stellen tot een

15:4
Deut. 28:25
schrikbeeld voor alle koninkrijken van de aarde, vanwege Manasse, de zoon van Hizkia, de koning van Juda, om wat hij in Jeruzalem gedaan heeft.

5Want wie heeft

15:5
Jes. 51:19
medelijden met u, Jeruzalem?

Wie betuigt u zijn medeleven,

wie zal van de weg afgaan om te vragen

naar uw welstand?

6Ú hebt Mij

15:6
Jer. 5:7
verlaten,

spreekt de HEERE,

u ging achterwaarts.

Daarom strek Ik Mijn hand tegen u uit, Ik richt u te gronde,

Ik ben het berouw hebben moe.

7Ik zal hen

15:7
Jer. 4:11
wannen met een wan

in de poorten van het land.

Ik heb Mijn volk van kinderen beroofd, het doen ondergaan.

Zij zijn van hun wegen niet teruggekeerd.

8Hun weduwen zullen voor Mij talrijker zijn

dan het zand van de zeeën.

Ik laat over hen, over de moeder,

een jongeman komen, een verwoester, midden op de dag.

Plotseling laat Ik op hen vallen

angst en verschrikkingen.

9Zij die er zeven baarde, verkommert,

zij blaast haar laatste adem uit.

Haar

15:9
Amos 8:9
zon gaat onder als het nog dag is,

zij schaamt zich en wordt rood van schaamte.

Wat van hen nog overblijft, zal Ik overgeven aan het zwaard

voor het oog van hun vijanden,

spreekt de HEERE.

Klacht en aanvechting van Jeremia

10Wee mij, mijn moeder, dat u mij

15:10
Job 3:1Jer. 20:14
gebaard hebt,

een man van onenigheid en een man van ruzie voor heel het land.

Ik heb niets uitgeleend en men heeft mij niets uitgeleend,

toch vervloekt ieder van hen mij.

11De HEERE zei: Voorwaar, Ik zweer dat Ik ten goede voor u heb gezorgd!

Voorwaar, Ik zweer dat Ik tegen de vijand voor u ben opgekomen,

in een tijd van onheil en in een tijd van benauwdheid!

12Kan ijzer soms breken,

15:12
Jer. 6:28
ijzer uit het noorden, of brons?

13Uw vermogen en uw schatten

zal Ik als

15:13
Jer. 17:3
buit geven,

zonder prijs, vanwege al uw zonden,

en in heel uw gebied.

14Ik zal u met uw vijanden overbrengen

naar een land dat u niet kent,

want een

15:14
Deut. 32:22
vuur is aangestoken in Mijn toorn,

het zal tegen u branden.

15U, HEERE, U kent mijn onschuld,

denk aan mij en zie naar mij om,

15:15
Jer. 11:20
wreek mij op mijn vervolgers.

Neem mij in Uw geduld niet weg,

weet dat ik omwille van U smaad draag.

16Zodra Uw woorden gevonden werden, at ik ze op.

Uw woord was mij tot vreugde

en tot blijdschap in mijn hart,

want Uw Naam is over mij uitgeroepen,

HEERE, God van de legermachten.

17Ik heb niet gezeten in een kring van

15:17
Ps. 1:1
spotters,

of sprong daar op van vreugde.

Vanwege Uw hand zat ik alleen,

want U hebt mij met gramschap vervuld.

18Waarom is mijn

15:18
Jer. 30:15
lijden er voor altijd,

en is mijn wond ongeneeslijk, weigert hij te genezen?

Bent U nu echt voor mij als een onbetrouwbare beek,

water dat niet

15:18
Job 6:15
betrouwbaar is?

19Daarom, zo zegt de HEERE:

Als u terugkeert, laat Ik u terugkeren,

u zult voor Mijn aangezicht gaan staan.

Als u wat kostbaar is, afscheidt van wat waardeloos is,

zult u als Mijn mond zijn.

Laten zíj terugkeren naar u,

maar ú mag niet terugkeren naar hen.

20Ik zal u vóór dit volk stellen

als een bronzen

15:20
Jer. 1:18
vestingmuur.

Ze zullen wel tegen u strijden,

maar u niet aankunnen,

want Ik ben met u,

om u te verlossen en te redden, spreekt de HEERE.

21Ik zal u redden uit de hand van de kwaaddoeners,

Ik zal u verlossen uit de greep van de geweldplegers.