Herziene Statenvertaling (HSV)
35

Blijdschap om de terugkeer van de vrijgekochten

351De woestijn en de dorre plaatsen zullen vrolijk zijn,

de wildernis zal zich verheugen en in bloei staan

als een roos.

2Zij zal welig in bloei staan en zich verheugen,

ja, zij zal zich verheugen en juichen.

De luister van de Libanon is haar gegeven,

de glorie van de Karmel en de Saron.

Ze zullen zien de heerlijkheid van de HEERE,

de glorie van onze God.

3

35:3
Hebr. 12:12
Versterk de slappe handen,

verstevig de wankele knieën;

4zeg tegen onbedachtzamen van hart:

Wees sterk, wees niet bevreesd!

Zie, uw God!

De wraak zal komen,

de vergelding van God;

Híj zal komen en u verlossen.

5Dan zullen de ogen

35:5
Matt. 9:27
11:5
12:22
20:30
21:14
Joh. 9:6
van de blinden worden opengedaan,

de oren

35:5
Matt. 11:5
Mark. 7:32
van de doven zullen worden geopend.

6Dan zal

35:6
Matt. 11:5
15:30
21:14
Joh. 5:8,9
Hand. 3:2
8:7
14:8
de kreupele springen als een hert,

35:6
Matt. 9:32
12:22
15:30
de tong van de stomme zal juichen.

Want in de woestijn zullen

35:6
Joh. 7:38,39
wateren zich een weg banen

en beken in de wildernis.

7Het dorre land zal tot een waterpoel worden,

het dorstige land tot waterbronnen;

op de woonplaats van jakhalzen, waar hun rustplaats was,

zal gras zijn, met riet en biezen.

8Daar zal zijn een effen baan, een weg;

de heilige weg zal hij genoemd worden.

Een onreine zal er niet over gaan,

want hij zal alleen voor hen zijn. Wie deze weg ook gaat,

zelfs dwazen zullen niet dwalen.

9Daar zal geen leeuw zijn,

geen verscheurend dier zal erop komen;

ze zullen daar niet aangetroffen worden,

maar de verlosten zullen die bewandelen.

10Want wie door de HEERE zijn vrijgekocht, zullen terugkeren;

zij zullen Sion binnenkomen met gejuich.

Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn,

35:10
Openb. 21:4
vreugde en blijdschap zullen zij verkrijgen,

verdriet en gezucht zullen wegvluchten.

36

Sanherib bedreigt Jeruzalem

361In het veertiende jaar van koning Hizkia gebeurde het dat Sanherib, de koning van Assyrië, optrok tegen alle versterkte steden van Juda en ze innam.

2De koning van Assyrië zond de commandant36:2 de commandant - Hebreeuws: rab-sake; zie ook vers 4, 11, 12, 13 en 22. van Lachis naar Jeruzalem, naar koning Hizkia, met een sterke legermacht. Hij stelde zich op bij de waterloop van de bovenvijver, op de hoofdweg naar het Blekersveld.

3Toen ging Eljakim, de zoon van Hilkia, het hoofd van de hofhouding, de stad uit naar hem toe, met Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.

4Daarop zei de commandant tegen hen: Zeg toch tegen Hizkia: Dit zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat is dit voor vertrouwen dat u koestert?

5Ik zeg (maar het is lippentaal): Er is beraad en gevechtskracht voor de oorlog. Op wie stelt u nu uw vertrouwen, dat u tegen mij in opstand komt?

6Zie, u vertrouwt op die

36:6
Ezech. 29:6,7
geknakte rietstaf, op Egypte. Maar als iemand daarop leunt, dringt hij in zijn hand en doorboort die. Zo is de farao, de koning van Egypte, voor allen die op hem vertrouwen.

7En als u tegen mij zegt: Wij vertrouwen op de HEERE, onze God – is Hij het niet van Wie Hizkia de offerhoogten en altaren verwijderd heeft? En heeft Hizkia niet en tegen Juda en tegen Jeruzalem gezegd: Voor dit altaar moet u zich neerbuigen?

8Nu dan, ga toch een weddenschap aan met mijn heer, de koning van Assyrië: ik geef aan u tweeduizend paarden, als u van uw kant daarvoor de ruiters kunt leveren!

9En hoe zou u ooit een aanval36:9 een aanval - Letterlijk: het gezicht. kunnen keren van een enkele landvoogd van de geringste dienaren van mijn heer? U vertrouwt voor uzelf echter op Egypte vanwege zijn strijdwagens en ruiters.

10Nu dan, ben ik buiten de wil van de HEERE tegen dit land opgetrokken om het te gronde te richten? De HEERE heeft tegen mij gezegd: Trek tegen dit land op en richt het te gronde!

11Toen zeiden Eljakim, Sebna en Joah tegen de commandant: Spreek toch Aramees tegen uw dienaren, want dat verstaan wij. Spreek tegen ons geen Judees ten aanhoren van het volk dat op de stadsmuur is.

12Maar de commandant zei: Heeft mijn heer mij alleen naar uw héér en naar ú gestuurd om deze woorden te spreken? Is het ook niet naar de mannen die daar op de muur zitten, om hun te zeggen dat zij met u hun eigen uitwerpselen zullen eten en hun eigen urine36:12 hun eigen urine - Letterlijk: hun water. drinken?

13En de commandant stelde zich op, riep met luide stem in het Judees en zei: Luister naar de woorden van de grote koning, de koning van Assyrië!

14Dit zegt de koning: Laat Hizkia u niet bedriegen, want hij zal u niet kunnen redden.

15Laat Hizkia u ook niet doen vertrouwen op de HEERE door te zeggen: De HEERE zal ons zeker redden, deze stad zal niet gegeven worden in de hand van de koning van Assyrië.

16Luister niet naar Hizkia, want dit zegt de koning van Assyrië: Geef u aan mij over,36:16 Geef u aan mij over - Letterlijk: Maak met mij een zegen. kom uit de stad naar mij toe. Dan mag ieder eten van zijn eigen wijnstok en ieder van zijn eigen vijgenboom, en ieder water drinken uit zijn eigen put,

17totdat ik kom en u meevoer naar een land als uw eigen land, een land van koren en nieuwe wijn, een land van brood en wijngaarden.

18Laat Hizkia u niet misleiden door te zeggen: De HEERE zal ons redden. Hebben de goden van de volken, ieder zijn eigen land, gered uit de hand van de koning van Assyrië?

19Waar zijn de goden van Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaïm? Hebben zij Samaria dan soms uit mijn hand gered?

20Wie onder al de goden van deze landen zijn er die hun land uit mijn hand gered hebben? Zou de HEERE Jeruzalem dan wél uit mijn hand redden?

21Maar zij zwegen en antwoordden hem met geen woord, want het gebod van de koning was dit: U mag hem niet antwoorden.

22Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, het hoofd van de hofhouding, met Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, in gescheurde kleren naar Hizkia toe. Zij vertelden hem de woorden van de commandant.

37

Hizkia stuurt dienaren naar Jesaja

371Zodra koning Hizkia dat hoorde, gebeurde het dat hij zijn kleren scheurde, zich in een rouwgewaad hulde en het huis van de HEERE binnenging.

2Verder stuurde hij Eljakim, het hoofd van de hofhouding, Sebna, de schrijver, en de oudsten van de priesters, gehuld in rouwgewaden, naar Jesaja, de profeet, de zoon van Amoz.

3Zij zeiden tegen hem: Dit zegt Hizkia: Deze dag is een dag van benauwdheid, bestraffing en belediging; ja, de kinderen staan op het punt geboren te worden, maar er is geen kracht om te baren.

4Misschien zal de HEERE, uw God, de woorden horen van de commandant,37:4 de commandant - Hebreeuws: rab-sake; zie ook vers 8. die zijn heer, de koning van Assyrië, gestuurd heeft om de levende God te honen, en zal Hij hem straffen om de woorden die de HEERE, uw God, gehoord heeft. Wilt u dan een gebed opzenden voor het overblijfsel dat er nog te vinden is?

5Toen kwamen de dienaren van koning Hizkia bij Jesaja.

Profetie van Jesaja en tijdelijke terugtocht van de Assyrische commandant

6En Jesaja zei tegen hen: Dit moet u tegen uw heer zeggen: Zo zegt de HEERE: Wees niet bevreesd voor de woorden die u gehoord hebt, de woorden waarmee de knechten van de koning van Assyrië Mij gelasterd hebben.

7Zie, Ik geef een geest in hem, dat hij een gerucht zal horen en zal terugkeren naar zijn land. Dan zal Ik hem in zijn land door het zwaard neervellen.

8Toen keerde de commandant terug en trof de koning van Assyrië aan, in strijd gewikkeld met Libna. Hij had namelijk gehoord dat hij uit Lachis was vertrokken.

9Toen Sanherib over Tirhaka, de koning van Cusj, hoorde zeggen: Hij is uitgetrokken om tegen u te strijden – toen hij dat hoorde, stuurde hij opnieuw gezanten naar Hizkia om te zeggen:

10Dit moet u tegen Hizkia, de koning van Juda, zeggen: Laat uw God, op Wie u vertrouwt, u niet bedriegen door te zeggen: Jeruzalem zal niet in de hand van de koning van Assyrië gegeven worden.

11Zie, u hebt zelf gehoord wat de koningen van Assyrië met al de landen hebben gedaan door ze met de ban te slaan. En zou ú dan gered worden?

12Hebben de goden van de volken die mijn vaderen te gronde gericht hebben, hen gered: Gozan, Haran, Rezef en de zonen van Eden die in Telassar waren?

13Waar is de koning van Hamath, de koning van Arpad, de koning van de stad Sefarvaïm, van Hena en van Ivva?

Gebed van Hizkia

14Toen Hizkia de brieven uit de hand van de gezanten had ontvangen en die had gelezen, ging hij op naar het huis van de HEERE. Vervolgens spreidde Hizkia die brieven uit voor het aangezicht van de HEERE,

15en Hizkia bad tot de HEERE:

16HEERE van de legermachten, God van Israël, Die tussen de cherubs troont, U bent het, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde, Ú hebt de hemel en de aarde gemaakt.

17Neig, HEERE, Uw oor, en luister; open, HEERE, Uw ogen en zie. Hoor al de woorden van Sanherib die hij gestuurd heeft om de levende God te honen.

18Het is waar, HEERE, de koningen van Assyrië hebben al die landen met hun grondgebied verwoest,

19en hun goden hebben zij prijsgegeven aan het vuur. Het waren immers geen goden, maar het was het werk van mensenhanden, hout en steen. Daarom hebben zij die vernield.

20Nu dan, HEERE, onze God, verlos ons uit zijn hand. Dan zullen alle koninkrijken van de aarde weten dat U de HEERE bent, U alleen.

Tweede profetie van Jesaja

21Toen stuurde Jesaja, de zoon van Amoz, deze boodschap naar Hizkia: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Wat u tot Mij gebeden hebt met betrekking tot Sanherib, de koning van Assyrië, heb Ik gehoord.

22Dit is het woord dat de HEERE over hem gesproken heeft:

De maagd, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u,

de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.

23Wie hebt u gehoond en gelasterd?

Tegen Wie hebt u de stem verheven

en uw ogen hoogmoedig opgeheven?

Tegen de Heilige van Israël!

24Door uw dienaren hebt u de Heere gehoond

en gezegd: Met mijn talrijke strijdwagens

heb ík de hoge bergen bestegen,

de flanken van de Libanon.

Ik hak zijn statige ceders, zijn mooiste cipressen om.

Ik kom tot op zijn hoogste top, tot in zijn weelderig groeiend woud.

25Ík heb gegraven en water gedronken,

ik heb met mijn voetzolen alle rivieren van de belegerde plaatsen37:25 belegerde plaatsen - Of: Egypte. drooggelegd.

26Hebt u dan niet gehoord dat Ik, de Heere, dit lang tevoren gedaan heb,

en dat Ik dit vanaf de dagen van weleer heb bewerkstelligd?

Nu heb Ik het doen komen:

u bent er om de versterkte steden tot puinhopen te verwoesten.

27Daarom waren hun inwoners machteloos,

waren zij ontsteld en beschaamd,

werden zij als gras op het veld

of groene grasscheutjes,

als gras op de daken, of een veld koren

voordat het overeind staat.

28Maar uw zitten,

uw uitgaan, uw thuiskomen ken Ik,

en uw tekeergaan tegen Mij.

29Omdat u tegen Mij tekeer bent gegaan,

en uw hoogmoed is opgeklommen tot in Mijn oren –

zal Ik Mijn haak in uw neus slaan

en Mijn bit tussen uw lippen,

en Ik zal u doen terugkeren

langs de weg waarover u bent gekomen.

30En dit zal voor u het teken zijn:

men zal dit jaar eten wat vanzelf gegroeid is,

in het tweede jaar wat daarvan weer opkomt;

in het derde jaar moet u zaaien en maaien,

en wijngaarden planten en de vruchten daarvan eten,

31want opnieuw zal wat ontkomen, wat overgebleven is van het huis van Juda,

wortel schieten naar beneden toe en vrucht dragen de hoogte in,

32want van Jeruzalem zal uitgaan wat overgebleven is,

en wat ontkomen is, van de berg Sion.

37:32
2 Kon. 19:31
Jes. 9:6
De na-ijver van de HEERE van de legermachten zal dit doen.

33Daarom, zo zegt de HEERE over de koning van Assyrië:

Hij zal deze stad niet binnenkomen,

daar geen pijl in schieten,

haar met geen schild tegemoetkomen,

en tegen haar geen belegeringsdam opwerpen.

34Langs de weg waarover hij gekomen is, zal hij terugkeren, maar deze stad zal hij niet binnenkomen, spreekt de HEERE.

35Want

37:35
2 Kon. 20:6
Ik zal deze stad beschermen door haar te verlossen, omwille van Mijzelf en omwille van David, Mijn dienaar.

Bevrijding van Jeruzalem

36

37:36
2 Kon. 19:35
Toen trok de engel van de HEEREten strijde en sloeg in het legerkamp van Assyrië honderdvijfentachtigduizend man neer. Toen men de volgende morgen vroeg opstond, zie, het waren allemaal dode lichamen.

37Daarop brak Sanherib, de koning van Assyrië, op. Hij trok weg en keerde naar zijn land terug; en hij bleef in Ninevé.

38Het gebeurde nu, toen hij zich in het huis van Nisroch, zijn god, neerboog, dat Adrammelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard doodden. Zij ontkwamen naar het land Ararat, en Esar-Haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.