Herziene Statenvertaling (HSV)
38

Ziekte en genezing van Hizkia

381In die dagen werd Hizkia ziek, tot stervens toe. Toen kwam de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, bij hem en zei tegen hem: Zo zegt de HEERE: Regel de zaken van uw huis, want u zult sterven en niet leven.

2Daarop keerde Hizkia zijn gezicht om naar de muur en bad tot de HEERE

3en zei: Och HEERE, bedenk toch dat ik in trouw en met een volkomen hart voor Uw aangezicht gewandeld heb en gedaan heb wat goed is in Uw ogen. En Hizkia huilde erg.38:3 huilde erg - Letterlijk: huilde een groot gehuil.

4Toen kwam het woord van de HEERE tot Jesaja:

5Ga tegen Hizkia zeggen: Zo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien. Zie, Ik zal vijftien jaar aan uw levensdagen toevoegen,

6en Ik zal u uit de hand van de koning van Assyrië redden, evenals deze stad; Ik zal deze stad beschermen.

7En dit zal voor u het teken zijn van de HEERE, dat de HEERE dit woord dat Hij gesproken heeft, doen zal:

8Zie, Ik laat op de schaalverdeling van Achaz' zonnewijzer de schaduw, die door de zon is gedaald, tien treden teruggaan. En de zon ging de tien treden terug die ze op de schaalverdeling was gedaald.

9Dit is het geschrift van Hizkia, de koning van Juda, toen hij ziek geweest en van zijn ziekte genezen was:

10Zelf zei ik: Op de helft

van mijn dagen moet ik heengaan;

in de poorten van het graf word ik beroofd

van de rest van mijn jaren.

11Ik zei: Ik zal de HEERE, de HEERE, niet zien

in het land van de levenden;

ik zal de mensen niet meer aanschouwen

onder de inwoners van de wereld.

12Mijn levenstijd is opgebroken, van mij weggerukt,

als een tent van een herder;

ik heb mijn leven opgerold, zoals een wever doet,

Hij snijdt mij af van het weefgetouw.

Voordat de dag tot nacht wordt, zult U aan mij een einde gemaakt hebben.

13Ik stelde het me voor, tot de morgen toe:

als een leeuw, zo zal Hij

al mijn beenderen breken.

Voordat de dag tot nacht wordt, zult U aan mij een einde gemaakt hebben.

14Als een zwaluw of kraanvogel, zo piepte ik,

38:14
Jes. 59:11
ik kirde als een duif.

Mijn ogen waren smekend opgeslagen naar omhoog:

Heere, ik word neergedrukt; wees U mijn Borg!

15Wat zal ik spreken? Zoals Hij mij heeft gezegd,

heeft Híj het gedaan.

Nu mag ik al mijn jaren gerust verdergaan,

de bitterheid van mijn ziel te boven gekomen.

16Heere, bij deze dingen leeft men,

en in al deze dingen is het leven van mijn geest.

Want U hebt mij gezond gemaakt en mij genezen.

17Zie, tot vrede is de bitterheid voor mij bitter geweest,

want Ú hebt mijn ziel lieflijk omhelsd,

van het graf van de ontbinding vandaan gehaald.

Want U hebt al mijn zonden

achter Uw rug geworpen.

18Immers, het graf zal U niet loven,

de dood U niet prijzen;

wie in de kuil neerdalen,

zullen op Uw waarheid niet hopen.

19De levende, de levende, die zal U loven,

zoals ik vandaag.

De vader zal zijn kinderen

met Uw waarheid bekendmaken.

20De HEERE was er om mij te verlossen.

Daarom zullen wij mijn snarenspel doen klinken,

al de dagen van ons leven,

in het huis van de HEERE.

21Jesaja had namelijk gezegd:

38:21
2 Kon. 20:7
Laat men een klomp vijgen nemen en die als een pleister op de zweer leggen; dan zal hij genezen.

22En Hizkia had gezegd: Wat is het teken dat ik naar het huis van de HEERE zal opgaan?

39

Het gezantschap uit Babel

391In die tijd stuurde Merodach-Baladan, de zoon van Baladan, de koning van Babel, gezanten met brieven en een geschenk naar Hizkia, want hij had gehoord dat hij ziek geweest en hersteld was.

2Hizkia verblijdde zich over hun komst. Hij liet hun zijn schathuis zien: het zilver, het goud, de specerijen, de kostbare olie, heel zijn wapenhuis en alles wat in zijn schatkamers te vinden was. Er was niets in zijn huis en in heel zijn koninkrijk wat Hizkia hun niet liet zien.

3Toen kwam de profeet Jesaja bij koning Hizkia. Hij zei tegen hem: Wat hebben die mannen gezegd en waarvandaan zijn zij naar u toe gekomen? Hizkia zei: Zij zijn uit een ver land naar mij toe gekomen, uit Babel.

4Hij zei: Wat hebben zij in uw huis gezien? Hizkia zei: Zij hebben alles gezien wat er in mijn huis is. Er is niets in mijn schatkamers wat ik hun niet heb laten zien.

5Toen zei Jesaja tegen Hizkia: Hoor het woord van de HEERE van de legermachten.

6Zie, er komen dagen dat alles wat er in uw huis is en wat uw vaderen tot op deze dag hebben opgeslagen, naar Babel zal worden weggevoerd. Er zal niets overblijven, zegt de HEERE.

7Bovendien zullen zij een aantal van uw zonen meenemen, die uit u zullen voortkomen, die u verwekken zult; zij zullen hovelingen worden in het paleis van de koning van Babel.

8Hizkia zei tegen Jesaja: Het woord van de HEERE dat u gesproken hebt, is goed. Hij zei ook: Maar laat er in mijn dagen duurzame vrede39:8 duurzame vrede - Letterlijk: vrede en trouw. zijn!

40

De verlossing van het volk Israël voorzegd

401Troost, troost Mijn volk,

zal uw God zeggen,

2spreek naar het hart van Jeruzalem

en roep haar toe

dat haar strijd vervuld is,

dat haar ongerechtigheid verzoend is,

dat zij uit de hand van de HEERE het dubbele ontvangen heeft

voor al haar zonden.

3

40:3
Matt. 3:3
Mark. 1:3
Luk. 3:4
Joh. 1:23
Een stem van iemand die roept

in de woestijn:

Bereid de weg van de HEERE,

maak recht in de wildernis

een gebaande weg voor onze God.

4Alle dalen zullen verhoogd worden,

alle bergen en heuvels zullen verlaagd worden;

wat krom is, zal recht worden;

wat rotsachtig is, zal tot een vlakte worden.

5

40:5
Joh. 1:14
De heerlijkheid van de HEERE zal geopenbaard worden,

en alle vlees tezamen zal het zien,

want de mond van de HEERE heeft gesproken.

6Een stem zegt: Roep!

En hij zegt: Wat moet ik roepen?

40:6
Job 14:2
Ps. 90:5,6
102:12
103:15
Jak. 1:10
1 Petr. 1:24
Alle vlees is gras

en al zijn goedertierenheid als een bloem op het veld.

7Het gras verdort, de bloem valt af,

als de Geest van de HEERE erover blaast.

Voorwaar, het volk is gras.

8Het gras verdort, de bloem valt af,

maar het

40:8
1 Petr. 1:25
Woord van onze God bestaat voor eeuwig.

9Klim op een hoge berg,

Sion, verkondigster van een goede boodschap;

verhef uw stem met kracht,

Jeruzalem, verkondigster van een goede boodschap.

Verhef die, wees niet bevreesd.

Zeg tegen de steden van Juda:

Zie, uw God!

10Zie, de Heere HEERE zal komen tegen de sterke,

en Zijn arm zal heersen.

Zie,

40:10
Jes. 62:11
Zijn loon heeft Hij bij Zich,

Zijn arbeidsloon gaat voor Hem uit.

11Als een herder zal Hij

40:11
Ezech. 34:23,24
Micha 7:14
Joh. 10:11
Zijn kudde weiden:

Hij zal de lammetjes in Zijn armen bijeenbrengen

en in Zijn schoot dragen;

de zogenden zal Hij

40:11
Jes. 49:10
zachtjes leiden.

God alleen is de Machtige

12Wie heeft de wateren met de holte van zijn hand opgemeten,

of van de hemel met een span de maat genomen,

of het stof van de aarde met een maatbeker gevat,

of de bergen gewogen in een waag,

of de heuvels op een weegschaal?

13

40:13
Rom. 11:34
1 Kor. 2:16
Wie heeft de Geest van de HEERE gepeild

en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen?

14Met wie heeft Hij beraadslaagd dat hij Hem inzicht zou geven,

Hem het pad van het recht zou leren,

Hem kennis bij zou brengen

of Hem de weg van veel verstand zou doen kennen?

15Zie, de volken worden beschouwd als een druppel aan een emmer,

als een stofje op de weegschaal.

Zie, Hij heft de eilanden op als fijn stof.

16De Libanon is niet genoeg om te branden,

zijn dieren zijn niet genoeg voor het brandoffer.

17Alle volken zijn als niets voor Hem,

zij worden door Hem beschouwd als minder dan

40:17
Dan. 4:35
niets en als leegheid.

18

40:18
Jes. 46:5
Hand. 17:29
Met wie zou u God willen vergelijken,

of welke vergelijking zou u op Hem willen toepassen?

19De vakman giet het beeld,

de edelsmid overtrekt het met goud

en smeedt er zilveren kettingen voor.

20Wie te arm is voor een hefoffer,

kiest een stuk hout dat niet kan verrotten.

Hij zoekt een kundig vakman voor zich uit

om een beeld te vervaardigen dat niet wankelt.

21Weet u het niet? Hoort u het niet?

Is het u vanaf het begin niet bekendgemaakt?

Hebt u niet gelet op de fundamenten van de aarde?

22Hij is het Die zetelt boven de omtrek van de aarde,

waarvan de bewoners als sprinkhanen zijn.

Hij is het Die

40:22
Job 9:8
Ps. 104:2
Jes. 44:24
de hemel uitspant als een dunne doek

en uitspreidt als een tent om in te wonen.

23Hij is het Die

40:23
Job 12:21
Ps. 107:40
vorsten maakt tot niets,

rechters van de aarde maakt tot leegheid.

24Ja, zij zijn niet geplant,

ja, zij zijn niet gezaaid,

ja, hun afgehouwen stronk wortelt niet in de aarde.

Ook als Hij op hen zal blazen, zullen zij verdorren,

en een storm neemt hen weg als stoppels.

25Met wie zou u Mij willen vergelijken,

of aan wie ben Ik gelijk?

zegt de Heilige.

26Sla uw ogen op naar omhoog,

en zie Wie deze dingen geschapen heeft;

Hij is het Die hun leger voltallig tevoorschijn brengt,

ze alle bij name roept

door Zijn grote vermogen en Zijn sterke kracht;

er ontbreekt er niet één.

27Waarom zegt u dan, Jakob,

en spreekt u, Israël:

Mijn weg is voor de HEERE verborgen

en mijn recht gaat aan mijn God voorbij?

28Weet u het niet?

Hebt u het niet gehoord?

De eeuwige God, de HEERE,

de Schepper van de einden der aarde,

wordt niet moe en niet afgemat.

Er is

40:28
Ps. 147:5
geen doorgronding van Zijn inzicht.

29Hij geeft de vermoeide kracht

en Hij vermeerdert de sterkte van wie geen krachten heeft.

30Jongeren zullen moe en afgemat worden,

jonge mannen zullen zeker struikelen;

31maar wie de HEERE verwachten, zullen hun kracht vernieuwen,

zij zullen hun vleugels uitslaan als arenden,

zij zullen snel lopen en niet afgemat worden,

zij zullen lopen en niet moe worden.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]