Herziene Statenvertaling (HSV)
34

Het oordeel over Edom

341Kom naar voren, heidenvolken, om te luisteren!

Sla er acht op, natiën!

Laat de aarde luisteren en al wat zij bevat,

de wereld, en alles wat daarop uitspruit!

2Want de grote toorn van de HEERE richt zich tegen alle heidenvolken,

Zijn grimmigheid tegen heel hun legermacht.

Hij heeft hen met de ban geslagen,

hen overgegeven ter slachting.

3Hun gesneuvelden zullen weggeworpen worden,

en van hun dode lichamen zal hun stank opstijgen.

De bergen zullen wegsmelten door hun bloed.

4Heel het sterrenleger aan de hemel zal

34:4
Openb. 6:13,14
vergaan.

De hemel zal opgerold worden als een boekrol,

en heel zijn leger zal vallen,

zoals bladeren vallen van een wijnstok,

en zoals vijgen vallen van een vijgenboom.

5Want Mijn zwaard is

dronken geworden in de hemel.

Zie, het zal neerdalen op Edom,

op het volk dat Ik geslagen heb met de ban, als een oordeel.

6Het zwaard van de HEERE zit vol bloed,

het is verzadigd van vet,

van het bloed van lammeren en bokken,

van het niervet van rammen.

Want de

34:6
Jes. 63:1,2
HEERE richt een offer aan in Bozra,

een grote slachting in het land Edom.

7Met hen zullen de wilde ossen neervallen,

en de jonge stieren met de sterke stieren.

Hun land zal doordrenkt zijn met bloed

en hun stoffige grond verzadigd van vet.

8Want het zal zijn de dag van de wraak van de HEERE,

het jaar van de afrekening om de rechtszaak van Sion.

9Zijn beken zullen veranderd worden in pek,

en zijn stof in zwavel;

ja, zijn land zal worden

tot brandend pek.

10's Nachts en ook overdag zal het niet geblust worden,

voor eeuwig zal

34:10
Openb. 14:11
19:3
zijn rook opstijgen.

Van generatie op generatie zal het verwoest blijven,

tot in alle eeuwigheden zal niemand erdoorheen trekken.

11

34:11
Jes. 13:21,22
Zef. 2:14
Openb. 18:2
Kauw en nachtuil zullen het in bezit nemen,

ransuil en raaf zullen daar wonen.

Hij zal er het meetlint van de woestheid over uitspannen

en het paslood van de leegte.

12Zijn edelen – maar zij zijn er niet –

zal men tot het koningschap roepen:

met al zijn vorsten is het gedaan.

13In zijn paleizen zullen dorens opschieten,

netels en distels in zijn vestingen.

Het zal een woonplaats voor jakhalzen zijn,

een rustplaats voor struisvogels.

14Wilde woestijndieren zullen daar hyena's tegenkomen,

de bok zal naar zijn metgezel roepen;

ja, daar zal het nachtelijk ongedierte tot rust komen

en voor zichzelf een rustplaats vinden.

15Daar zal de pijlslang nestelen, eieren leggen,

uitbroeden en haar jongen koesteren in haar schaduw;

ja, daar verzamelen zich de wouwen,

de ene bij de andere.

16Zoek het na in het boek van de HEERE en lees:

niet één van hen zal er ontbreken,

zij zullen elkaar niet missen,

want Mijn mond heeft het zelf geboden

en Zijn Geest Zelf zal hen bijeenbrengen.

17Want Hij, Hij heeft voor hen het lot geworpen,

Zijn hand heeft hun het land toebedeeld met het meetlint.

Tot in eeuwigheid zullen zij het bezitten,

van generatie op generatie zullen zij er wonen.

35

Blijdschap om de terugkeer van de vrijgekochten

351De woestijn en de dorre plaatsen zullen vrolijk zijn,

de wildernis zal zich verheugen en in bloei staan

als een roos.

2Zij zal welig in bloei staan en zich verheugen,

ja, zij zal zich verheugen en juichen.

De luister van de Libanon is haar gegeven,

de glorie van de Karmel en de Saron.

Ze zullen zien de heerlijkheid van de HEERE,

de glorie van onze God.

3

35:3
Hebr. 12:12
Versterk de slappe handen,

verstevig de wankele knieën;

4zeg tegen onbedachtzamen van hart:

Wees sterk, wees niet bevreesd!

Zie, uw God!

De wraak zal komen,

de vergelding van God;

Híj zal komen en u verlossen.

5Dan zullen de ogen

35:5
Matt. 9:27
11:5
12:22
20:30
21:14
Joh. 9:6
van de blinden worden opengedaan,

de oren

35:5
Matt. 11:5
Mark. 7:32
van de doven zullen worden geopend.

6Dan zal

35:6
Matt. 11:5
15:30
21:14
Joh. 5:8,9
Hand. 3:2
8:7
14:8
de kreupele springen als een hert,

35:6
Matt. 9:32
12:22
15:30
de tong van de stomme zal juichen.

Want in de woestijn zullen

35:6
Joh. 7:38,39
wateren zich een weg banen

en beken in de wildernis.

7Het dorre land zal tot een waterpoel worden,

het dorstige land tot waterbronnen;

op de woonplaats van jakhalzen, waar hun rustplaats was,

zal gras zijn, met riet en biezen.

8Daar zal zijn een effen baan, een weg;

de heilige weg zal hij genoemd worden.

Een onreine zal er niet over gaan,

want hij zal alleen voor hen zijn. Wie deze weg ook gaat,

zelfs dwazen zullen niet dwalen.

9Daar zal geen leeuw zijn,

geen verscheurend dier zal erop komen;

ze zullen daar niet aangetroffen worden,

maar de verlosten zullen die bewandelen.

10Want wie door de HEERE zijn vrijgekocht, zullen terugkeren;

zij zullen Sion binnenkomen met gejuich.

Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn,

35:10
Openb. 21:4
vreugde en blijdschap zullen zij verkrijgen,

verdriet en gezucht zullen wegvluchten.

36

Sanherib bedreigt Jeruzalem

361In het veertiende jaar van koning Hizkia gebeurde het dat Sanherib, de koning van Assyrië, optrok tegen alle versterkte steden van Juda en ze innam.

2De koning van Assyrië zond de commandant36:2 de commandant - Hebreeuws: rab-sake; zie ook vers 4, 11, 12, 13 en 22. van Lachis naar Jeruzalem, naar koning Hizkia, met een sterke legermacht. Hij stelde zich op bij de waterloop van de bovenvijver, op de hoofdweg naar het Blekersveld.

3Toen ging Eljakim, de zoon van Hilkia, het hoofd van de hofhouding, de stad uit naar hem toe, met Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.

4Daarop zei de commandant tegen hen: Zeg toch tegen Hizkia: Dit zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat is dit voor vertrouwen dat u koestert?

5Ik zeg (maar het is lippentaal): Er is beraad en gevechtskracht voor de oorlog. Op wie stelt u nu uw vertrouwen, dat u tegen mij in opstand komt?

6Zie, u vertrouwt op die

36:6
Ezech. 29:6,7
geknakte rietstaf, op Egypte. Maar als iemand daarop leunt, dringt hij in zijn hand en doorboort die. Zo is de farao, de koning van Egypte, voor allen die op hem vertrouwen.

7En als u tegen mij zegt: Wij vertrouwen op de HEERE, onze God – is Hij het niet van Wie Hizkia de offerhoogten en altaren verwijderd heeft? En heeft Hizkia niet en tegen Juda en tegen Jeruzalem gezegd: Voor dit altaar moet u zich neerbuigen?

8Nu dan, ga toch een weddenschap aan met mijn heer, de koning van Assyrië: ik geef aan u tweeduizend paarden, als u van uw kant daarvoor de ruiters kunt leveren!

9En hoe zou u ooit een aanval36:9 een aanval - Letterlijk: het gezicht. kunnen keren van een enkele landvoogd van de geringste dienaren van mijn heer? U vertrouwt voor uzelf echter op Egypte vanwege zijn strijdwagens en ruiters.

10Nu dan, ben ik buiten de wil van de HEERE tegen dit land opgetrokken om het te gronde te richten? De HEERE heeft tegen mij gezegd: Trek tegen dit land op en richt het te gronde!

11Toen zeiden Eljakim, Sebna en Joah tegen de commandant: Spreek toch Aramees tegen uw dienaren, want dat verstaan wij. Spreek tegen ons geen Judees ten aanhoren van het volk dat op de stadsmuur is.

12Maar de commandant zei: Heeft mijn heer mij alleen naar uw héér en naar ú gestuurd om deze woorden te spreken? Is het ook niet naar de mannen die daar op de muur zitten, om hun te zeggen dat zij met u hun eigen uitwerpselen zullen eten en hun eigen urine36:12 hun eigen urine - Letterlijk: hun water. drinken?

13En de commandant stelde zich op, riep met luide stem in het Judees en zei: Luister naar de woorden van de grote koning, de koning van Assyrië!

14Dit zegt de koning: Laat Hizkia u niet bedriegen, want hij zal u niet kunnen redden.

15Laat Hizkia u ook niet doen vertrouwen op de HEERE door te zeggen: De HEERE zal ons zeker redden, deze stad zal niet gegeven worden in de hand van de koning van Assyrië.

16Luister niet naar Hizkia, want dit zegt de koning van Assyrië: Geef u aan mij over,36:16 Geef u aan mij over - Letterlijk: Maak met mij een zegen. kom uit de stad naar mij toe. Dan mag ieder eten van zijn eigen wijnstok en ieder van zijn eigen vijgenboom, en ieder water drinken uit zijn eigen put,

17totdat ik kom en u meevoer naar een land als uw eigen land, een land van koren en nieuwe wijn, een land van brood en wijngaarden.

18Laat Hizkia u niet misleiden door te zeggen: De HEERE zal ons redden. Hebben de goden van de volken, ieder zijn eigen land, gered uit de hand van de koning van Assyrië?

19Waar zijn de goden van Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaïm? Hebben zij Samaria dan soms uit mijn hand gered?

20Wie onder al de goden van deze landen zijn er die hun land uit mijn hand gered hebben? Zou de HEERE Jeruzalem dan wél uit mijn hand redden?

21Maar zij zwegen en antwoordden hem met geen woord, want het gebod van de koning was dit: U mag hem niet antwoorden.

22Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, het hoofd van de hofhouding, met Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, in gescheurde kleren naar Hizkia toe. Zij vertelden hem de woorden van de commandant.