Herziene Statenvertaling (HSV)
47

De ondergang van Babel

471Daal af en

47:1
Jes. 26:5
zit neer in het stof,

maagd, dochter van Babel;

zit neer op de grond, er is geen troon meer,

dochter van de Chaldeeën.

Want men zal u niet meer noemen:

weekhartig en teergevoelig.

2Neem de handmolen en maal meel,

neem uw sluier af,

schort de rokken op,47:2 schort de rokken op - Letterlijk: ontbloot de enkels. maak de benen bloot,

ga door de rivieren.

3

47:3
Jes. 3:17
Nahum 3:5
Uw schaamte zal ontbloot worden,

ja, uw schande zal gezien worden.

Ik zal wraak nemen,

en Ik zal u niet als een mens aanvallen.

4Onze Verlosser,

HEERE van de legermachten is Zijn Naam,

de Heilige van Israël.

5Zit neer in stilzwijgen, ga het duister in,

dochter van de Chaldeeën;

want men zal u niet meer noemen:

gebiedster van de koninkrijken.

6Ik was zeer toornig op Mijn volk,

Ik ontheiligde Mijn eigendom

en Ik gaf hen over in uw hand,

maar u bewees hun geen barmhartigheid,

ja, zelfs voor de oude maakte u

uw juk zeer zwaar.

7U zei: Ik zal voor eeuwig

47:7
Openb. 18:7
gebiedster zijn.

Tot nog toe hebt u deze dingen niet ter harte genomen,

u hebt niet aan het einde ervan gedacht.

8Nu dan, hoor dit, genotzuchtige,

die zo onbezorgd woont,

die in haar hart zegt:

Ik ben het, en niemand anders dan ik,

ik zal niet als weduwe neerzitten

of verlies van kinderen kennen.

9Maar

47:9
Jes. 51:19
deze beide dingen zullen u overkomen

in een ogenblik, op één dag:

verlies van kinderen en weduwschap.

Ze zullen in volle omvang over u komen,

vanwege uw vele toverijen

en uw zeer talrijke bezweringen.

10Want u hebt op uw slechtheid vertrouwd.

U hebt gezegd: Niemand ziet mij.

Uw wijsheid, uw wetenschap,

die heeft u afvallig gemaakt.

U zei in uw hart:

Ik ben het, en niemand anders dan ik.

11Daarom zal er onheil over u komen.

Wanneer het aan de dag treedt,47:11 Wanneer … treedt - Letterlijk: Zijn dageraad. zult u niet weten;

rampspoed zal u treffen,

u zult die niet kunnen afkopen;

er zal plotseling verwoesting over u komen,

zonder dat u een vermoeden hebt.

12Blijf maar bij uw bezweringen

en uw vele toverijen,

waarmee u zich vermoeid hebt vanaf uw jeugd.

Misschien kunt u er baat bij hebben,

misschien zult u zich sterk maken.47:12 zich sterk maken - Of: schrik aanjagen.

13U bent moe geworden van uw vele plannen.

Laten zij toch opstaan

die de hemel waarnemen,

die naar de sterren kijken,

die bij nieuwe maan voorspellingen doen;

laten zij u verlossen van de dingen die over u zullen komen!

14Zie, zij zijn als stoppels,

vuur verbrandt hen,

zij kunnen zichzelf niet redden

uit de greep van de vlammen.

Het is geen kolengloed om er zich bij te warmen,

geen vuur om erbij te zitten.

15Zó zijn zij voor u met wie u zich hebt vermoeid,

zij met wie u vanaf uw jeugd zaken gedaan hebt;

ieder dwaalt zijn eigen kant uit,

niemand zal u verlossen.

48

Israël gelouterd

481Hoor dit, huis van Jakob,

u die genoemd wordt met de naam Israël,

en die uit de wateren van Juda bent voortgekomen,

die zweert bij de Naam van de HEERE

en de Naam van de God van Israël noemt,

maar niet in waarheid en niet in gerechtigheid.

2Ja, ‘van de heilige stad’ noemen zij zich

en zij steunen op de God van Israël,

HEERE van de legermachten is Zijn Naam.

3De dingen van vroeger heb Ik van oudsher verkondigd,

uit Mijn mond zijn ze voortgekomen en Ik heb ze doen horen.

Plotseling heb Ik ze gedaan en ze zijn gekomen.

4Omdat Ik wist dat u hard bent,

uw nek een ijzeren pees is,

en uw voorhoofd van brons,

5daarom heb Ik het u van oudsher verkondigd;

voordat het kwam, heb Ik het u doen horen,

anders zou u zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan,

mijn gesneden beeld of mijn gegoten beeld heeft ze geboden.

6U hebt het gehoord, aanschouw dit alles,

en u, zou u het dan niet verkondigen?

Van nu af aan doe Ik u nieuwe dingen horen,

verborgen dingen, die u niet geweten hebt.

7Nu zijn ze geschapen en niet van oudsher;

vóór deze dag hebt u er ook niet van gehoord,

anders zou u zeggen: Zie, ik heb ze geweten.

8Nee, u hebt ze niet gehoord, ook hebt u ze niet geweten,

ook is uw oor van oudsher niet geopend geweest,

want Ik wist dat u volkomen trouweloos handelen zou

en dat u van de moederschoot af een overtreder wordt genoemd.

9Omwille van Mijn Naam stel Ik Mijn toorn uit,

48:9
Jes. 43:21,25
omwille van Mijn roem zal Ik Mij bedwingen, u ten goede,

zodat Ik u niet zal uitroeien.

10Zie, Ik heb u gelouterd, maar niet als zilver;

Ik heb u beproefd in de smeltkroes van ellende.

11Omwille van Mij, omwille van Mij doe Ik het,

want hoe zou Mijn Naam ontheiligd worden!

48:11
Jes. 42:8
Ik zal Mijn eer aan geen ander geven.

De HEERE, de Verlosser van Israël

12Luister naar Mij, Jakob,

Israël, Mijn geroepene:

Ik ben Dezelfde,

48:12
Jes. 41:4
44:6
Openb. 1:17
22:13
Ik ben de Eerste,

ook ben Ik de Laatste.

13Ook heeft Mijn hand de aarde gegrondvest,

en Mijn rechterhand heeft de hemel uitgespannen.

Roep Ik ze,

dan staan ze er tezamen.

14Kom bijeen, u allen, en luister.

Wie onder hen

48:14
Jes. 41:22,23
heeft deze dingen verkondigd?

De HEERE heeft Kores lief, hij doet Zijn welbehagen

tegen Babel, en Zijn arm zal tegen de Chaldeeën zijn.

15Ik, Ik heb gesproken, ook heb Ik hem geroepen.

Ik zal hem doen komen, en zijn weg zal voorspoedig zijn.

16Kom nader tot mij, hoor dit:

Ik heb vanaf het begin niet in het verborgene gesproken;

vanaf de tijd dat het geschied is, ben ik daar.

En nu, de Heere HEERE

heeft mij gezonden, en Zijn Geest.

17Zo zegt de HEERE, uw Verlosser,

de Heilige van Israël:

Ik ben de HEERE, uw God,

Die u leert wat nuttig is,

Die u leidt op de weg die u gaan moet.

18

48:18
Deut. 32:29
Ps. 81:14
Och, had u maar acht geslagen op Mijn geboden!

Dan zou uw vrede geweest zijn als een rivier

en uw gerechtigheid als de golven van de zee.

19Dan zou uw nageslacht geweest zijn als het zand

en uw nakomelingen48:19 uw nakomelingen - Letterlijk: zij die van uw ingewanden uitspruiten. als de korrels ervan.

Hun naam zou niet worden uitgeroeid of verdelgd

van voor Mijn aangezicht.

20

48:20
Jes. 52:11
Jer. 50:8
51:6,45
Openb. 18:4
Ga weg uit Babel,

vlucht weg van de Chaldeeën,

verkondig met luide vreugdezang,

laat dit horen,

draag het uit

tot aan het einde der aarde,

zeg: De HEERE heeft

Zijn knecht Jakob verlost.

21En: Zij leden geen dorst,

toen Hij hen leidde door de woeste plaatsen.

Water uit een rots

deed Hij voor hen stromen.

Toen Hij de rots kloofde,

stroomde het water eruit.

22Voor

48:22
Jes. 57:21
de goddelozen is er echter geen vrede, zegt de HEERE.

49

Het Licht voor de heidenen

491Luister naar Mij, kustlanden,

sla er acht op, volken van ver!

De HEERE heeft Mij geroepen van de moederschoot af,

van de baarmoeder af49:1 van de baarmoeder af - Letterlijk: vanaf de ingewanden van mijn moeder. heeft Hij Mijn Naam genoemd.

2Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard,

in de schaduw van Zijn hand heeft Hij Mij verborgen.

Hij heeft Mij gemaakt tot een puntige pijl,

Hij heeft Mij in Zijn pijlkoker gestoken.

3Hij heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Knecht,

Israël, in Wie Ik Mij zal verheerlijken.

4Ik, Ik zei: Voor niets heb Ik Mij vermoeid,

nutteloos en tevergeefs heb Ik Mijn kracht verbruikt.

Voorwaar, Mijn recht is bij de HEERE,

en Mijn arbeidsloon is bij Mijn God.

5En nu zegt de HEERE,

Die Zich Mij vanaf de moederschoot tot Knecht heeft geformeerd

om Jakob tot Hem terug te brengen

– maar Israël zal zich niet laten verzamelen.

Niettemin zal Ik verheerlijkt worden in de ogen van de HEERE,

en Mijn God zal Mijn kracht zijn.

6Hij zei: Het is te gering dat U voor Mij een Knecht zou zijn

om op te richten de stammen van Jakob

en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen.

Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken,

om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.

7Zo zegt de HEERE,

de Verlosser van Israël, zijn Heilige,

tegen de verachte Ziel, tegen Hem van Wie het volk een afschuw heeft,

tegen de Knecht van heersers:

Koningen zullen het zien en opstaan,

vorsten – zij zullen zich voor U neerbuigen,

omwille van de HEERE, Die getrouw is,

de Heilige van Israël, Die U verkozen heeft.

8Zo zegt de HEERE:

49:8
2 Kor. 6:2
In de tijd van het welbehagen heb Ik U verhoord,

en op de dag van het heil heb Ik U geholpen.

Ik zal U beschermen en U geven tot een Verbond voor het volk,

om de aarde weer op te richten,

om de verwoeste erfelijke bezittingen te ontvangen,

9om te zeggen tegen de gevangenen: Ga uit!,

tegen hen die in duisternis verkeren: Kom tevoorschijn!

Op de wegen zullen zij weiden,

op alle kale hoogten zullen hun weidegronden zijn.

10Zij zullen geen

49:10
Openb. 7:16
honger hebben of dorst lijden,

hitte en zon zullen hen niet steken,

want hun Ontfermer zal hen leiden,

Hij zal hen zachtjes leiden naar waterbronnen.

11Ik zal al Mijn bergen tot een weg maken,

Mijn gebaande wegen zullen verhoogd worden.

12Zie, sommigen zullen van ver komen:

zie, anderen uit het noorden en uit het westen,

en weer anderen uit het land Sinim.

13Juich, hemel, en verheug u, aarde,

bergen, breek uit in gejuich,

want de HEERE heeft Zijn volk getroost,

Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen.

Klacht en vertroosting van Sion

14Sion zegt echter: De HEERE heeft mij verlaten,

de Heere heeft mij vergeten.

15Kan een vrouw haar zuigeling vergeten,

zich niet ontfermen over het kind van haar schoot?

Zelfs al zouden die het vergeten,

Ík zal u niet vergeten.

16Zie, Ik heb u in beide handpalmen gegraveerd,

uw muren zijn steeds vóór Mij.

17Uw kinderen zullen zich haasten,

maar uw vernielers en verwoesters

zullen van u weggaan.

18

49:18
Jes. 60:4
Sla uw ogen op, kijk om u heen en zie:

zij allen verzamelen zich, komen naar u toe.

Zo waar Ik leef, spreekt de HEERE,

voorzeker, u zult zich met hen allen als met een sieraad tooien,

u zult ze ombinden zoals een bruid doet.

19Want uw puinhopen, uw woestenijen

en uw vernielde land –

voorzeker, nu zult u te nauw zijn vanwege zoveel inwoners,

en wie u verslonden, zullen ver van u zijn.

20Ook zullen de kinderen, van wie u beroofd was,

in uw oren zeggen:

Deze plaats is te nauw voor mij.

Maak plaats voor mij, laat mij hier wonen!

21En u zult zeggen in uw hart:

Wie heeft deze kinderen voor mij voortgebracht,

aangezien ik van kinderen beroofd en eenzaam was,

verbannen en verdreven?

Deze kinderen – wie heeft ze grootgebracht?

Zie, ik was alleen overgebleven.

Deze kinderen – waar waren die?

22Zo zegt de Heere HEERE:

Zie, Ik zal Mijn hand opheffen naar de heidenvolken,

naar de volken zal Ik Mijn banier omhoogsteken.

Dan zullen zij uw zonen brengen in de armen,

en uw dochters zullen gedragen worden op de schouder.

23En koningen zullen uw verzorgers zijn

en hun vorstinnen uw voedsters.

Zij zullen zich voor u neerbuigen met het gezicht ter aarde

en zij zullen het stof van uw voeten likken.

U zult weten dat Ik de HEERE ben:

zij zullen niet beschaamd worden die Mij verwachten.

24

49:24
Matt. 12:29
Zou een machtig man zijn buit ontnomen kunnen worden,

of de gevangenen van een rechtvaardige kunnen ontkomen?

25Maar zo zegt de HEERE:

Ja, de gevangenen van een machtig man zullen hem ontnomen worden,

en de buit van een geweldpleger zal ontkomen.

Wie u ter verantwoording roepen, zal Ík ter verantwoording roepen,

uw kinderen zal Ík verlossen.

26Ik zal hen die u onderdrukken, hun eigen vlees te eten geven,

en

49:26
Openb. 16:6
van hun eigen bloed zullen zij dronken worden als van jonge wijn.

En alle vlees zal gewaarworden

dat Ik, de HEERE, uw Heiland ben, uw Verlosser, de Machtige van Jakob.