Herziene Statenvertaling (HSV)
41

De almachtige Verlosser

411Zwijg voor Mij, kustlanden,

laten de volken de kracht vernieuwen.

Laten zij naar voren komen, laten zij dan spreken,

laten wij samen naar voren komen voor het oordeel.

2Wie heeft vanwaar de zon opkomt de rechtvaardige doen opstaan,

hem geroepen om te gaan?41:2 om te gaan - Letterlijk: voor zijn voet.

Wie heeft heidenvolken aan hem overgeleverd

en doet hem koningen vertreden?

Wie heeft hen als stof overgeleverd aan zijn zwaard,

als wegwaaiende stoppels aan zijn boog?

3Hij achtervolgde hen, trok verder in vrede,

over een pad dat hij met zijn voeten niet eerder betrad.

4Wie heeft dit bewerkt en gedaan?

Hij Die de generaties riep vanaf het begin!

Ik, de HEERE,

41:4
Jes. 43:10
44:6
48:12
Openb. 1:17
22:13
Die de Eerste ben,

en bij de laatsten ben Ik Dezelfde.

5De kustlanden zagen het en werden bevreesd,

de einden der aarde beefden;

ze kwamen naderbij en traden toe.

6De een hielp de ander,

tegen zijn broeder zei hij: Wees sterk!

7De vakman bemoedigde de edelsmid,

hij die met de hamer gladmaakt, hem die op het aambeeld slaat,

door van het soldeersel te zeggen: Het is goed.

Daarna zette hij het vast met spijkers, zodat het niet zou wankelen.

8Maar u, Israël, Mijn dienaar,

u, Jakob,

41:8
Deut. 7:6
10:15
14:2
Ps. 135:4
Jes. 43:1
44:1
die Ik heb verkozen,

het nageslacht van Abraham, die Mij

41:8
2 Kron. 20:7
Jak. 2:23
liefhad,

9u, die Ik gegrepen heb van de einden der aarde,

geroepen uit haar uithoeken,

en tegen wie Ik zei: U bent Mijn dienaar,

Ik heb u verkozen, Ik heb u niet verworpen.

10Wees niet bevreesd, want Ik ben met u,

wees niet verschrikt, want Ik ben uw God.

Ik sterk u, ook help Ik u,

ook ondersteun Ik u met Mijn rechterhand, die gerechtigheid werkt.41:10 die gerechtigheid werkt - Letterlijk: van Mijn gerechtigheid.

11Zie,

41:11
Ex. 23:22
Jes. 60:12
Zach. 12:3
zij zullen beschaamd en te schande worden,

allen die in woede tegen u ontstoken zijn.

Zij zullen worden als niets, zij zullen omkomen,

de mannen die u aanklagen.

12U zult hen zoeken, maar u zult hen niet kunnen vinden,

de mannen die zich tegen u keren.

Zij zullen worden als niets, als volstrekt niets,

de mannen die strijd tegen u voeren.

13Want Ik ben de HEERE, uw God,

Die uw rechterhand vastgrijpt

en tegen u zegt: Wees niet bevreesd,

Ik help u.

14Wees niet bevreesd, wormpje Jakob,

volkje Israël,

Ík help u, spreekt de HEERE,

uw Verlosser is de Heilige van Israël.

15Zie, Ik maak u tot een scherpe dorsslede,

een nieuwe, met puntige pinnen.41:15 met puntige pinnen - Letterlijk: bezitter van puntige pinnen.

U zult bergen dorsen en verpulveren,

en heuvels maken

41:15
Jes. 17:13
29:5
als kaf.

16U zult ze wannen, de wind zal ze opnemen,

en de storm zal ze verspreiden.

Maar ú zult zich verheugen in de HEERE,

in de Heilige van Israël zult u zich beroemen.

17De ellendigen en de armen zoeken water, maar het is er niet,

hun tong

41:17
Matt. 5:6
versmacht van dorst.

Ík, de HEERE, zal hen verhoren,

Ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten.

18Ik

41:18
Jes. 35:7
44:3
zal op kale hoogten rivieren doen ontspringen,

midden in valleien bronnen.

41:18
Ps. 107:35
Ik zal de woestijn maken tot een waterpoel,

het dorre land tot waterbronnen.

19Ik zal in de woestijn de ceder zetten,

de acacia, de mirt en de oliehoudende boom.

Ik zal in de wildernis de cipres plaatsen,

samen met plataan en dennenboom,

20opdat men ziet en erkent,

bedenkt en tevens inziet

dat de hand van de HEERE dit gedaan heeft,

en de Heilige van Israël het geschapen heeft.

21Kom naderbij met uw aanklacht,

zegt de HEERE,

kom maar naar voren met uw bewijzen,

zegt de Koning van Jakob.

22Laten zij naar voren brengen en ons bekendmaken

de dingen die zullen gebeuren.

De dingen van vroeger – wat waren ze? Maak het bekend,

en wij zullen het ter harte nemen

en het einde ervan weten,

of doe ons de komende dingen horen.

23Maak de dingen bekend die hierna zullen komen,

en wij zullen weten dat u goden bent.

Doe tenminste iets, goed of kwaad,

en wij zullen verschrikt zijn en het tezamen inzien.

24Zie, u bent minder dan niets,

en uw werk is minder dan een nietig ding;

een gruwel is hij die voor u kiest.

25Ik doe Iemand opstaan uit het noorden en Hij zal komen:

vanwaar de zon opkomt zal Hij Mijn Naam aanroepen;

Hij zal komen, de machthebbers als leem vertreden

en zoals een pottenbakker klei treedt.

26Wie heeft het van het begin af verkondigd, zodat wij het kunnen weten,

of van tevoren, dat wij kunnen zeggen: Het is terecht?

Maar er is niemand die het verkondigt, ook niemand die iets horen doet,

ook niemand die uw woorden hoort.

27Ik, de Eerste, zeg tegen Sion: Zie, zie ze daar!

en tegen Jeruzalem: Ik zal een Vreugdebode geven.

28Want Ik zag toe, maar er was niemand,

zelfs niet onder dezen, er was geen raadsman,

dat Ik hun iets zou vragen en zij Mij antwoord zouden geven.

29Zie, zij allen zijn nietigheid,

hun werken zijn niets,

hun gegoten beelden zijn wind en leegte.

42

De Knecht van de HEERE

421Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun,

Mijn Uitverkorene, in Wie Mijn ziel

42:1
Matt. 3:17
17:5
Efez. 1:6
een welbehagen heeft;

42:1
Jes. 11:2
Joh. 3:34
Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd.

Hij zal tot de heidenvolken het recht doen uitgaan.

2Hij zal niet schreeuwen, Hij zal Zijn stem niet verheffen,

Hij zal Zijn stem op straat niet laten horen.

3Het geknakte riet zal Hij niet verbreken,

de uitdovende vlaspit zal Hij niet uitblussen;

naar waarheid zal Hij het recht doen uitgaan.

4Hij zal niet uitdoven,

Hij zal niet geknakt worden,

totdat Hij het recht op aarde zal hebben gevestigd.

De kustlanden zullen uitzien naar Zijn onderricht.

5Zo zegt God, de HEERE,

Die de hemel heeft geschapen en hem heeft uitgespannen,

Die de aarde heeft uitgespreid en wat daarop uitspruit,

Die de adem geeft aan het volk dat daarop is,

en de geest aan hen die daarop wandelen:

6Ík, de HEERE, heb U geroepen in gerechtigheid,

Ik zal U bij Uw hand grijpen,

Ik zal U beschermen en Ik zal U stellen

tot een verbond voor het volk, tot een licht voor de heidenvolken,

7om blinde ogen te openen,

om gevangenen uit de kerker te leiden,

uit de gevangenis wie in duisternis zitten.

8Ik ben de HEERE – dat is Mijn Naam;

42:8
Jes. 48:11
Mijn eer zal Ik aan geen ander geven,

evenmin Mijn lof aan de afgodsbeelden.

9De voorgaande dingen – zie, ze zijn gekomen!

Nieuwe dingen verkondig Ik;

voordat ze ontkiemen,

doe Ik ze u horen.

10

42:10
Ps. 33:3
Zing voor de HEERE een nieuw lied,

Zijn lof vanaf het einde der aarde,

u die de zee en al wat daarin is, bevaart,

u, eilanden en wie daarop wonen.

11Laten de woestijn en zijn steden hun stem verheffen,

de dorpen waar Kedar woont.

Laten zij die in de rotsen wonen, juichen,

het vanaf de bergtoppen uitjubelen.

12Laten zij de HEERE eer geven,

en Zijn lof op de eilanden verkondigen.

13De HEERE zal uittrekken als een held.

Hij zal de strijdlust opwekken als een strijdbare man,

Hij zal juichen, ja, Hij zal het uitschreeuwen,

Hij zal Zijn vijanden overweldigen.

14Ik heb van oude tijden af gezwegen,

Ik heb Mij stilgehouden, Mij bedwongen.

Als een barende vrouw zal Ik het uitschreeuwen.

Ik zal verwoesten, ja, Ik zal tegelijk verslinden.

15Ik zal bergen en heuvels woest maken

en al hun gras zal Ik doen verdorren.

Ik zal van rivieren eilanden maken

en waterpoelen doen opdrogen.

16En Ik zal blinden leiden langs een weg die zij niet gekend hebben,

Ik zal hen doen gaan op paden die zij niet gekend hebben.

Ik zal vóór hen de duisternis veranderen in licht

en

42:16
Jes. 40:3,4
wat krom is in wat recht is.

Deze dingen zal Ik voor hen doen,

Ik zal hen niet verlaten.

17Maar wie op gesneden beelden vertrouwen,

wie tegen gegoten beelden zeggen:

U bent onze goden,

42:17
Ps. 97:7
Jes. 1:29
44:11
45:16
die zullen terugwijken en diep beschaamd worden.42:17 diep beschaamd worden - Letterlijk: met schaamte beschaamd worden.

18Doven, hoor!

Blinden, kijk en zie!

19Wie is er zo blind als Mijn dienaar,

doof zoals Mijn bode die Ik zend?

Wie is blind zoals de volmaakte,

blind zoals de knecht van de HEERE?

20U ziet wel veel dingen, maar

42:20
Rom. 2:2
u let er niet op.

Hij doet zijn oren wel open, toch luistert hij niet.

21De HEERE was hem genegen omwille van Zijn gerechtigheid,

Hij maakte hem groot door de wet, en luisterrijk.

22Dit is echter een beroofd en uitgeplunderd volk;

vastgebonden in holen zitten zij allen,

opgesloten in gevangenissen.

Zij zijn een prooi geworden, en niemand redt;

een buit geworden, en niemand zegt: Geef terug!

23Wie onder u neemt dit ter ore?

Wie slaat er acht op en hoort wat hierna zal zijn?

24Wie heeft Jakob tot buit gegeven

en Israël overgeleverd aan rovers?

Is het niet de HEERE, Hij tegen Wie wij gezondigd hebben?

Want zij wilden in Zijn wegen niet gaan

en zij luisterden niet naar Zijn wet.

25Daarom heeft Hij over hem uitgestort Zijn grimmige toorn

en het geweld van de oorlog.

Dit heeft hem rondom in vlam gezet, maar hij merkt het niet op;

het heeft hem in brand gestoken, maar hij neemt het niet ter harte.

43

Israël kostbaar in het oog van God

431Maar nu, zo zegt de HEERE,

uw Schepper, Jakob, uw Formeerder, Israël:

Wees niet bevreesd, want Ik heb u verlost,

Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.

2Wanneer u zult gaan

43:2
Ps. 66:12
door het water, Ik zal bij u zijn,

door rivieren, zij zullen u niet overspoelen.

Wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden,

geen vlam zal u aansteken.

3Want Ik ben de HEERE, uw God,

de Heilige van Israël, uw Heiland.

Ik heb Egypte als losgeld voor u gegeven,

Cusj en Seba in uw plaats.

4Sinds u kostbaar bent in Mijn ogen,

bent u verheerlijkt en heb Ík u liefgehad.

Daarom heb Ik mensen gegeven in uw plaats

en volken in plaats van uw ziel.

5

43:5
Jes. 44:2
Jer. 30:10
46:27
Wees niet bevreesd, want Ik ben met u.

Vanwaar de zon opkomt, zal Ik uw nageslacht halen

en vanwaar zij ondergaat zal Ik u bijeenbrengen.

6Ik zal zeggen tegen het noorden: Geef!

En tegen het zuiden: Weerhoud niet!

Breng Mijn zonen van ver,

en Mijn dochters van het einde der aarde.

7Ieder die genoemd is naar Mijn Naam,

die heb Ik tot Mijn eer geschapen, die heb Ik geformeerd, ja, die heb Ik gemaakt.

Israël is getuige van God

8Laat het volk dat blind is, al heeft het ogen,

en de doven, al hebben zij oren, uittrekken.

9Laten alle heidenvolken samenkomen

en de volken zich verzamelen.

Wie onder hen kan dit verkondigen?

Of laten zij ons de dingen van vroeger doen horen.

Laten zij hun getuigen naar voren brengen, opdat zij in het gelijk gesteld worden,

en men zal horen en zeggen: Het is de waarheid!

10U bent Mijn getuigen, spreekt de HEERE,

en Mijn dienaar die Ik verkozen heb,

opdat u het weet en Mij gelooft,

en begrijpt dat Ik Dezelfde ben:

43:10
Jes. 41:4
44:8
45:21
Hos. 13:4
vóór Mij is er geen God geformeerd

en na Mij zal er geen zijn.

11Ik, Ik ben de HEERE,

buiten Mij is er geen Heiland.

12Ík heb verkondigd en Ik heb verlost, en Ik heb het doen horen,

en er was geen vreemde god onder u.

U bent Mijn getuigen, spreekt de HEERE,

dat Ik God ben.

13Ook voor de dag43:13 Ook voor de dag - Letterlijk: Ook vanaf de dag. er was, ben Ik,

en er is niemand die uit Mijn hand kan redden.

Ik zal werken, en

43:13
Jes. 14:27
wie zal het keren?

14Zo zegt de HEERE,

uw Verlosser, de Heilige van Israël:

Ter wille van u heb Ik iemand naar Babel gezonden

en Ik heb hen allen vluchtend doen afdalen,

namelijk de Chaldeeën, in de schepen waarover zij voorheen juichten.

15Ik ben de HEERE, uw Heilige,

de Schepper van Israël, uw Koning.

16Zo zegt de HEERE,

Die een weg maakte in de zee

en een pad in machtige wateren,

17Die strijdwagens en paarden deed uitrukken,

leger en macht,

zij liggen tezamen neer, zij zullen niet meer opstaan,

uitgedoofd zijn zij, uitgeblust als een vlaspit.

18Denk niet aan de dingen van vroeger,

let niet op de dingen van het verleden.

19Zie, Ik maak

43:19
Openb. 21:5
iets nieuws.

Nu zal het ontkiemen. Zult u dat niet weten?

Ja, Ik zal een weg aanleggen in de woestijn,

rivieren in de wildernis.

20De dieren van het veld zullen Mij eren –

jakhalzen en struisvogels –

want Ik zal water geven in de woestijn,

in de wildernis rivieren,

om Mijn volk, Mijn uitverkorene, te drinken te geven.

21

43:21
Luk. 1:74,75
Dit volk heb Ik Mij geformeerd.

Zij zullen Mijn lof vertellen.

22U hebt Mij echter niet aangeroepen, Jakob,

maar u hebt zich tegen Mij vermoeid, Israël.

23U hebt Mij niet uw brandoffers gebracht van kleinvee

en met uw slachtoffers hebt u Mij niet geëerd.

Ik heb u Mij niet laten dienen met het graanoffer,

en Ik heb u niet vermoeid met wierook.

24U hebt voor Mij met geld geen kalmoes gekocht,

en met het vet van uw slachtoffers hebt u Mij niet verzadigd.

Integendeel, u bent Mij tot last geweest met uw zonden,

u hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden.

25Ik, Ik ben het Die uw overtredingen uitdelgt

43:25
Ezech. 36:22
omwille van Mijzelf,

en aan uw zonden denk Ik niet.

26Breng het Mij in herinnering,

43:26
Jes. 1:18
laten wij samen een rechtszaak voeren;

vertelt u maar, opdat u in het gelijk gesteld wordt.

27Uw eerste vader heeft gezondigd,

en uw uitleggers van de wet zijn tegen Mij in opstand gekomen.

28Daarom zal Ik de leiders van het heiligdom ontheiligen,

Jakob prijsgeven aan de ban

en Israël aan beschimpingen.