Herziene Statenvertaling (HSV)
4

Wereldsgezindheid

41Vanwaar al die strijd en al die conflicten in uw midden? Vloeien ze hier niet uit voort: uit uw hartstochten,

4:1
Rom. 7:23
1 Petr. 2:11
die in alle delen van uw lichaam strijd voeren?

2U verlangt naar iets en krijgt het niet. U benijdt anderen en beijvert u om dingen te bemachtigen en kunt ze niet krijgen. U maakt ruzie en voert strijd, maar u krijgt niet, omdat u niet bidt.

3U bidt wel, maar u ontvangt niet,

4:3
Matt. 20:22
Rom. 8:26
omdat u verkeerd bidt, met het doel het in uw hartstochten door te brengen.

4Overspelige mannen en vrouwen, weet u dan niet dat de vriendschap met de wereld vijandschap tegen God is?

4:4
Joh. 15:9
Gal. 1:10
1 Joh. 2:15
Wie dan nu een vriend van de wereld wil zijn, wordt als vijand van God aangemerkt.

5Of denkt u dat de Schrift tevergeefs zegt:

4:5
Num. 11:29
De Geest, Die in ons woont, verlangt Die vurig naar afgunst?

6Hij echter geeft des te meer genade. Daarom zegt de Schrift:

4:6
Spr. 3:34
1 Petr. 5:5
God keert Zich tegen de hoogmoedigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade.

7Onderwerp u dan aan God.

4:7
Efez. 4:27
1 Petr. 5:9
Bied weerstand aan de duivel en hij zal van u wegvluchten.

8Nader tot God, en Hij zal tot u naderen.

4:8
Jes. 1:15
Reinig de handen, zondaars, en zuiver de harten, dubbelhartigen!

9

4:9
Matt. 5:4
Besef uw ellendige staat en treur en huil. Laat uw lachen veranderd worden in treuren en uw blijdschap in droefheid.

10

4:10
Job 22:29
Spr. 29:23
Matt. 23:12
Luk. 14:11
18:14
1 Petr. 5:6
Verneder u voor de Heere, en Hij zal u verhogen.

11Broeders, spreek geen kwaad van elkaar. Wie van zijn broeder kwaadspreekt en over zijn broeder oordeelt, spreekt kwaad over de wet en oordeelt over de wet. Als u over de wet oordeelt, bent u geen dader van de wet, maar een rechter.

12Er is één Wetgever, namelijk Hij Die kan zalig maken én te gronde richten.

4:12
Rom. 14:4
Maar wie bent u, die over de ander oordeelt?

De onzekerheid van het leven

13En nu dan u die zegt:

4:13
Luk. 12:18
Wij zullen vandaag of morgen naar die en die stad reizen, en daar een jaar doorbrengen en handeldrijven en winst maken,

14u, die niet weet wat er morgen gebeuren zal,

4:14
Jes. 40:6
1 Kor. 7:31
Jak. 1:10
1 Petr. 1:24
1 Joh. 2:17
want hoe is uw leven? Het is immers een damp, die voor een korte tijd verschijnt en daarna verdwijnt.

15In plaats daarvan zou u moeten zeggen:

4:15
Hand. 18:21
1 Kor. 4:19
Hebr. 6:3
Als de Heere wil en wij leven, dan zullen wij dit of dat doen.

16Maar nu roemt u in uw hoogmoed. Al zulk soort roem is slecht.

17

4:17
Luk. 12:47
Wie dan weet goed te doen, en het niet doet, voor hem is het zonde.