Herziene Statenvertaling (HSV)
21

Profetie over Babel

211De last over de woestijn aan de zee.

Zoals wervelwinden

in het Zuiderland voorbijtrekken,

komt het uit de woestijn,

uit een vreselijk land.

2Een hard visioen

is mij bekendgemaakt:

de trouweloze handelt trouweloos,

de verwoester verwoest.

Trek op, Elam!

Beleger Babel, Medië!

Al haar zuchten

heb Ik doen ophouden.

3Daarom zijn

mijn lendenen vol pijnscheuten.

Weeën hebben mij aangegrepen

als de weeën van een barende vrouw.

Ik krimp ineen bij het horen,

ik ben verschrikt bij het zien.

4Mijn hart slaat over,21:4 slaat over - Letterlijk: dwaalt.

huiver en angst overvallen mij.

21:4
Job 7:3
De avondschemering, waar ik anders zo naar verlang,21:4 waar … verlang - Letterlijk: van mijn verlangen.

maakt Hij voor mij tot een verschrikking.

5Maak de tafel gereed;

spreid de kleden;

eet, drink.

Sta op, vorsten,

bestrijk het schild!

6Want zo heeft

de Heere tegen mij gezegd:

Ga, zet een wachter uit;

laat hem vertellen wat hij ziet.

7En ziet hij strijdwagens,

ruiters twee aan twee,

een karavaan ezels,

een karavaan kamelen,

laat hij dan scherp opletten,

zeer scherp!

8Hij roept: Een leeuw!

Heere, op de wachttoren

21:8
Hab. 2:1
sta ik

overdag voortdurend.

En op mijn wachtpost

sta ik

hele nachten door.

9Zie nu, daar komt het:

strijdwagens, manschappen,

ruiters twee aan twee!

Hij neemt het woord en zegt:

Gevallen, gevallen is

21:9
Jer. 25:12
51:8
Openb. 14:8
18:2
Babel!

En alle beelden van zijn goden

heeft Hij tegen de grond stukgebroken.

10O mijn gedorste volk,

graan van mijn dorsvloer;

wat ik gehoord heb

van de HEERE van de legermachten,

de God van Israël,

heb ik u bekendgemaakt.

Profetie over Edom

11De last over Duma.

Men roept mij uit Seïr toe:

Wachter, hoe staat het met de nacht?

Wachter, hoe staat het met de nacht?

12De wachter zei:

De morgenstond is gekomen,

maar het wordt ook nacht.

Wilt u vragen, vraag!

Keer terug, kom!

Profetie over Arabië

13De last over Arabië.

U moet overnachten in het woud in Arabië,

karavanen van de Dedanieten.

14Treed de dorstige tegemoet,

breng water,

inwoners van het land Tema,

treed de vluchteling met brood voor hem tegemoet.

15Want zij zijn op de vlucht voor de zwaarden,

voor het getrokken zwaard,

voor de gespannen boog,

en voor de druk van de oorlog.

16Want zo heeft de Heere tegen mij gezegd: Nog binnen een jaar, gerekend naar de jaren van een dagloner, zal het met al de luister van Kedar gedaan zijn.

17Het aantal overgebleven boogschutters, de helden van de Kedarenen – het zullen er maar weinig zijn. Want de HEERE, de God van Israël, heeft gesproken.