Herziene Statenvertaling (HSV)
2

Toekomstige heerlijkheid van Jeruzalem

21Het woord dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem.

2Het zal in het laatste der dagen geschieden

dat

2:2
Micha 4:1
de berg van het huis van de HEERE vast zal staan

als de hoogste van de bergen,2:2 als de hoogste van de bergen - Letterlijk: in het hoofd van de bergen.

en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,

en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen.

3Vele volken zullen gaan en zeggen:

Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,

naar het huis van de God van Jakob;

dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,

en zullen wij Zijn paden bewandelen.

Want

2:3
Ps. 110:2
uit Sion zal de wet uitgaan,

en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.

4Hij zal oordelen tussen de heidenvolken

en veel volken vonnissen.

En zij zullen hun

2:4
Joël 3:10
zwaarden omsmeden tot ploegscharen

en hun speren tot snoeimessen.

Geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen.

Oorlog voeren zullen zij niet meer leren.

5Huis van Jakob, kom, laten wij wandelen in het licht van de HEERE.

De dag van de HEERE

6Maar U hebt Uw volk verlaten,

het huis van Jakob,

want zij zijn vol goddeloosheid uit het Oosten,

en zij duiden wolken, net als de Filistijnen,

en met buitenlanders2:6 buitenlanders - Letterlijk: zonen van buitenlanders. slaan zij de handen ineen.

7Hun land is vol zilver en goud,

en er komt geen einde aan hun schatten.

Hun land is vol paarden,

en er komt geen einde aan hun wagens.

8Hun land is vol afgoden;

voor het werk van hun handen buigen zij zich neer,

voor wat hun vingers gemaakt hebben.

9Zo bukt zich de gewone man en vernedert zich de man van aanzien.

Vergeef het hun niet!

10Ga de rotskloof in,

verberg u in het stof

uit angst voor de HEERE

en vanwege de glorie van Zijn majesteit.

11

2:11
Jes. 5:15
De hoogmoedige ogen van de mensen zullen neergeslagen worden,

en de trots van de mannen zal neergebogen worden.

Alleen de HEERE zal op die dag hoogverheven zijn.

12Want de dag van de HEERE van de legermachten zal zijn

tegen al wie hoogmoedig en trots is,

tegen al wie zich verheft, opdat hij vernederd zal worden;

13tegen alle ceders van de Libanon, hoog en verheven,

en tegen alle eiken van Basan,

14tegen al de hoge bergen

en tegen al de verheven heuvels,

15tegen elke hoge toren

en tegen elke vestingmuur,

16tegen alle schepen van Tarsis

en tegen alle koopvaardijschepen met kostbare lading.

17De hoogmoed van de mensen zal vernederd worden

en de trots van de mannen zal neergebogen worden.

Alleen de HEERE zal op die dag hoogverheven zijn.

18En de afgoden – ze vergaan volkomen.

19Dan zullen zij de grotten van de rotsen binnengaan

en de holen in de grond,

uit angst voor de HEERE

en vanwege de glorie van Zijn majesteit,

als Hij opstaat om de aarde te verschrikken.

20Op die dag zal de mens

zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden,

die hij voor zichzelf gemaakt had om zich daarvoor neer te buigen,

voor de ratten2:20 de ratten - De betekenis van dit woord is onduidelijk. Waarschijnlijk is dit een dier geweest dat lijkt op een rat en een mol. en de vleermuizen werpen.

21Dan zullen zij de spleten in de rotsen binnengaan

en de kloven in de rotsen,

uit angst voor de HEERE,

en vanwege de glorie van Zijn majesteit,

als Hij opstaat om de aarde te verschrikken.

22Zie voor uzelf dan af van de mens

– in zijn neus heeft hij slechts adem –

want als wat is hij eigenlijk te beschouwen?

3

Tegen de verleiders van het volk

31Want zie, de Heere, de HEERE van de legermachten

gaat van Jeruzalem en Juda wegnemen

steun en stut:

elke steun van brood

en elke steun van water,

2held en strijdbare man,

rechter en profeet, waarzegger en oudste,

3hoofdman over vijftig en man van aanzien,

raadsman, kundig vakman en scherpzinnig bezweerder.

4Ik zal jongens aanstellen als hun vorsten,

willekeur zal onder hen heersen.

5Het volk zal elkaar in het nauw drijven, man tegen man,

en eenieder tegen zijn naaste;

jongens zullen de ouderen aanvallen,

de geminachte de geëerde.

6Ja, iemand zal zijn broer uit het huis van zijn vader vastgrijpen met de woorden:

Jij hebt nog een mantel, wees leider over ons,

en neem deze puinhoop onder je hoede.3:6 hoede - Letterlijk: hand.

7Dan zal hij op die dag zijn stem verheffen en zeggen:

Ik kan geen heelmeester zijn,

en er is in mijn huis geen brood en geen mantel;

stel mij daarom niet aan als leider van het volk.

8Want Jeruzalem is gestruikeld

en Juda is gevallen,

omdat hun woorden3:8 hun woorden - Letterlijk: hun tong. en daden tegen de HEERE zijn,

doordat zij de blik3:8 de blik - Letterlijk: de ogen. van Zijn heerlijkheid tergen.

9Hun gelaatsuitdrukking getuigt tegen hen.

Zoals Sodom maken zij hun zonden openlijk bekend,

zij verbergen ze niet.

Wee hun ziel,

want zij doen zichzelf kwaad aan.

10Zeg de rechtvaardige dat het hem goed zal gaan,

dat hij de vrucht van zijn daden zal eten.

11Wee de goddeloze, het zal hem slecht vergaan,

want wat zijn handen verdienen, zal hem aangedaan worden.

12De onderdrukkers van Mijn volk zijn kinderen,

en vrouwen heersen over hen.

Mijn volk, wie u leiden, misleiden u,

en zij brengen de richting van uw paden in de war.

13De HEERE staat gereed om Zijn rechtszaak te voeren,

en Hij staat klaar om over de volken recht te spreken.

14De HEERE gaat in het gericht

met de oudsten van Zijn volk en de vorsten ervan.

Ú hebt immers deze wijngaard verbrand,

en wat u geroofd hebt van de armen, bevindt zich in uw huizen.

15Welk recht hebt u om Mijn volk te vertrappen

en de armen3:15 de armen - Letterlijk: de gezichten van de armen. te vermorzelen?

spreekt de Heere, de HEERE van de legermachten.

Over de ijdelheid van de vrouwen van Sion

16Verder zegt de HEERE:

Omdat de dochters van Sion uit de hoogte doen,

met uitgestrekte hals lopen,

met de ogen lonken,

met kleine pasjes lopen,

en hun enkelringen3:16 hun enkelringen - Letterlijk: met hun voeten. laten rinkelen,

17daarom zal de Heere de schedel van de dochters van Sion schurftig maken,

en hun schaamdelen3:17 hun schaamdelen - Of: hun voorhoofd. zal de HEERE ontbloten.

18Op die dag zal de Heere de mooiste sieraden wegnemen: de enkelringen, de voorhoofdbanden, de maantjes,

19de oorhangers, de armbanden, de sluiers,

20de hoofddoeken, de enkelkettinkjes, de gordels, de reukflesjes,3:20 reukflesjes - Letterlijk: huisjes van de ziel of adem. de amuletten,

21de ringen, de neusringen,

22de feestkleren, de mantels, de omslagdoeken, de tasjes,

23de handspiegels, de onderkleding, de mutsen en de sluiers.

24Dan zal er in plaats van balsemgeur stank zijn,

en er zal een touw zijn in plaats van een gordel,

kaalheid in plaats van haarvlechten,

het aandoen van een rouwgewaad in plaats van een pronkgewaad,

een brandmerk in plaats van schoonheid.

25Uw mannen zullen door het zwaard vallen

en uw helden in de strijd.

26Haar poorten zullen treuren en rouwen.

Als alles haar ontnomen is, zal zij neerzitten op de aarde.

4

41Op die dag zullen zeven vrouwen

één man vastgrijpen

en zeggen: Ons eigen brood zullen wij eten

en met onze eigen kleren zullen wij ons kleden.

Laat ons slechts uw naam mogen dragen.

Neem onze smaad weg!

De komende verlossing

2Op die dag zal de SPRUIT van de HEERE tot een heerlijk sieraad4:2 tot een heerlijk sieraad - Letterlijk: tot sieraad en tot heerlijkheid. zijn, en de vrucht van de aarde tot glorie en luister voor hen in Israël die ontkomen zijn.

3Dan zal het gebeuren dat wie in Sion overgebleven is, en wie in Jeruzalem overgelaten is, heilig genoemd zal worden, eenieder die in Jeruzalem ten leven opgeschreven is.

4Wanneer de Heere de vuilheid van de dochters van Sion afgewassen zal hebben en de vele bloedschuld van Jeruzalem uit het midden ervan weggespoeld zal hebben door de Geest van oordeel en door de Geest van uitbranding,

5dan zal de HEERE over elke plaats op de berg Sion en over de samenkomsten ervan overdag een wolk scheppen en rook, en 's nachts een schijnsel van vlammend vuur; ja, over alles wat heerlijk is, zal een beschutting zijn.

6Dan zal een hut dienen tot schaduw overdag tegen de hitte, en als toevlucht en schuilplaats tegen de vloed en tegen de regen.