Herziene Statenvertaling (HSV)
2

Geen aanzien des persoons

21Mijn broeders, heb het geloof in onze Heere Jezus Christus, de Heere der heerlijkheid,

2:1
Lev. 19:15
Deut. 16:19
Spr. 24:23
Matt. 22:16
zonder aanzien des persoons.

2Want als in uw samenkomst een man zou binnenkomen met een gouden ring aan zijn vinger, in sierlijke kleding, en er kwam ook een arme man in haveloze kleding,

3en u zou hoog opzien tegen hem die de sierlijke kleding draagt, en tegen hem zeggen: Gaat u hier zitten op een mooie plaats, en u zou tegen de arme zeggen: Gaat u daar maar staan, of: Ga hier zitten bij mijn voetbank,

4hebt u dan niet onder elkaar een onderscheid gemaakt en bent u zo geen rechters geworden met verkeerde overwegingen?

5

2:5
Joh. 7:48
1 Kor. 1:26
Luister, mijn geliefde broeders, heeft God de armen van deze wereld niet uitverkoren om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen te zijn van het Koninkrijk, dat Hij
2:5
Ex. 20:6
1 Sam. 2:30
Spr. 8:17
Matt. 5:3
beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben?

6U hebt daarentegen de arme schandelijk behandeld. Zijn het niet de rijken die u overweldigen en slepen juist zij u niet naar de rechtbank?

7Lasteren zij niet de goede Naam, Die over u is aangeroepen?

8Als u echter de koninklijke wet volbrengt, volgens de Schrift:

2:8
Lev. 19:18
Matt. 22:39
Mark. 12:31
Rom. 13:9
Gal. 5:14
Efez. 5:2
1 Thess. 4:9
U zult uw naaste liefhebben als uzelf, dan handelt u goed.

9Maar als u met aanzien des persoons handelt, begaat u een zonde en wordt u door de wet ontmaskerd als overtreders.

10

2:10
Deut. 27:26
Matt. 5:19
Gal. 3:10
Want wie de hele wet in acht neemt, maar op één punt struikelt, die is schuldig geworden aan alle geboden.

11Immers, Hij Die gezegd heeft:

2:11
Ex. 20:14
Matt. 5:27
U zult geen overspel plegen, heeft ook gezegd: U zult niet doodslaan. Als u dan geen overspel bedrijft, maar wel doodslaat, bent u toch een wetsovertreder geworden.

12Spreek zó en handel zó als mensen die geoordeeld zullen worden door de wet van de vrijheid.

13

2:13
Matt. 6:15
18:35
Mark. 11:25
Luk. 16:25
Want onbarmhartig zal het oordeel zijn over hem die geen barmhartigheid heeft bewezen. En de barmhartigheid triomfeert over het oordeel.

Dood geloof

14

2:14
Matt. 7:26
Jak. 1:23
Wat voor nut heeft het, mijn broeders, als iemand zegt dat hij geloof heeft, en hij heeft geen werken? Kan dat geloof hem zalig maken?

15

2:15
Luk. 3:11
1 Joh. 3:17
Als er nu een broeder of zuster zonder kleding zou zijn en gebrek zou hebben aan dagelijks voedsel,

16en iemand van u zou tegen hen zeggen: Ga heen in vrede, word warm en word verzadigd, en u zou hun niet geven wat het lichaam nodig heeft, wat voor nut heeft dat dan?

17Zo is ook het geloof als het geen werken heeft, in zichzelf dood.

18Maar nu zal iemand zeggen: U hebt geloof en ik heb werken. Laat mij dan uw geloof zien uit uw werken en ik zal u uit mijn werken mijn geloof laten zien.

19U gelooft dat God één is; daar doet u goed aan. Maar ook

2:19
Mark. 1:24
de demonen geloven dit, en zij sidderen.

20Maar wilt u weten, o dwaze2:20 dwaze - Letterlijk: lege. mens, dat het geloof zonder de werken dood is?

21Is Abraham, onze vader, niet uit de werken gerechtvaardigd,

2:21
Gen. 22:10
toen hij Izak, zijn zoon, op het altaar offerde?

22Ziet u wel dat het geloof samenwerkte met zijn werken en dat door de werken het geloof volmaakt is geworden?

23En de Schrift is vervuld die zegt:

2:23
Gen. 15:6
Rom. 4:3
Gal. 3:6
En Abraham geloofde God, en het is hem tot gerechtigheid gerekend, en hij werd een vriend van God genoemd.

24U ziet dus nu dat een mens uit werken gerechtvaardigd wordt en niet alleen uit geloof.

25En is

2:25
Joz. 2:1
6:23
Hebr. 11:31
Rachab, de hoer, niet op dezelfde manier uit werken gerechtvaardigd, toen zij de boden heeft ontvangen en langs een andere weg heeft laten weggaan?

26Want zoals het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder de werken dood.

3

De zonden van de tong

31U moet

3:1
Matt. 23:8
niet allemaal leermeesters willen zijn, mijn broeders. U weet immers
3:1
Matt. 7:1
Luk. 6:37
dat wij dan een strenger oordeel zullen ontvangen.

2Want wij struikelen allen in veel opzichten.

3:2
Ps. 34:14
Jak. 1:26
Als iemand in woorden niet struikelt, is hij een volmaakt man, die bij machte is om ook het hele lichaam in toom te houden.

3Zie, wij leggen de paarden een bit in de mond, opdat ze ons zouden gehoorzamen, en wij sturen daarmee heel hun lichaam.

4Zie, ook de schepen, al zijn ze nog zo groot en worden ze door harde winden voortgedreven, ze worden gestuurd door een zeer klein roer, waarheen de stuurman ook maar kiest en wil.3:4 waarheen … kiest en wil - Letterlijk: waar de keuze van de stuurman heen wil.

5

3:5
Spr. 12:18
15:2
Zo is ook de tong een klein lichaamsdeel, en roemt toch van grote dingen. Zie eens hoe een klein vuur een grote hoop hout aansteekt.

6Ook de tong is een vuur, een wereld van ongerechtigheid. Zo staat het met de tong onder onze lichaamsdelen. Ze besmet het hele lichaam, en zet onze levensloop3:6 onze levensloop - Letterlijk: het rad van de geboorte. vanaf het begin in vlam, en ze wordt zelf door de hel in vlam gezet.

7Want elke natuur, zowel van wilde dieren en vogels als van kruipende dieren en zeedieren, wordt getemd en is getemd door de menselijke natuur.

8Maar de tong kan geen mens temmen. Ze is een niet te bedwingen kwaad, vol dodelijk vergif.

9Door haar loven wij God en de Vader, en door haar vervloeken wij de mensen,

3:9
Gen. 1:27
die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn.

10Uit dezelfde mond komen zegen en vervloeking voort. Dit behoort niet zo te zijn, mijn broeders.

11Laat soms een bron uit dezelfde ader zoet en bitter water opwellen?

12Kan ook, mijn broeders, een vijgenboom olijven voortbrengen, of een wijnstok vijgen? Evenmin kan een bron zout én zoet water voortbrengen.

De wijsheid van boven

13Wie is wijs en verstandig onder u?

3:13
Efez. 5:8
Laat hij uit zijn goede levenswandel zijn werken laten zien, in zachtmoedige wijsheid.

14

3:14
Rom. 13:13
Wanneer u echter bittere afgunst en eigenbelang in uw hart hebt, beroem u dan niet en lieg niet tegen de waarheid.

15

3:15
1 Kor. 2:6,7
Dat is niet de wijsheid die van boven komt, maar ze is aards, natuurlijk, duivels.

16

3:16
1 Kor. 3:3
Gal. 5:20
Want waar afgunst en eigenbelang is, daar heersen wanorde en allerlei kwade praktijken.

17Maar de wijsheid die van boven is, is ten eerste rein, vervolgens vreedzaam, welwillend, voor rede vatbaar, vol barmhartigheid en goede vruchten, onpartijdig en ongeveinsd.

18En de vrucht van de gerechtigheid wordt in vrede gezaaid voor hen die vrede stichten.

4

Wereldsgezindheid

41Vanwaar al die strijd en al die conflicten in uw midden? Vloeien ze hier niet uit voort: uit uw hartstochten,

4:1
Rom. 7:23
1 Petr. 2:11
die in alle delen van uw lichaam strijd voeren?

2U verlangt naar iets en krijgt het niet. U benijdt anderen en beijvert u om dingen te bemachtigen en kunt ze niet krijgen. U maakt ruzie en voert strijd, maar u krijgt niet, omdat u niet bidt.

3U bidt wel, maar u ontvangt niet,

4:3
Matt. 20:22
Rom. 8:26
omdat u verkeerd bidt, met het doel het in uw hartstochten door te brengen.

4Overspelige mannen en vrouwen, weet u dan niet dat de vriendschap met de wereld vijandschap tegen God is?

4:4
Joh. 15:9
Gal. 1:10
1 Joh. 2:15
Wie dan nu een vriend van de wereld wil zijn, wordt als vijand van God aangemerkt.

5Of denkt u dat de Schrift tevergeefs zegt:

4:5
Num. 11:29
De Geest, Die in ons woont, verlangt Die vurig naar afgunst?

6Hij echter geeft des te meer genade. Daarom zegt de Schrift:

4:6
Spr. 3:34
1 Petr. 5:5
God keert Zich tegen de hoogmoedigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade.

7Onderwerp u dan aan God.

4:7
Efez. 4:27
1 Petr. 5:9
Bied weerstand aan de duivel en hij zal van u wegvluchten.

8Nader tot God, en Hij zal tot u naderen.

4:8
Jes. 1:15
Reinig de handen, zondaars, en zuiver de harten, dubbelhartigen!

9

4:9
Matt. 5:4
Besef uw ellendige staat en treur en huil. Laat uw lachen veranderd worden in treuren en uw blijdschap in droefheid.

10

4:10
Job 22:29
Spr. 29:23
Matt. 23:12
Luk. 14:11
18:14
1 Petr. 5:6
Verneder u voor de Heere, en Hij zal u verhogen.

11Broeders, spreek geen kwaad van elkaar. Wie van zijn broeder kwaadspreekt en over zijn broeder oordeelt, spreekt kwaad over de wet en oordeelt over de wet. Als u over de wet oordeelt, bent u geen dader van de wet, maar een rechter.

12Er is één Wetgever, namelijk Hij Die kan zalig maken én te gronde richten.

4:12
Rom. 14:4
Maar wie bent u, die over de ander oordeelt?

De onzekerheid van het leven

13En nu dan u die zegt:

4:13
Luk. 12:18
Wij zullen vandaag of morgen naar die en die stad reizen, en daar een jaar doorbrengen en handeldrijven en winst maken,

14u, die niet weet wat er morgen gebeuren zal,

4:14
Jes. 40:6
1 Kor. 7:31
Jak. 1:10
1 Petr. 1:24
1 Joh. 2:17
want hoe is uw leven? Het is immers een damp, die voor een korte tijd verschijnt en daarna verdwijnt.

15In plaats daarvan zou u moeten zeggen:

4:15
Hand. 18:21
1 Kor. 4:19
Hebr. 6:3
Als de Heere wil en wij leven, dan zullen wij dit of dat doen.

16Maar nu roemt u in uw hoogmoed. Al zulk soort roem is slecht.

17

4:17
Luk. 12:47
Wie dan weet goed te doen, en het niet doet, voor hem is het zonde.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]