Herziene Statenvertaling (HSV)
8

Gericht over Syrië en Israël

81Verder zei de HEERE tegen mij: Neem u een groot schrijfbord en schrijf daarop, voor iedereen leesbaar:8:1 voor iedereen leesbaar - Letterlijk: met een griffel van een sterveling. Maher Sjalal Chasj Baz.8:1 Maher Sjalal Chasj Baz betekent: Snelroof Vlugge Buit.

2Toen nam ik voor mijzelf betrouwbare getuigen: Uria, de priester, en Zacharia, de zoon van Jeberechja.

3Ik was tot de profetes genaderd, zij werd zwanger en baarde een zoon. Toen zei de HEERE tegen mij: Geef hem de naam Maher Sjalal Chasj Baz.

4Want voordat het jongetje papa of mama zal kunnen roepen, zal men het vermogen van Damascus en de buit van Samaria vóór de koning van Assyrië dragen.

5De HEERE sprak opnieuw tot mij:

6Omdat dit volk versmaadt

de zacht stromende wateren van Siloah,

en er vreugde is bij Rezin en de zoon van Remalia,

7daarom, zie, doet de Heere over hen opkomen

de machtige, geweldige wateren van de rivier de Eufraat,

namelijk de koning van Assyrië met al zijn luister.

Deze zal buiten al zijn stroombeddingen treden,

en over al zijn oevers heenstromen.

8Hij dringt door tot in Juda, overspoelt het, trekt er doorheen,

hij reikt tot aan de hals,

en zijn uitgebreide vleugels

zullen de volle breedte van Uw land innemen, Immanuel!

9Volken, loop te hoop, en word verpletterd!

En neem ter ore, allen die in verre landen zijn,

omgord u en word verpletterd;

omgord u en word verpletterd!

10Beraam een plan – het zal verijdeld worden!

Spreek een woord – het zal niet tot stand komen!

Want God is met ons.

11Immers, zo heeft de HEERE tegen mij gezegd, toen Zijn hand mij te sterk werd en Hij mij onderwees dat ik niet in de weg van dit volk moest gaan:

12U mag geen samenzwering noemen

alles wat dit volk een samenzwering noemt;

en waar zij voor bevreesd zijn, daarvoor mag u niet bevreesd zijn en niet schrikken.

13De HEERE van de legermachten, Hem moet u heilig achten;

Hij is uw vrees en Hij is uw verschrikking.

14Hij zal tot een heiligdom voor u zijn,

8:14
Jes. 28:16
Luk. 2:34
Rom. 9:33
1 Petr. 2:7
tot een steen des aanstoots,

en tot een rots waarover men struikelt

voor de beide huizen van Israël,

tot een strik en een val voor de inwoners van Jeruzalem.

15Velen onder hen zullen struikelen,

vallen

8:15
Matt. 21:44
Luk. 20:18
en gebroken worden,

verstrikt raken en gevangen worden.

16Bind het getuigenis toe!

Verzegel de wet onder Mijn leerlingen!

17Ik zal de HEERE verwachten, Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob; op Hem zal ik hopen.

18

8:18
Hebr. 2:13
Zie, ik en de kinderen die de HEERE mij gegeven heeft, dienen tot tekenen en wonderen in Israël,

afkomstig van de HEERE van de legermachten, Die op de berg Sion woont.

19Wanneer zij dan tegen u zeggen: Raadpleeg de geesten van doden, en waarzeggers met hun gelispel en geprevel – zeg dan: Moet een volk zijn God niet raadplegen?

8:19
Deut. 18:11
Moet men voor de levenden de doden raadplegen?

20Terug naar de wet en het getuigenis! Als zij niet overeenkomstig dit woord spreken, zal er voor hen geen dageraad zijn.

21Men zal er terneergedrukt en hongerig rondtrekken. Wanneer het gebeurt dat men hongerlijdt, zal men uitbarsten in woede, en zijn koning en zijn God vervloeken. Of men de blik nu naar boven richt,

22

8:22
Jes. 5:30
of naar de aarde kijkt, zie, er zal benauwdheid en duisternis zijn, angstaanjagende donkerheid. En men zal voortgedreven worden, het donker in.

De geboorte van de Messias

23Voorzeker, er zal geen donkerheid blijven voor het land waarin benauwdheid is.

Zoals Hij in vroeger tijd

minachting heeft gebracht

over het land van Zebulon

en over het land van Naftali,

zo zal Hij in later tijd eer bewijzen

aan de Weg van de zee,

de overkant van de Jordaan,

het

8:23
Matt. 4:15
Galilea waar de heidenvolken wonen.

9

91Het

9:1
Matt. 4:15,16
Efez. 5:14
volk dat in duisternis wandelt,

zal een groot licht zien.

Zij die wonen in het land van de schaduw van de dood,

over hen zal een licht schijnen.

2U hebt dit volk talrijk gemaakt;

hebt U niet de blijdschap groot gemaakt?

Zij zullen blij zijn voor Uw aangezicht,

zoals men zich verblijdt bij de oogst,

zoals men zich verheugt

wanneer men de buit verdeelt.

3Want het juk van hun last,

de stok op hun schouders,

en de knuppel van hun slavendrijver

hebt U verbroken

9:3
Richt. 7:22
Jes. 10:26
als eens op Midiansdag.

4Ja, elke laars,

stampend met gedreun,

iedere soldatenmantel,

gewenteld in bloed,

zal verbrand worden,

voedsel voor het vuur.

5Want een Kind is ons geboren,

een Zoon is

9:5
Jes. 22:22
Luk. 2:10,11
Joh. 4:10
ons gegeven,

en de heerschappij rust

op Zijn schouder.

En men noemt Zijn Naam

9:5
Richt. 13:18
Wonderlijk,
9:5
Jes. 11:2
Jer. 23:6
Raadsman,

Sterke God,

Eeuwige Vader,

Vredevorst.

6Aan de uitbreiding van deze heerschappij

en aan de vrede zal geen einde komen

op de troon van David

en over zijn koninkrijk,

om het te grondvesten

en het te ondersteunen

door recht en gerechtigheid,

van nu aan tot in eeuwigheid.

De

9:6
2 Kon. 19:31
Jes. 37:32
na-ijver van de HEERE van de legermachten

zal dit doen.

De toorn van God over Manasse en Efraïm

7De Heere heeft een woord gezonden in Jakob,

en het is gevallen in Israël.

8En heel dit volk zal het weten,

Efraïm en de inwoners van Samaria,

die in hoogmoed en in trots9:8 trots - Letterlijk: grootheid van hart. zeggen:

9Bakstenen muren zijn gevallen, maar wij zullen ze weer opbouwen met gehouwen stenen.

Wilde vijgenbomen zijn geveld, wij zullen er ceders voor in de plaats zetten.

10Want de HEERE zal de tegenstanders van Rezin tegen hem opzetten

en Hij zal zijn vijanden ophitsen:

11de Syriërs vanuit het oosten en de Filistijnen vanuit het westen,

zodat zij Israël verslinden met heel hun mond.

9:11
Jes. 5:25
10:4
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;

nog is Zijn hand tegen hen uitgestrekt.

12Want het volk bekeert zich niet tot Hem Die het slaat,

en de HEERE van de legermachten zoeken zij niet.

13Daarom zal de HEERE van Israël kop en staart,

palmtak en riet, op één dag afsnijden.

14De oudste en aanzienlijke: zij zijn de kop,

en de leugen onderwijzende profeet: hij is de staart.

15Want de leiders van dit volk zijn misleiders:

wie door hen worden geleid, worden in verwarring gebracht.

16Daarom zal de Heere Zich niet verblijden over hun jongemannen,

en zal Hij Zich niet ontfermen over hun wezen en hun weduwen,

want zij zijn allen

9:16
Jes. 10:6
huichelaars en kwaaddoeners

en elke mond spreekt dwaasheid.

Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;

nog is Zijn hand tegen hen uitgestrekt.

17Want

9:17
Jes. 5:24
24:6
de goddeloosheid brandt als vuur,

verteert dorens en distels,

steekt het struikgewas in het woud aan,

en ze gaan op in een wolk van rook.

18Door de verbolgenheid van de HEERE van de legermachten zal het land zwartgeblakerd worden

en het volk zal als voedsel worden voor het vuur.

De een zal de ander niet sparen.

19Hapt men naar rechts, toch lijdt men honger;

eet men naar links, toch wordt men niet verzadigd.

Eenieder zal het vlees van zijn eigen arm eten:

20Manasse van Efraïm, Efraïm van Manasse;

en die samen zijn tegen Juda.

Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;

nog is Zijn hand tegen hen uitgestrekt.

10

101Wee hun die verordeningen van onrecht instellen,

en de schrijvers die onheil voorschrijven

2om de armen van hun recht weg te duwen,

en de ellendigen van Mijn volk van het recht te beroven,

zodat weduwen hun buit worden,

en zij wezen uitplunderen.

3Maar wat zult u doen op de dag van de vergelding,

bij de verwoesting die er vanuit de verte aankomt?

Naar wie zult u vluchten om hulp

en waar zult u uw rijkdom laten?

4Er blijft niets over dan zich onder de gevangenen neer te bukken

en onder de gedoden te vallen!

Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;

nog is Zijn hand tegen hen uitgestrekt.

Aankondiging van de ondergang van Assyrië

5

10:5
Jes. 36:1
Jer. 25:9
Ezech. 21:9
Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;

en Mijn gramschap is een stok in hun hand.

6Op een huichelachtig volk zal Ik hem afsturen;

tegen het volk waarop Ik verbolgen ben,10:6 waarop Ik verbolgen ben - Letterlijk: van Mijn verbolgenheid. zal Ik hem bevel geven

om roof te plegen, om buit te roven,

en om het te vertrappen

10:6
Jes. 5:25
als slijk op straat.

7Maar zelf meent hij het zo niet,

en diep in zijn hart denkt hij zo niet.

Want het leeft in zijn hart om weg te vagen

en de volken uit te roeien – niet weinige!

8Want hij zegt:

Zijn mijn vorsten niet allemaal koningen?

9Is het Kalno niet vergaan als Karchemis,

Hamath als Arpad,

Samaria als Damascus?

10Zoals mijn hand wist te vinden

de koninkrijken van de afgoden,

hoewel hun beelden die van Jeruzalem en die van Samaria overtroffen;

11zoals ik gedaan heb

met Samaria en zijn afgoden –

zou ik zo niet doen met Jeruzalem en zijn afgodsbeelden?

12Het zal gebeuren, zodra de Heere heel Zijn werk op de berg Sion en in Jeruzalem voltooid heeft, dat Ik de vrucht van de trots10:12 trots - Letterlijk: de grootheid van hart. van de koning van Assyrië en de glans van zijn hooghartige oogopslag10:12 zijn hooghartige oogopslag - Letterlijk: de hoogte van zijn ogen. zal vergelden.

13Want hij zegt:

Door de kracht van mijn hand heb ik dit gedaan,

en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig.

Ik heb de grenzen tussen de volken weggenomen,

hun voorraden uitgeplunderd,

en als een machtige de hooggezetenen neergehaald.

14Mijn hand vond, als was het een vogelnest,

het vermogen van de volken.

En zoals men verlaten eieren bijeenraapt,

raapte ík de hele wereld bijeen.

Niemand was er die zijn vleugel verroerde,

die zijn snavel opende of die ook maar piepte.

15Zou een bijl zich beroemen tegen wie ermee hakt,

of een zaag zich verheffen tegen wie hem trekt?

Alsof een staf regeert over wie hem hanteert,

alsof een stok opheft wie geen stuk hout is.

16Daarom zal de Heere, de HEERE van de legermachten,

zijn welgedane vorsten doen uitteren.10:16 zijn welgedane vorsten doen uitteren - Letterlijk: een uittering zenden onder zijn welgedanen.

Onder zijn rijkdom

10:16
Jes. 24:6
zal Hij een brand laten woeden,

als een brand van verzengend vuur.

17Want het Licht van Israël zal worden tot een vuur,

zijn Heilige tot een vlam,

en die zal zijn distels en zijn dorens

verbranden en verteren, in één dag.

18Hij zal ook de luister van zijn wouden en zijn vruchtbare velden

vernietigen met alles wat daar leeft.10:18 met alles wat daar leeft - Letterlijk: van de ziel tot het vlees.

En hij zal zijn als een wegkwijnende zieke.

19En het overblijfsel van de bomen in zijn bos zal te tellen zijn,

een jongen zou het aantal kunnen opschrijven.

Een rest wordt behouden

20Op die dag zal het gebeuren dat het overblijfsel van Israël en wie van het huis van Jakob ontkomen zijn, niet langer zullen steunen op hem die hen geslagen heeft, maar zij zullen steunen op de HEERE, de Heilige van Israël, in trouw.

21Dat overblijfsel zal terugkeren, het overblijfsel van Jakob, naar de sterke God.

22Want, Israël,

10:22
Rom. 9:27,28
al is uw volk als het zand van de zee, toch zal maar een overblijfsel daarvan terugkeren; tot verdelging is vast besloten; het stroomt over van gerechtigheid.

23Ja,

10:23
Jes. 28:22
een vernietigend einde – en dat is vast besloten – gaat de Heere, de HEERE van de legermachten, in het midden van heel het land ten uitvoer brengen.

24Daarom, zo zegt de Heere, de HEERE van de legermachten: Wees niet bevreesd, Mijn volk dat in Sion woont, voor Assyrië, wanneer het u met de staf zal slaan of zijn stok tegen u zal opheffen, zoals Hij eens bij Egypte deed.10:24 zoals Hij eens bij Egypte deed - Letterlijk: in de weg van Egypte; zie ook vers 26.

25Want nog een klein moment – en dan is de gramschap voorbij en zal Mijn toorn zich richten op hún vernietiging.

26Dan zal de HEERE van de legermachten over hem de gesel zwaaien, zoals eens Midian is geslagen bij de rots Oreb.

10:26
Ex. 14
Zijn staf zal over de zee zijn en Hij zal hem opheffen, zoals Hij eens bij Egypte deed.

27Op die dag zal het gebeuren

dat zijn last van uw schouder zal afglijden

en zijn juk van uw hals; en dat juk zal te gronde gericht worden

omwille van de Gezalfde.

28Hij komt naar Ajath,

trekt Migron door,

te Michmas legt hij zijn uitrusting af.

29Dan trekken zij de bergpas door:

Geba is ons nachtkwartier!

Rama beeft;

Gibea, de stad van Saul, slaat op de vlucht.

30Gil het uit,10:30 Gil het uit - Letterlijk: Laat uw stem hinniken. dochter van Gallim!

Laïs, sla er acht op!

Arm Anathoth!

31Madmena vlucht,

de inwoners van Gebim brengen zich in veiligheid.

32Vandaag nog staat hij in Nob

en zwaait met zijn vuist10:32 zijn vuist - Letterlijk: zijn hand. tegen de berg van de dochter van Sion,

de heuvel van Jeruzalem.

33Zie, de Heere, de HEERE van de legermachten,

zal met geweld de takken afhouwen;

de statige woudreuzen10:33 statige woudreuzen - Letterlijk: hogen van hoogte. zullen worden omgehakt,

en de hoge bomen neergeworpen.

34Hij zal het struikgewas in het woud wegkappen met het ijzer,

en de Libanon zal vallen door de Machtige.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]