Herziene Statenvertaling (HSV)
49

Het Licht voor de heidenen

491Luister naar Mij, kustlanden,

sla er acht op, volken van ver!

De HEERE heeft Mij geroepen van de moederschoot af,

van de baarmoeder af49:1 van de baarmoeder af - Letterlijk: vanaf de ingewanden van mijn moeder. heeft Hij Mijn Naam genoemd.

2Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard,

in de schaduw van Zijn hand heeft Hij Mij verborgen.

Hij heeft Mij gemaakt tot een puntige pijl,

Hij heeft Mij in Zijn pijlkoker gestoken.

3Hij heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Knecht,

Israël, in Wie Ik Mij zal verheerlijken.

4Ik, Ik zei: Voor niets heb Ik Mij vermoeid,

nutteloos en tevergeefs heb Ik Mijn kracht verbruikt.

Voorwaar, Mijn recht is bij de HEERE,

en Mijn arbeidsloon is bij Mijn God.

5En nu zegt de HEERE,

Die Zich Mij vanaf de moederschoot tot Knecht heeft geformeerd

om Jakob tot Hem terug te brengen

– maar Israël zal zich niet laten verzamelen.

Niettemin zal Ik verheerlijkt worden in de ogen van de HEERE,

en Mijn God zal Mijn kracht zijn.

6Hij zei: Het is te gering dat U voor Mij een Knecht zou zijn

om op te richten de stammen van Jakob

en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen.

Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken,

om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.

7Zo zegt de HEERE,

de Verlosser van Israël, zijn Heilige,

tegen de verachte Ziel, tegen Hem van Wie het volk een afschuw heeft,

tegen de Knecht van heersers:

Koningen zullen het zien en opstaan,

vorsten – zij zullen zich voor U neerbuigen,

omwille van de HEERE, Die getrouw is,

de Heilige van Israël, Die U verkozen heeft.

8Zo zegt de HEERE:

49:8
2 Kor. 6:2
In de tijd van het welbehagen heb Ik U verhoord,

en op de dag van het heil heb Ik U geholpen.

Ik zal U beschermen en U geven tot een Verbond voor het volk,

om de aarde weer op te richten,

om de verwoeste erfelijke bezittingen te ontvangen,

9om te zeggen tegen de gevangenen: Ga uit!,

tegen hen die in duisternis verkeren: Kom tevoorschijn!

Op de wegen zullen zij weiden,

op alle kale hoogten zullen hun weidegronden zijn.

10Zij zullen geen

49:10
Openb. 7:16
honger hebben of dorst lijden,

hitte en zon zullen hen niet steken,

want hun Ontfermer zal hen leiden,

Hij zal hen zachtjes leiden naar waterbronnen.

11Ik zal al Mijn bergen tot een weg maken,

Mijn gebaande wegen zullen verhoogd worden.

12Zie, sommigen zullen van ver komen:

zie, anderen uit het noorden en uit het westen,

en weer anderen uit het land Sinim.

13Juich, hemel, en verheug u, aarde,

bergen, breek uit in gejuich,

want de HEERE heeft Zijn volk getroost,

Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen.

Klacht en vertroosting van Sion

14Sion zegt echter: De HEERE heeft mij verlaten,

de Heere heeft mij vergeten.

15Kan een vrouw haar zuigeling vergeten,

zich niet ontfermen over het kind van haar schoot?

Zelfs al zouden die het vergeten,

Ík zal u niet vergeten.

16Zie, Ik heb u in beide handpalmen gegraveerd,

uw muren zijn steeds vóór Mij.

17Uw kinderen zullen zich haasten,

maar uw vernielers en verwoesters

zullen van u weggaan.

18

49:18
Jes. 60:4
Sla uw ogen op, kijk om u heen en zie:

zij allen verzamelen zich, komen naar u toe.

Zo waar Ik leef, spreekt de HEERE,

voorzeker, u zult zich met hen allen als met een sieraad tooien,

u zult ze ombinden zoals een bruid doet.

19Want uw puinhopen, uw woestenijen

en uw vernielde land –

voorzeker, nu zult u te nauw zijn vanwege zoveel inwoners,

en wie u verslonden, zullen ver van u zijn.

20Ook zullen de kinderen, van wie u beroofd was,

in uw oren zeggen:

Deze plaats is te nauw voor mij.

Maak plaats voor mij, laat mij hier wonen!

21En u zult zeggen in uw hart:

Wie heeft deze kinderen voor mij voortgebracht,

aangezien ik van kinderen beroofd en eenzaam was,

verbannen en verdreven?

Deze kinderen – wie heeft ze grootgebracht?

Zie, ik was alleen overgebleven.

Deze kinderen – waar waren die?

22Zo zegt de Heere HEERE:

Zie, Ik zal Mijn hand opheffen naar de heidenvolken,

naar de volken zal Ik Mijn banier omhoogsteken.

Dan zullen zij uw zonen brengen in de armen,

en uw dochters zullen gedragen worden op de schouder.

23En koningen zullen uw verzorgers zijn

en hun vorstinnen uw voedsters.

Zij zullen zich voor u neerbuigen met het gezicht ter aarde

en zij zullen het stof van uw voeten likken.

U zult weten dat Ik de HEERE ben:

zij zullen niet beschaamd worden die Mij verwachten.

24

49:24
Matt. 12:29
Zou een machtig man zijn buit ontnomen kunnen worden,

of de gevangenen van een rechtvaardige kunnen ontkomen?

25Maar zo zegt de HEERE:

Ja, de gevangenen van een machtig man zullen hem ontnomen worden,

en de buit van een geweldpleger zal ontkomen.

Wie u ter verantwoording roepen, zal Ík ter verantwoording roepen,

uw kinderen zal Ík verlossen.

26Ik zal hen die u onderdrukken, hun eigen vlees te eten geven,

en

49:26
Openb. 16:6
van hun eigen bloed zullen zij dronken worden als van jonge wijn.

En alle vlees zal gewaarworden

dat Ik, de HEERE, uw Heiland ben, uw Verlosser, de Machtige van Jakob.

50

De Knecht van de HEERE gesmaad en geholpen

501Zo zegt de HEERE:

Waar is de echtscheidingsbrief van uw moeder

waarmee Ik haar weggezonden heb?

Of wie van Mijn schuldeisers is het

aan wie Ik u verkocht heb?

Zie, om uw ongerechtigheden bent u verkocht,

om uw overtredingen is uw moeder weggezonden.

2Waarom was er niemand toen Ik kwam?

Waarom gaf niemand antwoord toen Ik riep?

50:2
Num. 11:23
Jes. 59:1
Is Mijn hand ten enenmale te kort om te verlossen?

Of is er in Mij geen kracht om te redden?

Zie, door Mijn bestraffing maak Ik de zee droog.

Ik maak rivieren tot een woestijn.

Hun vissen stinken, omdat er geen water is,

en ze sterven van dorst.

3Ik bekleed de hemel met zwart,

bedek hem met rouwgewaad.50:3 bedek … rouwgewaad - Letterlijk: Ik stel een rouwgewaad hun bedekking.

4De Heere HEERE gaf Mij een tong van een die onderwijs ontving,

zodat Ik weet met de vermoeide een woord op de juiste tijd te spreken.

Hij wekt Mij elke morgen, Hij wekt Mij het oor,

zodat Ik hoor als zij die onderwijs ontvangen.

5De Heere HEERE heeft Mij het oor geopend,

en Zelf ben

50:5
Joh. 14:31
Filipp. 2:8
Hebr. 10:5
Ik niet ongehoorzaam,

Ik wijk niet terug.

6Ik geef Mijn rug aan hen die Mij slaan,

Mijn wangen aan hen die Mij de baard uitplukken.

Mijn gezicht verberg Ik niet

voor smaad en speeksel.

7Want de Heere HEERE helpt Mij.

Daarom word Ik niet te schande.

Daarom heb Ik Mijn gezicht gemaakt als hard gesteente,

want Ik weet dat Ik niet beschaamd zal worden.

8Hij is nabij

50:8
Rom. 8:32,33
Die Mij rechtvaardigt. Wie zal met Mij een rechtszaak voeren?

Laten wij samen opstaan!

Wie heeft een rechtszaak tegen Mij?50:8 Wie heeft een rechtszaak tegen Mij? - Letterlijk: Wie is eigenaar van Mijn oordeel?

Laat hij tot Mij naderen!

9Zie, de Heere HEERE helpt Mij.

Wie is het die Mij schuldig verklaart?

Zie, zij allen zullen als een kleed verslijten,

de mot zal hen opeten.

10Wie is er onder u die de HEERE vreest,

die luistert naar de stem van Zijn Knecht?

Als hij in duisternissen gaat

en geen licht heeft,

laat hij dan vertrouwen op de Naam van de HEERE

en steunen op zijn God.

11Zie, u allen die een vuur aansteekt,

die u met brandpijlen omgordt,

wandel in de vlam van uw vuur

en in de brandpijlen die u hebt aangestoken.

Van Mijn hand overkomt u dit.

In smart zult u neerliggen.

51

De reddende gerechtigheid van God

511Luister naar Mij, u die de gerechtigheid najaagt,

u die de HEERE zoekt.

Aanschouw de rots waarin u uitgehakt bent,

de holte van de put waaruit u gegraven bent.

2Aanschouw Abraham, uw vader,

en Sara, die u gebaard heeft.

Want toen hij nog alleen was, riep Ik hem,

Ik zegende hem en maakte hem talrijk.

3Want de HEERE zal Sion troosten,

Hij zal al haar puinhopen troosten.

Hij zal haar woestijn maken als Eden,

haar wildernis als de hof van de HEERE.

Vreugde en blijdschap zal daarin gevonden worden,

dankzegging en luid psalmgezang.

4Sla acht op Mij, Mijn volk,

Mijn natie, hoor Mij aan,

want een wet zal van Mij uitgaan

en Mijn recht zal Ik tot rust doen komen tot een licht voor de volken.

5Mijn gerechtigheid is nabij,

Mijn heil treedt tevoorschijn

en Mijn armen zullen de volken oordelen,

de kustlanden zullen op Mij wachten

en op Mijn arm zullen ze hopen.

6Sla uw ogen op naar de hemel

en aanschouw de aarde beneden,

want de hemel zal verdwijnen als rook,

de aarde zal verslijten als een kleed,

evenzo51:6 evenzo - Of: als muggen. zullen haar bewoners sterven.

Maar Mijn heil zal voor eeuwig bestaan,

Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.

7Luister naar Mij, u die de gerechtigheid kent,

volk dat Mijn wet

51:7
Ps. 37:31
in zijn hart heeft,

51:7
Vers
wees niet bevreesd voor de smaad van stervelingen,

wees niet ontsteld door hun beschimpingen.

8Want

51:8
Jes. 50:9
de mot zal hen opeten als een kleed,

de mottenlarve zal hen opeten als wol.

Maar Mijn gerechtigheid zal voor eeuwig bestaan,

en Mijn heil van generatie op generatie.

9Ontwaak, ontwaak, bekleed u met kracht,

arm van de HEERE!

Ontwaak als in de dagen van weleer,

als bij de generaties van vroeger eeuwen!

Bent u het niet die Rahab hebt neergehouwen,

het zeemonster doorboord?

10Bent u het niet die de zee heeft drooggelegd,

de wateren van de grote watervloed,

51:10
Jes. 43:16
die de diepten van de zee gemaakt heeft tot een weg,

zodat de verlosten erdoor konden gaan?

11Zo zullen wie door de HEERE zijn vrijgekocht, terugkeren

en met gejuich in Sion komen.

Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn,

vreugde en blijdschap zullen zij verkrijgen,

verdriet en gezucht zullen wegvluchten.

12Ik, Ik ben het Die u troost.

Wie bent u dat u bevreesd bent voor

51:12
Vers
een sterveling, die sterven moet,

voor een mensenkind, gras, dat vergaat,

13en dat u de HEERE vergeet, Die u gemaakt heeft,

51:13
Job 9:8
Ps. 104:2
Jes. 40:22
42:5
44:24
Die de hemel uitgespannen heeft

en de aarde gegrondvest,

en dat u voortdurend, de hele dag, angstig bent

vanwege de woede van de onderdrukker,

wanneer hij zich gereedmaakt om u te gronde te richten?

Waar is dan de woede van de onderdrukker?

14De geknevelde zal snel worden losgelaten,

hij zal niet sterven in de put van ellende,

zijn brood zal hem niet ontbreken.

15Want Ik ben de HEERE, uw God,

Die de zee opzweept, zodat zijn golven bruisen,

HEERE van de legermachten is Zijn Naam.

16Ik leg Mijn woorden in uw mond,

en bedek u onder de schaduw van Mijn hand,

om de hemel te planten en de aarde te grondvesten,

om te zeggen tegen Sion: U bent Mijn volk.

17

51:17
Jes. 52:1
Ontwaak, ontwaak,

sta op, Jeruzalem!

U die uit de hand van de HEERE gedronken hebt

de beker van Zijn grimmigheid;

de droesem uit de beker van bedwelming hebt u gedronken, opgedronken.

18Er is niemand die haar zachtjes leidt

van al de kinderen die zij heeft gebaard;

er is niemand die haar hand grijpt

onder al de kinderen die zij heeft grootgebracht.

19

51:19
Jes. 47:9
Deze twee dingen zijn u overkomen.

Wie betuigt u zijn medeleven?

Er is verwoesting en ondergang,51:19 ondergang - Letterlijk: breuk. honger en zwaard.

Door wie zal Ik u troosten?

20

51:20
Klaagl. 2:11,12
Uw kinderen zijn uitgeput,

zij liggen op de hoeken van alle straten, als een antilope in een net;

zij zijn vol van de grimmigheid van de HEERE,

van de bestraffing door uw God.

21Daarom, luister toch hiernaar,

u die ellendig bent, dronken, maar niet van wijn.

22Zo zegt uw Heere, de HEERE en uw God,

Die voor Zijn volk een rechtszaak zal voeren:

Zie, Ik neem de beker van bedwelming uit uw hand,

de droesem van de beker van Mijn grimmigheid –

u zult die voortaan niet meer drinken.

23Maar Ik zal hem geven in de hand van hen die u bedroeven,

die tegen uw ziel zeiden:

Werp je neer, dan lopen wij over je heen.

En u legde uw rug neer als was u aarde,

als was u de straat voor wie daaroverheen gaan.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]