Herziene Statenvertaling (HSV)
25

Dank voor verlossing

251HEERE, U bent mijn God,

ik zal U roemen, Uw Naam loof ik.

Want U hebt wonderen gedaan.

Uw raadsbesluiten zijn van oudsher vast en zeker.

2Want U hebt van de stad een

25:2
Jes. 21:9
23:13
Openb. 14:8
18:2
steenhoop gemaakt,

van de versterkte stad een ruïne,

van de vesting van vreemden iets wat geen stad mag heten;

in eeuwigheid zal zij niet herbouwd worden.

3Daarom zal een sterk volk U eren,

de stad van gewelddadige volken zal U vrezen.

4Want U bent voor de geringe een vesting geweest,

een vesting voor de arme in zijn nood,

een toevlucht tegen de vloed, een schaduw tegen de hitte.

Want het razen25:4 het razen - Letterlijk: ‘de wind’ of ‘de geest’. van geweldplegers is als een vloed tegen een muur.

5Als de hitte in een dorre streek

zult U het gedruis van de vreemden onderdrukken;

als de hitte door de schaduw van een dikke wolk

zal het gezang van de geweldplegers worden gedempt.

Heil op Sion

6De HEERE van de legermachten zal

op deze berg voor alle volken

een feestmaal met uitgelezen gerechten aanrichten,

een feestmaal met gerijpte wijnen,

met uitgelezen gerechten vol merg,

met gezuiverde gerijpte wijnen.

7En Hij zal op deze berg verslinden

de sluier waarmee het gezicht van alle volken omsluierd is,

en de bedekking waarmee alle naties bedekt zijn.

8

25:8
1 Kor. 15:54
Hij zal de dood voor altijd verslinden,

de Heere HEERE zal de tranen van alle gezichten afwissen

en de smaad van Zijn volk wegnemen van heel de aarde,

want de HEERE heeft gesproken.

9Op die dag zal men zeggen:

Zie, Dit is onze God;

wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons verlossen.

Dit is de HEERE, wij hebben Hem verwacht,

wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn heil.

10Want de hand van de HEERE zal rusten op deze berg.

Maar Moab zal onder Hem worden vertrapt,

zoals stro vertrapt wordt in de mest.

11Hij zal Zijn handen te midden van hem uitspreiden,

zoals een zwemmer ze uitspreidt om te zwemmen,

en

25:11
Jes. 16:6
Hij zal zijn hoogmoed vernederen, ondanks zijn listige handelingen.25:11 zijn listige handelingen - Letterlijk: de listen van zijn handen.

12Hij zal uw hoge vestingmuren neerhalen,

neerwerpen, neerstorten ter aarde, tot in het stof.

26

Lofzang van de verlosten

261Op die dag zal dit lied gezongen worden in het land Juda:

Wij

26:1
Ps. 46:6
125:1
Spr. 18:10
hebben een sterke stad,

God stelt heil

tot muren en vestingwallen.

2Doe de poorten open,

zodat het rechtvaardige volk kan binnengaan,

dat de trouw bewaart.

3Het is Uw vaste voornemen:

U zult volkomen vrede bewaren,

want men heeft op U vertrouwd.

4Vertrouw op de HEERE, tot in eeuwigheid,

want de HEERE HEERE is een eeuwige rots.26:4 eeuwige rots - Letterlijk: rots van eeuwigheden.

5Voorzeker, Hij haalt ze neer, de bewoners van de hoogte,

de hoogverheven stad;

Hij vernedert haar, Hij werpt haar neer, tot de grond toe,

Hij stort haar neer tot in het stof.

6De voet zal haar vertrappen,

de voeten van de ellendige,

de voetstappen van de armen.

7Het pad van de rechtvaardige is geheel effen,

recht is het spoor dat U voor de rechtvaardige baant.

8Ook in de weg van Uw oordelen, HEERE,

hebben wij U verwacht;

naar Uw Naam en naar Uw gedachtenis

gaat het verlangen van onze ziel uit.

9Met heel mijn ziel verlang ik naar U in de nacht,

ja, met mijn geest diep in mij zoek ik U ernstig.

Want wanneer Uw oordelen over de aarde komen,

leren de bewoners van de wereld wat gerechtigheid is.

10Al wordt de goddeloze genade bewezen,

hij leert niet wat gerechtigheid is:

in een land van recht bedrijft hij onrecht

en de hoogheid van de HEERE ziet hij niet.

11HEERE, Uw hand is opgeheven,

maar zij zien het niet.

Toch zullen zij het zien en beschaamd worden vanwege de ijver voor Uw volk;

ja, het vuur voor Uw tegenstanders – het zal hen verteren.

12HEERE, U zult voor ons vrede beschikken,

want al onze zaken hebt U ook voor ons in orde gebracht.

13HEERE, onze God, andere heren dan U hebben over ons geheerst,

door U alleen gedenken wij Uw Naam.

14Doden zullen niet herleven;

gestorvenen zullen niet opstaan.

Daarom hebt U hen gestraft, hen weggevaagd,

elke gedachtenis aan hen doen vergaan.

15HEERE, U hebt dit volk vermeerderd,

U hebt dit volk vermeerderd, U hebt Uzelf verheerlijkt,

U hebt hen ver weggedaan, in alle einden der aarde.

16HEERE, in de benauwdheid hebben zij U gezocht,

een fluisterend gebed uitgestort, toen Uw vermaning over hen kwam.

17

26:17
Joh. 16:21
Zoals een zwangere vrouw die op het punt staat te baren,

ineenkrimpt en het uitschreeuwt in haar weeën,

zo waren wij voor Uw aangezicht, HEERE.

18Wij waren zwanger, wij krompen ineen, maar het was als baarden wij wind:

wij hebben het land geen heil gebracht,

wereldbewoners zijn niet geboren.26:18 geboren - Letterlijk: gevallen.

19Uw doden zullen leven – ook mijn dood lichaam – zij zullen opstaan.

Ontwaak en juich, u die woont in het stof,

want Uw dauw zal zijn als dauw op jong, fris groen

en de aarde zal de gestorvenen baren.26:19 baren - Letterlijk: laten vallen.

20Ga, Mijn volk, treed uw kamers binnen,

sluit uw deuren achter u.

Verberg u

26:20
2 Kor. 4:17
voor een klein ogenblik,

totdat de gramschap over is.

21Want zie, de HEERE gaat uit Zijn plaats

om de ongerechtigheid van de bewoners van de aarde aan hen te vergelden.

De aarde zal het bloed dat erop vergoten is, aan het licht brengen.

Zij zal haar gedoden niet langer bedekt houden.

27

271Op die dag zal de HEERE vergelding doen

met Zijn hard, groot en sterk zwaard

aan de Leviathan, de snelle slang,

ja, de Leviathan, de kronkelende slang;

Hij zal het monster dat in de zee is, doden.

Israël verlost

2Op die dag

zal er een wijngaard zijn van bruisende wijn; zing ervan in beurtzang!

3Ik, de HEERE, bescherm hem,

elk ogenblik bevochtig Ik hem.

Opdat de vijand hem niet kan beschadigen,

bescherm Ik hem nacht en dag.

4Grimmigheid is er bij Mij niet:

wie zou Mij als een doorn en distel de strijd laten aanbinden,

zodat Ik hem zou aanvallen

en hem tegelijk zou verbranden?

5Laat men zich liever aan Mijn macht vastklampen,

laat men vrede met Mij sluiten;

vrede moet men met Mij sluiten.

6In de dagen die komen, zal Jakob wortel schieten,

27:6
Ps. 72:16
Israël zal bloeien en groeien

en zij zullen het wereldoppervlak met vruchten vervullen.

7Heeft Hij hem geslagen zoals Hij hem geslagen heeft die hem sloeg?

Is hij gedood zoals zijn gesneuvelden sneuvelden?

8

27:8
Jer. 30:11
46:28
Door hem op te jagen, te verdrijven, hebt U met hem een rechtszaak gevoerd.

Hij heeft hem verdreven door Zijn harde wind, op de dag van de storm uit het oosten.

9Daarom zal hierdoor de ongerechtigheid van Jakob verzoend worden.

Dit is de volle vrucht: dat Hij zijn zonde zal wegdoen,

wanneer Hij alle altaarstenen zal maken

als stukgeslagen kalksteen;

geen gewijde paal of wierookaltaar zal blijven staan.

10Want de versterkte stad zal een eenzame plek zijn

en de woningen leeg en verlaten als de woestijn.

Daar zullen kalveren grazen,

en daar zullen ze neerliggen en haar takken kaal eten.

11Zijn haar twijgen verdord, dan worden ze afgebroken.

Vrouwen komen en steken ze aan.

Het is immers niet een volk met inzicht.

Daarom zal zijn Maker Zich er niet over ontfermen,

en zijn Formeerder zal het geen genade bewijzen.

12Op die dag zal het gebeuren

dat de HEERE de aren zal uitkloppen

vanaf de rivier tot aan de Beek van Egypte;

en ú, Israëlieten,

27:12
Jes. 17:5
zult worden opgeraapt,

één voor één.

13Op die dag zal het gebeuren

dat op een grote bazuin geblazen zal worden.

Dan zullen zij komen die verloren waren in het land van Assyrië,

die verdreven waren naar het land Egypte.

En zij zullen zich voor de HEERE neerbuigen

op de heilige berg in Jeruzalem.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]