Herziene Statenvertaling (HSV)
24

Ondergang en heil

241Zie, de HEERE maakt het land leeg en verwoest het;

het oppervlak ervan keert Hij ondersteboven, Hij verspreidt zijn inwoners.

2Het vergaat het volk dan net als de priester,

de knecht als zijn heer,

de slavin als haar meesteres,

de koper

24:2
Ezech. 7:12,13
als de verkoper,

wie uitleent als wie te leen krijgt,

de schuldeiser als zijn schuldenaar.

3Het land zal volkomen leeggehaald

en leeggeplunderd worden,

want de HEERE heeft dit woord gesproken.

4Het treurt, verwelkt – dat land;

hij verkommert, verwelkt – de bewoonde wereld;

zij verkommeren – de voornaamsten van de bevolking van het land.

5Want het land is ontheiligd door zijn inwoners:

zij overtreden de wetten, zij veranderen elke verordening,

zij verbreken het eeuwige verbond.

6Daarom verteert de vervloeking het land

en moeten zijn inwoners boeten.

Daarom zullen de inwoners van het land

24:6
Jes. 9:18
10:16
verbrand worden,

zodat er weinig stervelingen zullen overblijven.

7De nieuwe wijn treurt,

de wijnstok verkommert,

allen die blij zijn van hart, zuchten.

8De

24:8
Jer. 7:34
16:9
25:10
Ezech. 26:13
Hos. 2:10
vreugdemuziek van tamboerijnen houdt op,

het gejoel van uitgelaten mensen verstomt,

de vreugdemuziek van de harp houdt op.

9Zij zullen geen wijn meer drinken

24:9
Jes. 16:10
onder gezang,

sterkedrank zal bitter zijn voor wie hem drinken.

10Gebroken is Chaos-stad,

gesloten zijn alle huizen, niemand kan erin.

11Op straat is er gejammer over de wijn;

alle blijdschap is ondergegaan,

de vreugde uit het land is verdwenen.

12In de stad is verwoesting overgebleven,

een ruïne; de poort is verbrijzeld.

13Want het zal op24:13 op - Letterlijk: in het midden van. de aarde,

te midden van de volken, zo gaan

24:13
Jes. 17:6
als bij het afschudden van een olijfboom,

als bij de nalezing wanneer de wijnoogst ten einde is.

14Zíj zullen hun stem verheffen,

zij zullen vrolijk zingen;

om de majesteit van de HEERE

zullen zij juichen, van de zee af.

15Eer daarom de HEERE

in de landen van het licht,

op de eilanden in de zee

de Naam van de HEERE,

de God van Israël.

16Vanaf het uiterste einde der aarde

horen wij psalmen

tot verheerlijking van de Rechtvaardige.24:16 tot verheerlijking van de Rechtvaardige - Of: heerlijkheid voor de Rechtvaardige.

Maar ik zeg: Ik kwijn weg, ik kwijn weg, wee mij!

De trouwelozen handelen trouweloos,

in ontrouw handelen de trouwelozen trouweloos.

17

24:17
Jer. 48:43
Angst, valkuil en strik

over u, bewoners van de aarde!

18En het zal gebeuren dat wie vlucht voor het beangstigende geluid,

24:18
Jer. 48:44
Amos 5:19
neervallen zal in de valkuil;

en wie opklimt uit het midden van de valkuil,

gevangen zal worden in de strik.

Want de sluizen in de hoogte worden geopend

en de fundamenten van de aarde zullen beven.

19Scheuren, openscheuren zal de aarde,

splijten, opensplijten zal de aarde,

vervaarlijk wankelen zal de aarde,

20hevig waggelen zal de aarde,

24:20
Jes. 19:14
als een dronkaard.

Zij zal heen en weer slingeren

24:20
Job 27:18
Jes. 1:8
als een nachthutje,

haar overtreding zal zwaar op haar drukken,

zij zal neervallen en niet meer opstaan.

21Op die dag zal het gebeuren dat de HEERE

de legermacht van de hoogte in de hoogte

en de koningen van de aardbodem op de aardbodem zal straffen.

22Zij zullen verzameld worden

als gevangenen in een kerker,

zij zullen opgesloten worden in een gevangenis,

maar na vele dagen zal er weer naar hen omgezien worden.

23

24:23
Jes. 13:10
Ezech. 32:7
Joël 2:31
3:15
De volle maan zal rood worden van schaamte,

de gloeiende zon zal beschaamd worden,

als de HEERE van de legermachten zal regeren

op de berg Sion, en in Jeruzalem;

en voor Zijn oudsten

zal er heerlijkheid zijn.

25

Dank voor verlossing

251HEERE, U bent mijn God,

ik zal U roemen, Uw Naam loof ik.

Want U hebt wonderen gedaan.

Uw raadsbesluiten zijn van oudsher vast en zeker.

2Want U hebt van de stad een

25:2
Jes. 21:9
23:13
Openb. 14:8
18:2
steenhoop gemaakt,

van de versterkte stad een ruïne,

van de vesting van vreemden iets wat geen stad mag heten;

in eeuwigheid zal zij niet herbouwd worden.

3Daarom zal een sterk volk U eren,

de stad van gewelddadige volken zal U vrezen.

4Want U bent voor de geringe een vesting geweest,

een vesting voor de arme in zijn nood,

een toevlucht tegen de vloed, een schaduw tegen de hitte.

Want het razen25:4 het razen - Letterlijk: ‘de wind’ of ‘de geest’. van geweldplegers is als een vloed tegen een muur.

5Als de hitte in een dorre streek

zult U het gedruis van de vreemden onderdrukken;

als de hitte door de schaduw van een dikke wolk

zal het gezang van de geweldplegers worden gedempt.

Heil op Sion

6De HEERE van de legermachten zal

op deze berg voor alle volken

een feestmaal met uitgelezen gerechten aanrichten,

een feestmaal met gerijpte wijnen,

met uitgelezen gerechten vol merg,

met gezuiverde gerijpte wijnen.

7En Hij zal op deze berg verslinden

de sluier waarmee het gezicht van alle volken omsluierd is,

en de bedekking waarmee alle naties bedekt zijn.

8

25:8
1 Kor. 15:54
Hij zal de dood voor altijd verslinden,

de Heere HEERE zal de tranen van alle gezichten afwissen

en de smaad van Zijn volk wegnemen van heel de aarde,

want de HEERE heeft gesproken.

9Op die dag zal men zeggen:

Zie, Dit is onze God;

wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons verlossen.

Dit is de HEERE, wij hebben Hem verwacht,

wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn heil.

10Want de hand van de HEERE zal rusten op deze berg.

Maar Moab zal onder Hem worden vertrapt,

zoals stro vertrapt wordt in de mest.

11Hij zal Zijn handen te midden van hem uitspreiden,

zoals een zwemmer ze uitspreidt om te zwemmen,

en

25:11
Jes. 16:6
Hij zal zijn hoogmoed vernederen, ondanks zijn listige handelingen.25:11 zijn listige handelingen - Letterlijk: de listen van zijn handen.

12Hij zal uw hoge vestingmuren neerhalen,

neerwerpen, neerstorten ter aarde, tot in het stof.

26

Lofzang van de verlosten

261Op die dag zal dit lied gezongen worden in het land Juda:

Wij

26:1
Ps. 46:6
125:1
Spr. 18:10
hebben een sterke stad,

God stelt heil

tot muren en vestingwallen.

2Doe de poorten open,

zodat het rechtvaardige volk kan binnengaan,

dat de trouw bewaart.

3Het is Uw vaste voornemen:

U zult volkomen vrede bewaren,

want men heeft op U vertrouwd.

4Vertrouw op de HEERE, tot in eeuwigheid,

want de HEERE HEERE is een eeuwige rots.26:4 eeuwige rots - Letterlijk: rots van eeuwigheden.

5Voorzeker, Hij haalt ze neer, de bewoners van de hoogte,

de hoogverheven stad;

Hij vernedert haar, Hij werpt haar neer, tot de grond toe,

Hij stort haar neer tot in het stof.

6De voet zal haar vertrappen,

de voeten van de ellendige,

de voetstappen van de armen.

7Het pad van de rechtvaardige is geheel effen,

recht is het spoor dat U voor de rechtvaardige baant.

8Ook in de weg van Uw oordelen, HEERE,

hebben wij U verwacht;

naar Uw Naam en naar Uw gedachtenis

gaat het verlangen van onze ziel uit.

9Met heel mijn ziel verlang ik naar U in de nacht,

ja, met mijn geest diep in mij zoek ik U ernstig.

Want wanneer Uw oordelen over de aarde komen,

leren de bewoners van de wereld wat gerechtigheid is.

10Al wordt de goddeloze genade bewezen,

hij leert niet wat gerechtigheid is:

in een land van recht bedrijft hij onrecht

en de hoogheid van de HEERE ziet hij niet.

11HEERE, Uw hand is opgeheven,

maar zij zien het niet.

Toch zullen zij het zien en beschaamd worden vanwege de ijver voor Uw volk;

ja, het vuur voor Uw tegenstanders – het zal hen verteren.

12HEERE, U zult voor ons vrede beschikken,

want al onze zaken hebt U ook voor ons in orde gebracht.

13HEERE, onze God, andere heren dan U hebben over ons geheerst,

door U alleen gedenken wij Uw Naam.

14Doden zullen niet herleven;

gestorvenen zullen niet opstaan.

Daarom hebt U hen gestraft, hen weggevaagd,

elke gedachtenis aan hen doen vergaan.

15HEERE, U hebt dit volk vermeerderd,

U hebt dit volk vermeerderd, U hebt Uzelf verheerlijkt,

U hebt hen ver weggedaan, in alle einden der aarde.

16HEERE, in de benauwdheid hebben zij U gezocht,

een fluisterend gebed uitgestort, toen Uw vermaning over hen kwam.

17

26:17
Joh. 16:21
Zoals een zwangere vrouw die op het punt staat te baren,

ineenkrimpt en het uitschreeuwt in haar weeën,

zo waren wij voor Uw aangezicht, HEERE.

18Wij waren zwanger, wij krompen ineen, maar het was als baarden wij wind:

wij hebben het land geen heil gebracht,

wereldbewoners zijn niet geboren.26:18 geboren - Letterlijk: gevallen.

19Uw doden zullen leven – ook mijn dood lichaam – zij zullen opstaan.

Ontwaak en juich, u die woont in het stof,

want Uw dauw zal zijn als dauw op jong, fris groen

en de aarde zal de gestorvenen baren.26:19 baren - Letterlijk: laten vallen.

20Ga, Mijn volk, treed uw kamers binnen,

sluit uw deuren achter u.

Verberg u

26:20
2 Kor. 4:17
voor een klein ogenblik,

totdat de gramschap over is.

21Want zie, de HEERE gaat uit Zijn plaats

om de ongerechtigheid van de bewoners van de aarde aan hen te vergelden.

De aarde zal het bloed dat erop vergoten is, aan het licht brengen.

Zij zal haar gedoden niet langer bedekt houden.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]